Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

40 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. producentensurplus

    Het verschil tussen de marktprijs en de laagste prijs waarvoor aanbieders willen leveren.

    Naar de les over Consumenten- en producentensurplus

  2. moral hazard

    Dat iemand zich minder voorzichtig gedraagt omdat hij verzekerd is.

    Naar de les over Asymmetrische informatie

  3. ga-curve

    De curve die het geaggregeerde aanbod geeft bij elk inflatieniveau.

    Naar de les over De MB-curve en de GA-curve

  4. muntunie

    Een groep landen met één gezamenlijke munt.

    Naar de les over De muntunie

  5. verzonken kosten

    Kosten die al gemaakt zijn en niet meer terug te draaien.

    Naar de les over Suboptimale situaties

  6. zelfbinding

    Jezelf vrijwillig een keuze ontnemen om je belofte of dreiging geloofwaardig te maken.

    Naar de les over Zelfbinding, reputatie en herhaling

  7. betalingsbereidheid

    De hoogste prijs die een vrager voor een eenheid wil betalen.

    Naar de les over Betalingsbereidheid en de vraaglijn

  8. collectieve aanbodlijn

    De lijn die aangeeft hoeveel alle aanbieders samen willen leveren bij elke prijs.

    Naar de les over De aanbodlijn en wat hem verschuift

  9. intertemporele ruil

    Het verschuiven van koopkracht tussen twee momenten in de tijd.

    Naar de les over Intertemporele ruil

  10. pay-off matrix

    Een tabel met de opbrengsten van beide spelers in een simultaan spel.

    Naar de les over Speltheorie met matrix en spelboom

  11. simultaan spel

    Een spel waarin de spelers tegelijk kiezen.

    Naar de les over Speltheorie met matrix en spelboom

  12. arbeidsaanbod

    De beroepsbevolking, dus iedereen die kan en wil werken.

    Naar de les over De arbeidsmarkt en werkloosheid

  13. ecb

    De Europese Centrale Bank, die het monetair beleid voor de eurozone voert.

    Naar de les over Het rentebeleid van de centrale bank

  14. wisselkoers

    De prijs van een munt uitgedrukt in een andere munt.

    Naar de les over Wisselkoersen en het trilemma

  15. depositogarantiestelsel

    Een regeling die tegoeden tot een bepaald bedrag garandeert, zodat een bankrun minder snel ontstaat.

    Naar de les over Banken, bankruns en toezicht

  16. gemiddelde totale kosten

    De totale kosten gedeeld door het aantal eenheden.

    Naar de les over Kosten van een onderneming

  17. principaal-agentrelatie

    Een relatie waarin de een opdracht geeft en de ander uitvoert, met asymmetrische informatie en tegengestelde belangen.

    Naar de les over Principaal en agent

  18. consumentensurplus

    Het verschil tussen wat kopers wilden betalen en wat zij werkelijk betaalden.

    Naar de les over Prijsdiscriminatie bij een monopolie

  19. solidariteit

    Dat velen samen de schade van enkelen dragen.

    Naar de les over Verzekeren en solidariteit

  20. productiefactoren

    Arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap.

    Naar de les over Structurele groei

  21. marktevenwicht

    De situatie waarin de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid gelijk zijn.

    Naar de les over Het marktmechanisme en evenwicht

  22. depreciatie

    Een daling van de waarde van een munt ten opzichte van een andere munt.

    Naar de les over Wisselkoersen en het trilemma

  23. indexcijfer

    Een getal dat een waarde afzet tegen het basisjaar, dat op 100 staat.

    Naar de les over Rekenen met procenten en indexcijfers

  24. dominante strategie

    Een keuze die altijd de beste is, wat de tegenspeler ook doet.

    Naar de les over Nash-evenwicht en het gevangenendilemma

  25. uitgestelde belastingheffing

    Dat een tekort van nu later alsnog uit belastingen moet worden betaald.

    Naar de les over De overheid ruilt over de tijd

  26. spelboom

    Een boomdiagram waarin de keuzes in een sequentieel spel na elkaar staan.

    Naar de les over Speltheorie met matrix en spelboom

  27. aandeel

    Een stukje eigendom van een bedrijf, met recht op dividend en koerswinst maar ook op verlies.

    Naar de les over Beleggen, risico en rendement

  28. stroomgrootheid

    Een grootheid die je over een periode meet, zoals inkomen per jaar.

    Naar de les over Nominaal en reëel, voorraad en stroom

  29. rente

    De vergoeding voor het uitlenen van geld of voor het uitstellen van consumptie.

    Naar de les over Rente, risico en de financiële sector

  30. output gap

    Het verschil tussen de werkelijke productie en de potentiële productie.

    Naar de les over Conjunctuur herkennen

  31. break-even

    De situatie waarin de totale opbrengsten precies de totale kosten dekken.

    Naar de les over Break-even en maximale winst

  32. marginale kosten

    De kosten van één extra geproduceerde eenheid.

    Naar de les over Kosten van een onderneming

  33. marktmacht

    De ruimte die een aanbieder heeft om zijn eigen prijs te bepalen.

    Naar de les over Marktmacht en verloren surplus

  34. marginale opbrengst

    De verandering van de omzet door één extra verkochte eenheid.

    Naar de les over Opbrengsten en de marginale opbrengst

  35. primaire inkomen

    Het inkomen dat je op de markt verdient, voor herverdeling.

    Naar de les over Ongelijkheid en herverdeling

  36. waardevast

    Dat een uitkering meestijgt met de prijzen.

    Naar de les over Pensioenen en intergenerationele ruil

  37. pareto-efficiënt

    Een uitkomst waarbij niemand erop vooruit kan gaan zonder dat een ander erop achteruit gaat.

    Naar de les over Doelmatigheid en Pareto-efficiëntie

  38. tijdsvoorkeur

    De mate waarin iemand liever nu dan later consumeert.

    Naar de les over Intertemporele ruil

  39. trilemma

    Dat een land maar twee kan hebben van vrij kapitaalverkeer, eigen rentebeleid en een vaste wisselkoers.

    Naar de les over Wisselkoersen en het trilemma

  40. heffing

    Een belasting die de kostprijs van een product verhoogt.

    Naar de les over Heffingen, subsidies en prijsregulering

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 103 begrippen.

10 onderwerpen
13 onderwerpen
5 onderwerpen
6 onderwerpen
4 onderwerpen
2 onderwerpen
4 onderwerpen
Begin opnieuw