Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
40 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
producentensurplus
Het verschil tussen de marktprijs en de laagste prijs waarvoor aanbieders willen leveren.
-
moral hazard
Dat iemand zich minder voorzichtig gedraagt omdat hij verzekerd is.
-
ga-curve
De curve die het geaggregeerde aanbod geeft bij elk inflatieniveau.
-
verzonken kosten
Kosten die al gemaakt zijn en niet meer terug te draaien.
-
zelfbinding
Jezelf vrijwillig een keuze ontnemen om je belofte of dreiging geloofwaardig te maken.
-
betalingsbereidheid
De hoogste prijs die een vrager voor een eenheid wil betalen.
-
collectieve aanbodlijn
De lijn die aangeeft hoeveel alle aanbieders samen willen leveren bij elke prijs.
-
intertemporele ruil
Het verschuiven van koopkracht tussen twee momenten in de tijd.
-
pay-off matrix
Een tabel met de opbrengsten van beide spelers in een simultaan spel.
-
simultaan spel
Een spel waarin de spelers tegelijk kiezen.
-
arbeidsaanbod
De beroepsbevolking, dus iedereen die kan en wil werken.
-
ecb
De Europese Centrale Bank, die het monetair beleid voor de eurozone voert.
-
wisselkoers
De prijs van een munt uitgedrukt in een andere munt.
-
depositogarantiestelsel
Een regeling die tegoeden tot een bepaald bedrag garandeert, zodat een bankrun minder snel ontstaat.
-
gemiddelde totale kosten
De totale kosten gedeeld door het aantal eenheden.
-
principaal-agentrelatie
Een relatie waarin de een opdracht geeft en de ander uitvoert, met asymmetrische informatie en tegengestelde belangen.
-
consumentensurplus
Het verschil tussen wat kopers wilden betalen en wat zij werkelijk betaalden.
-
solidariteit
Dat velen samen de schade van enkelen dragen.
-
marktevenwicht
De situatie waarin de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid gelijk zijn.
-
depreciatie
Een daling van de waarde van een munt ten opzichte van een andere munt.
-
indexcijfer
Een getal dat een waarde afzet tegen het basisjaar, dat op 100 staat.
-
dominante strategie
Een keuze die altijd de beste is, wat de tegenspeler ook doet.
-
uitgestelde belastingheffing
Dat een tekort van nu later alsnog uit belastingen moet worden betaald.
-
spelboom
Een boomdiagram waarin de keuzes in een sequentieel spel na elkaar staan.
-
aandeel
Een stukje eigendom van een bedrijf, met recht op dividend en koerswinst maar ook op verlies.
-
stroomgrootheid
Een grootheid die je over een periode meet, zoals inkomen per jaar.
-
rente
De vergoeding voor het uitlenen van geld of voor het uitstellen van consumptie.
-
output gap
Het verschil tussen de werkelijke productie en de potentiële productie.
-
break-even
De situatie waarin de totale opbrengsten precies de totale kosten dekken.
-
marginale kosten
De kosten van één extra geproduceerde eenheid.
-
marktmacht
De ruimte die een aanbieder heeft om zijn eigen prijs te bepalen.
-
marginale opbrengst
De verandering van de omzet door één extra verkochte eenheid.
-
primaire inkomen
Het inkomen dat je op de markt verdient, voor herverdeling.
-
waardevast
Dat een uitkering meestijgt met de prijzen.
-
pareto-efficiënt
Een uitkomst waarbij niemand erop vooruit kan gaan zonder dat een ander erop achteruit gaat.
-
tijdsvoorkeur
De mate waarin iemand liever nu dan later consumeert.
-
trilemma
Dat een land maar twee kan hebben van vrij kapitaalverkeer, eigen rentebeleid en een vaste wisselkoers.
-
heffing
Een belasting die de kostprijs van een product verhoogt.