Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

103 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. simultaan spel

    Een spel waarin de spelers tegelijk kiezen.

    Naar de les over Speltheorie met matrix en spelboom

  2. berovingsprobleem

    Dat een partij na een specifieke investering onder druk kan worden gezet, omdat weglopen hem meer kost.

    Naar de les over Suboptimale situaties

  3. actor

    Een partij met een eigen belang, zoals een consument, een producent, een werknemer of de overheid.

    Naar de les over Een standpunt onderbouwen

  4. muntunie

    Een groep landen met één gezamenlijke munt.

    Naar de les over De muntunie

  5. procentpunt

    Het verschil tussen twee percentages.

    Naar de les over Rekenen met procenten en indexcijfers

  6. gevangenendilemma

    Een spel waarin beide spelers hun dominante strategie kiezen en daardoor samen slechter uitkomen.

    Naar de les over Nash-evenwicht en het gevangenendilemma

  7. marginale opbrengst

    De verandering van de omzet door één extra verkochte eenheid.

    Naar de les over Opbrengsten en de marginale opbrengst

  8. elastisch

    Dat de gevraagde hoeveelheid harder reageert dan de prijs verandert.

    Naar de les over Prijselasticiteit en de omzet

  9. secundaire inkomen

    Het inkomen na belastingen, premies, uitkeringen en toeslagen.

    Naar de les over Ongelijkheid en herverdeling

  10. collectieve vraaglijn

    De lijn die aangeeft hoeveel alle vragers samen willen kopen bij elke prijs.

    Naar de les over Betalingsbereidheid en de vraaglijn

  11. aandeel

    Een stukje eigendom van een bedrijf, met recht op dividend en koerswinst maar ook op verlies.

    Naar de les over Beleggen, risico en rendement

  12. stroomgrootheid

    Een grootheid die je over een periode meet, zoals inkomen per jaar.

    Naar de les over Nominaal en reëel, voorraad en stroom

  13. bbp

    Het bruto binnenlands product, de waarde van alles wat er in een land in een jaar wordt geproduceerd.

    Naar de les over De macro-economische kringloop

  14. uitgestelde belastingheffing

    Dat een tekort van nu later alsnog uit belastingen moet worden betaald.

    Naar de les over De overheid ruilt over de tijd

  15. indexcijfer

    Een getal dat een waarde afzet tegen het basisjaar, dat op 100 staat.

    Naar de les over Rekenen met procenten en indexcijfers

  16. m1

    De maatschappelijke geldhoeveelheid, dus chartaal geld plus direct opvraagbare tegoeden.

    Naar de les over Geldhoeveelheid en geldschepping

  17. zelfbinding

    Jezelf vrijwillig een keuze ontnemen om je belofte of dreiging geloofwaardig te maken.

    Naar de les over Zelfbinding, reputatie en herhaling

  18. staatsschuld

    Het totaal van alle openstaande schulden van de overheid op een moment.

    Naar de les over Staatsschuld en het stabiliteitspact

  19. is-curve

    De curve met alle combinaties van reële rente en inkomen waarbij de goederenmarkt in evenwicht is.

    Naar de les over De IS-curve

  20. output gap

    Het verschil tussen de werkelijke productie en de potentiële productie.

    Naar de les over Conjunctuur herkennen

  21. consumentensurplus

    Het verschil tussen wat kopers wilden betalen en wat zij werkelijk betaalden.

    Naar de les over Prijsdiscriminatie bij een monopolie

  22. lener in laatste instantie

    De centrale bank, die een gezonde bank in nood geld leent tegen onderpand.

    Naar de les over Banken, bankruns en toezicht

  23. arbeidsaanbod

    De beroepsbevolking, dus iedereen die kan en wil werken.

    Naar de les over De arbeidsmarkt en werkloosheid

  24. risicoavers

    Dat iemand zekerheid verkiest boven een gok met dezelfde verwachte waarde.

    Naar de les over Risico en risicoaversie

  25. totale kosten

    De constante kosten plus de variabele kosten.

    Naar de les over Kosten van een onderneming

  26. belastingspreiding

    Belasting gelijkmatig over de jaren heffen, omdat het welvaartsverlies sneller groeit dan het tarief.

