Begrippenlijst
vwo103 begrippen die je bij Economie op vwo moet kennen, elk met een paar zinnen uitleg. Staat er een les bij, dan wordt het begrip daar gebruikt en geoefend.
A 9
- aandeel G5
- Een stukje eigendom van een bedrijf, met recht op dividend en koerswinst maar ook op verlies. Naar de les
- actor A3
- Een partij met een eigen belang, zoals een consument, een producent, een werknemer of de overheid. Naar de les
- anticyclisch begrotingsbeleid I2
- Beleid dat tegen de conjunctuur ingaat, dus stimuleren in een dip en afremmen bij hoogconjunctuur. Naar de les
- arbeidsaanbod H5
- De beroepsbevolking, dus iedereen die kan en wil werken. Naar de les
- arbeidsproductiviteit H2
- De productie per werknemer of per gewerkt uur. Naar de les
- arbeidsvraag H5
- De werkgelegenheid plus de openstaande vacatures. Naar de les
- asymmetrische informatie G2
- Een situatie waarin de ene partij meer weet dan de andere. Naar de les
- automatische stabilisatoren I2
- Uitgaven en ontvangsten die vanzelf meebewegen met de conjunctuur en de golf dempen. Naar de les
- averechtse selectie G2
- Dat juist de slechte risicos zich verzekeren, omdat zij meer weten dan de verzekeraar. Naar de les
B 9
- bankrun I3
- Dat veel spaarders tegelijk hun geld opnemen, waardoor een bank niet meer kan uitbetalen. Naar de les
- bbp H1
- Het bruto binnenlands product, de waarde van alles wat er in een land in een jaar wordt geproduceerd. Naar de les
- begrotingssaldo E2
- Het verschil tussen ontvangsten en uitgaven van de overheid over een jaar. Naar de les
- belastinglek I4
- Het deel van extra inkomen dat naar de belasting gaat en dus niet wordt besteed. Naar de les
- belastingspreiding E1
- Belasting gelijkmatig over de jaren heffen, omdat het welvaartsverlies sneller groeit dan het tarief. Naar de les
- berovingsprobleem F2
- Dat een partij na een specifieke investering onder druk kan worden gezet, omdat weglopen hem meer kost. Naar de les
- bestedingen H1
- Alle uitgaven in een economie, dus consumptie, investeringen, overheidsbestedingen en export min import. Naar de les
- betalingsbereidheid D1
- De hoogste prijs die een vrager voor een eenheid wil betalen. Naar de les
- break-even D1
- De situatie waarin de totale opbrengsten precies de totale kosten dekken. Naar de les
C 4
- collectieve aanbodlijn D1
- De lijn die aangeeft hoeveel alle aanbieders samen willen leveren bij elke prijs. Naar de les
- collectieve vraaglijn D1
- De lijn die aangeeft hoeveel alle vragers samen willen kopen bij elke prijs. Naar de les
- conjunctuur I1
- De golfbeweging van de economie rond de langetermijntrend. Naar de les
- consumentensurplus D2
- Het verschil tussen wat kopers wilden betalen en wat zij werkelijk betaalden. Naar de les
D 3
- depositogarantiestelsel I3
- Een regeling die tegoeden tot een bepaald bedrag garandeert, zodat een bankrun minder snel ontstaat. Naar de les
- depreciatie I3
- Een daling van de waarde van een munt ten opzichte van een andere munt. Naar de les
- dominante strategie F1
- Een keuze die altijd de beste is, wat de tegenspeler ook doet. Naar de les
E 5
- ecb I3
- De Europese Centrale Bank, die het monetair beleid voor de eurozone voert. Naar de les
- economische doelmatigheid D3
- De mate waarin het totale surplus uit een markt wordt gehaald. Naar de les
- effectieve ondergrens I3
- De grens waaronder de centrale bank de nominale rente niet verder kan verlagen, omdat mensen dan contant geld aanhouden. Naar de les
- elastisch D1
- Dat de gevraagde hoeveelheid harder reageert dan de prijs verandert. Naar de les
- enkelvoudig mandaat I3
- Een opdracht aan een centrale bank met één doel, namelijk prijsstabiliteit. Naar de les
G 5
- ga-curve I4
- De curve die het geaggregeerde aanbod geeft bij elk inflatieniveau. Naar de les
- gemiddelde opbrengst D1
- De omzet gedeeld door de afzet, dus de prijs per eenheid. Naar de les
- gemiddelde totale kosten D1
- De totale kosten gedeeld door het aantal eenheden. Naar de les
- gevangenendilemma F1
- Een spel waarin beide spelers hun dominante strategie kiezen en daardoor samen slechter uitkomen. Naar de les
- ginicoëfficiënt H4
- Een getal tussen nul en één dat de ongelijkheid van een inkomensverdeling samenvat. Naar de les
H 1
- heffing D3
- Een belasting die de kostprijs van een product verhoogt. Naar de les
I 7
- indexcijfer A2
- Een getal dat een waarde afzet tegen het basisjaar, dat op 100 staat. Naar de les
- individuele aanbodlijn D1
- De lijn die aangeeft hoeveel één aanbieder wil leveren bij elke prijs. Naar de les
- inflatie E1
- Een stijging van het algemene prijspeil. Naar de les
- inkomenselasticiteit D1
- De procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid gedeeld door de procentuele inkomensverandering. Naar de les
- intergenerationele ruil E2
- Dat de ene generatie betaalt voor de andere, zoals bij het omslagstelsel. Naar de les
- intertemporele ruil E1
- Het verschuiven van koopkracht tussen twee momenten in de tijd. Naar de les
- is-curve I4
- De curve met alle combinaties van reële rente en inkomen waarbij de goederenmarkt in evenwicht is. Naar de les
K 3
- kapitaaldekkingsstelsel E2