    Naar de les over De overheid ruilt over de tijd

  27. lorenzcurve

    Een curve die laat zien hoe het totale inkomen over de huishoudens is verdeeld.

    Naar de les over Ongelijkheid en herverdeling

  28. wisselkoers

    De prijs van een munt uitgedrukt in een andere munt.

    Naar de les over Wisselkoersen en het trilemma

  29. depositogarantiestelsel

    Een regeling die tegoeden tot een bepaald bedrag garandeert, zodat een bankrun minder snel ontstaat.

    Naar de les over Banken, bankruns en toezicht

  30. enkelvoudig mandaat

    Een opdracht aan een centrale bank met één doel, namelijk prijsstabiliteit.

    Naar de les over Het rentebeleid van de centrale bank

  31. dominante strategie

    Een keuze die altijd de beste is, wat de tegenspeler ook doet.

    Naar de les over Nash-evenwicht en het gevangenendilemma

  32. automatische stabilisatoren

    Uitgaven en ontvangsten die vanzelf meebewegen met de conjunctuur en de golf dempen.

    Naar de les over Begrotingsbeleid

  33. theorie van optimale valutagebieden

    De theorie die zegt wanneer een muntunie werkt, namelijk als aanpassing via lonen of migratie mogelijk is.

    Naar de les over De muntunie

  34. marktmacht

    De ruimte die een aanbieder heeft om zijn eigen prijs te bepalen.

    Naar de les over Marktmacht en verloren surplus

  35. subsidie

    Een bijdrage van de overheid die de kostprijs of de prijs verlaagt.

    Naar de les over Heffingen, subsidies en prijsregulering

  36. productiefactoren

    Arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap.

    Naar de les over Structurele groei

  37. prijselasticiteit

    De procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid gedeeld door de procentuele prijsverandering.

    Naar de les over Prijselasticiteit en de omzet

  38. reële rente

    De rente gecorrigeerd voor de inflatie.

    Naar de les over De IS-curve

  39. maximumprijs

    Een door de overheid vastgestelde hoogste prijs, die onder het evenwicht ligt.

    Naar de les over Heffingen, subsidies en prijsregulering

  40. refi-rente

    Het belangrijkste rentetarief waarmee de ECB stuurt.

    Naar de les over Het rentebeleid van de centrale bank

  41. marginale kosten

    De kosten van één extra geproduceerde eenheid.

    Naar de les over Kosten van een onderneming

  42. break-even

    De situatie waarin de totale opbrengsten precies de totale kosten dekken.

    Naar de les over Break-even en maximale winst

  43. principaal-agentrelatie

    Een relatie waarin de een opdracht geeft en de ander uitvoert, met asymmetrische informatie en tegengestelde belangen.

    Naar de les over Principaal en agent

  44. intergenerationele ruil

    Dat de ene generatie betaalt voor de andere, zoals bij het omslagstelsel.

    Naar de les over Pensioenen en intergenerationele ruil

  45. multiplier

    Het getal dat aangeeft hoeveel het inkomen stijgt bij een euro extra autonome bestedingen.

    Naar de les over Het Keynesiaanse kruis en de multiplier

  46. ginicoëfficiënt

    Een getal tussen nul en één dat de ongelijkheid van een inkomensverdeling samenvat.

    Naar de les over Ongelijkheid en herverdeling

  47. heffing

    Een belasting die de kostprijs van een product verhoogt.

    Naar de les over Heffingen, subsidies en prijsregulering

  48. ecb

    De Europese Centrale Bank, die het monetair beleid voor de eurozone voert.

    Naar de les over Het rentebeleid van de centrale bank

  49. solidariteit

    Dat velen samen de schade van enkelen dragen.

    Naar de les over Verzekeren en solidariteit

  50. totale opbrengst

    De prijs maal de afzet.

    Naar de les over Opbrengsten en de marginale opbrengst

  51. begrotingssaldo

    Het verschil tussen ontvangsten en uitgaven van de overheid over een jaar.

    Naar de les over Staatsschuld en het stabiliteitspact

  52. spaarlek

    Het deel van extra inkomen dat wordt gespaard en dus niet wordt besteed.

    Naar de les over Het Keynesiaanse kruis en de multiplier

  53. keynesiaanse kruis

    Het model waarin het inkomen zich aanpast tot de bestedingen gelijk zijn aan de productie.

    Naar de les over Het Keynesiaanse kruis en de multiplier

  54. primaire inkomen

    Het inkomen dat je op de markt verdient, voor herverdeling.

    Naar de les over Ongelijkheid en herverdeling

  55. averechtse selectie

    Dat juist de slechte risicos zich verzekeren, omdat zij meer weten dan de verzekeraar.

    Naar de les over Asymmetrische informatie

  56. anticyclisch begrotingsbeleid

    Beleid dat tegen de conjunctuur ingaat, dus stimuleren in een dip en afremmen bij hoogconjunctuur.

    Naar de les over Begrotingsbeleid

  57. bankrun

    Dat veel spaarders tegelijk hun geld opnemen, waardoor een bank niet meer kan uitbetalen.

    Naar de les over Banken, bankruns en toezicht

  58. voorraadgrootheid

    Een grootheid die je op een moment meet, zoals vermogen op 1 januari.

    Naar de les over Nominaal en reëel, voorraad en stroom

  59. ga-curve

    De curve die het geaggregeerde aanbod geeft bij elk inflatieniveau.

    Naar de les over De MB-curve en de GA-curve

  60. kapitaaldekkingsstelsel

    Een pensioenstelsel waarin iedereen zijn eigen pot opbouwt.

    Naar de les over Pensioenen en intergenerationele ruil

  61. betalingsbereidheid

    De hoogste prijs die een vrager voor een eenheid wil betalen.

    Naar de les over Betalingsbereidheid en de vraaglijn

  62. rente

    De vergoeding voor het uitlenen van geld of voor het uitstellen van consumptie.

    Naar de les over Rente, risico en de financiële sector

  63. arbeidsvraag

    De werkgelegenheid plus de openstaande vacatures.

    Naar de les over De arbeidsmarkt en werkloosheid

  64. moral hazard

    Dat iemand zich minder voorzichtig gedraagt omdat hij verzekerd is.

    Naar de les over Asymmetrische informatie

  65. marktevenwicht

    De situatie waarin de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid gelijk zijn.

    Naar de les over Het marktmechanisme en evenwicht

  66. asymmetrische informatie

    Een situatie waarin de ene partij meer weet dan de andere.

    Naar de les over Asymmetrische informatie

  67. trilemma

    Dat een land maar twee kan hebben van vrij kapitaalverkeer, eigen rentebeleid en een vaste wisselkoers.

    Naar de les over Wisselkoersen en het trilemma

  68. procentuele verandering

    De verandering gedeeld door de oude waarde, maal honderd.

    Naar de les over Rekenen met procenten en indexcijfers

  69. mb-curve

    De curve die de monetaire beleidsregel van de centrale bank weergeeft.

    Naar de les over De MB-curve en de GA-curve

  70. verwachte schadebedrag

    De kans op schade maal de hoogte van die schade.

    Naar de les over Risico en risicoaversie

  71. prijsdiscriminatie

    Verschillende prijzen vragen voor hetzelfde product aan verschillende groepen.

    Naar de les over Prijsdiscriminatie bij een monopolie

  72. tijdsvoorkeur

    De mate waarin iemand liever nu dan later consumeert.

    Naar de les over Intertemporele ruil

  73. conjunctuur

    De golfbeweging van de economie rond de langetermijntrend.

    Naar de les over Conjunctuur herkennen

  74. nash-evenwicht

    Een uitkomst waarin geen speler in zijn eentje reden heeft om af te wijken.

    Naar de les over Nash-evenwicht en het gevangenendilemma

  75. individuele aanbodlijn

    De lijn die aangeeft hoeveel één aanbieder wil leveren bij elke prijs.

    Naar de les over De aanbodlijn en wat hem verschuift

  76. depreciatie

    Een daling van de waarde van een munt ten opzichte van een andere munt.

    Naar de les over Wisselkoersen en het trilemma

  77. intertemporele ruil

    Het verschuiven van koopkracht tussen twee momenten in de tijd.

    Naar de les over Intertemporele ruil

  78. inflatie

    Een stijging van het algemene prijspeil.

    Naar de les over Rente, risico en de financiële sector

  79. welvaartsvast

    Dat een uitkering meestijgt met de lonen.

    Naar de les over Pensioenen en intergenerationele ruil

  80. waardevast

    Dat een uitkering meestijgt met de prijzen.

    Naar de les over Pensioenen en intergenerationele ruil

  81. producentensurplus

    Het verschil tussen de marktprijs en de laagste prijs waarvoor aanbieders willen leveren.

    Naar de les over Consumenten- en producentensurplus

  82. economische doelmatigheid

    De mate waarin het totale surplus uit een markt wordt gehaald.

    Naar de les over Doelmatigheid en Pareto-efficiëntie

  83. sequentieel spel

    Een spel waarin de spelers na elkaar kiezen.

    Naar de les over Speltheorie met matrix en spelboom

  84. verloren surplus

    Welvaart die door marktmacht of een ingreep verdwijnt en bij niemand terechtkomt.

    Naar de les over Marktmacht en verloren surplus

  85. structurele groei

    Groei van de productiecapaciteit op lange termijn.

    Naar de les over Structurele groei

  86. kruislingse elasticiteit

    De reactie van de vraag naar het ene goed op de prijs van een ander goed.

    Naar de les over Inkomenselasticiteit en kruislingse elasticiteit

  87. inkomenselasticiteit

    De procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid gedeeld door de procentuele inkomensverandering.

    Naar de les over Inkomenselasticiteit en kruislingse elasticiteit

  88. totale surplus

    De som van het consumentensurplus en het producentensurplus.

    Naar de les over Consumenten- en producentensurplus

  89. pay-off matrix

    Een tabel met de opbrengsten van beide spelers in een simultaan spel.

    Naar de les over Speltheorie met matrix en spelboom

  90. collectieve aanbodlijn

    De lijn die aangeeft hoeveel alle aanbieders samen willen leveren bij elke prijs.

    Naar de les over De aanbodlijn en wat hem verschuift

  91. bestedingen

    Alle uitgaven in een economie, dus consumptie, investeringen, overheidsbestedingen en export min import.

    Naar de les over De macro-economische kringloop

  92. effectieve ondergrens

    De grens waaronder de centrale bank de nominale rente niet verder kan verlagen, omdat mensen dan contant geld aanhouden.

    Naar de les over Het rentebeleid van de centrale bank

  93. arbeidsproductiviteit

    De productie per werknemer of per gewerkt uur.

    Naar de les over Structurele groei

  94. gemiddelde totale kosten

    De totale kosten gedeeld door het aantal eenheden.

    Naar de les over Kosten van een onderneming

  95. spelboom

    Een boomdiagram waarin de keuzes in een sequentieel spel na elkaar staan.

    Naar de les over Speltheorie met matrix en spelboom

  96. verzonken kosten

    Kosten die al gemaakt zijn en niet meer terug te draaien.

    Naar de les over Suboptimale situaties

  97. pareto-efficiënt

    Een uitkomst waarbij niemand erop vooruit kan gaan zonder dat een ander erop achteruit gaat.

    Naar de les over Doelmatigheid en Pareto-efficiëntie

  98. omslagstelsel

    Een pensioenstelsel waarin de werkenden van nu de uitkeringen van nu betalen.

    Naar de les over Pensioenen en intergenerationele ruil

  99. overheidstekort

    Een jaar waarin de overheid meer uitgeeft dan zij ontvangt.

    Naar de les over De overheid ruilt over de tijd

  100. gemiddelde opbrengst

    De omzet gedeeld door de afzet, dus de prijs per eenheid.

    Naar de les over Opbrengsten en de marginale opbrengst

  101. obligatie

    Een lening aan een bedrijf of een overheid, met een afgesproken rente.

    Naar de les over Beleggen, risico en rendement

  102. marginale consumptiequote

    Het deel van een extra euro inkomen dat wordt geconsumeerd.

    Naar de les over Het Keynesiaanse kruis en de multiplier

  103. belastinglek

    Het deel van extra inkomen dat naar de belasting gaat en dus niet wordt besteed.

    Naar de les over Het Keynesiaanse kruis en de multiplier

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 103 begrippen.

10 onderwerpen
13 onderwerpen
5 onderwerpen
6 onderwerpen
4 onderwerpen
2 onderwerpen
4 onderwerpen
Begin opnieuw