- Een pensioenstelsel waarin iedereen zijn eigen pot opbouwt. Naar de les
- keynesiaanse kruis I4
- Het model waarin het inkomen zich aanpast tot de bestedingen gelijk zijn aan de productie. Naar de les
- kruislingse elasticiteit D1
- De reactie van de vraag naar het ene goed op de prijs van een ander goed. Naar de les
L 2
- lener in laatste instantie I3
- De centrale bank, die een gezonde bank in nood geld leent tegen onderpand. Naar de les
- lorenzcurve H4
- Een curve die laat zien hoe het totale inkomen over de huishoudens is verdeeld. Naar de les
M 11
- m1 I3
- De maatschappelijke geldhoeveelheid, dus chartaal geld plus direct opvraagbare tegoeden. Naar de les
- marginale consumptiequote I4
- Het deel van een extra euro inkomen dat wordt geconsumeerd. Naar de les
- marginale kosten D1
- De kosten van één extra geproduceerde eenheid. Naar de les
- marginale opbrengst D1
- De verandering van de omzet door één extra verkochte eenheid. Naar de les
- marktevenwicht D1
- De situatie waarin de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid gelijk zijn. Naar de les
- marktmacht D3
- De ruimte die een aanbieder heeft om zijn eigen prijs te bepalen. Naar de les
- maximumprijs D3
- Een door de overheid vastgestelde hoogste prijs, die onder het evenwicht ligt. Naar de les
- mb-curve I4
- De curve die de monetaire beleidsregel van de centrale bank weergeeft. Naar de les
- moral hazard G2
- Dat iemand zich minder voorzichtig gedraagt omdat hij verzekerd is. Naar de les
- multiplier I4
- Het getal dat aangeeft hoeveel het inkomen stijgt bij een euro extra autonome bestedingen. Naar de les
- muntunie I3
- Een groep landen met één gezamenlijke munt. Naar de les
N 1
- nash-evenwicht F1
- Een uitkomst waarin geen speler in zijn eentje reden heeft om af te wijken. Naar de les
O 4
- obligatie G5
- Een lening aan een bedrijf of een overheid, met een afgesproken rente. Naar de les
- omslagstelsel E2
- Een pensioenstelsel waarin de werkenden van nu de uitkeringen van nu betalen. Naar de les
- output gap I1
- Het verschil tussen de werkelijke productie en de potentiële productie. Naar de les
- overheidstekort E1
- Een jaar waarin de overheid meer uitgeeft dan zij ontvangt. Naar de les
P 10
- pareto-efficiënt D3
- Een uitkomst waarbij niemand erop vooruit kan gaan zonder dat een ander erop achteruit gaat. Naar de les
- pay-off matrix F1
- Een tabel met de opbrengsten van beide spelers in een simultaan spel. Naar de les
- prijsdiscriminatie D2
- Verschillende prijzen vragen voor hetzelfde product aan verschillende groepen. Naar de les
- prijselasticiteit D1
- De procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid gedeeld door de procentuele prijsverandering. Naar de les
- primaire inkomen H4
- Het inkomen dat je op de markt verdient, voor herverdeling. Naar de les
- principaal-agentrelatie G3
- Een relatie waarin de een opdracht geeft en de ander uitvoert, met asymmetrische informatie en tegengestelde belangen. Naar de les
- procentpunt A2
- Het verschil tussen twee percentages. Naar de les
- procentuele verandering A2
- De verandering gedeeld door de oude waarde, maal honderd. Naar de les
- producentensurplus D3
- Het verschil tussen de marktprijs en de laagste prijs waarvoor aanbieders willen leveren. Naar de les
- productiefactoren H2
- Arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap. Naar de les
R 4
- reële rente I4
- De rente gecorrigeerd voor de inflatie. Naar de les
- refi-rente I3
- Het belangrijkste rentetarief waarmee de ECB stuurt. Naar de les
- rente E1
- De vergoeding voor het uitlenen van geld of voor het uitstellen van consumptie. Naar de les
- risicoavers G1
- Dat iemand zekerheid verkiest boven een gok met dezelfde verwachte waarde. Naar de les
S 10
- secundaire inkomen H4
- Het inkomen na belastingen, premies, uitkeringen en toeslagen. Naar de les
- sequentieel spel F1
- Een spel waarin de spelers na elkaar kiezen. Naar de les
- simultaan spel F1
- Een spel waarin de spelers tegelijk kiezen. Naar de les
- solidariteit G4
- Dat velen samen de schade van enkelen dragen. Naar de les
- spaarlek I4
- Het deel van extra inkomen dat wordt gespaard en dus niet wordt besteed. Naar de les
- spelboom F1
- Een boomdiagram waarin de keuzes in een sequentieel spel na elkaar staan. Naar de les
- staatsschuld E2
- Het totaal van alle openstaande schulden van de overheid op een moment. Naar de les
- stroomgrootheid E1
- Een grootheid die je over een periode meet, zoals inkomen per jaar. Naar de les
- structurele groei H2
- Groei van de productiecapaciteit op lange termijn. Naar de les
- subsidie D3
- Een bijdrage van de overheid die de kostprijs of de prijs verlaagt. Naar de les
T 6
- theorie van optimale valutagebieden I3
- De theorie die zegt wanneer een muntunie werkt, namelijk als aanpassing via lonen of migratie mogelijk is. Naar de les
- tijdsvoorkeur E1
- De mate waarin iemand liever nu dan later consumeert. Naar de les
- totale kosten D1
- De constante kosten plus de variabele kosten. Naar de les
- totale opbrengst D1
- De prijs maal de afzet. Naar de les
- totale surplus D3
- De som van het consumentensurplus en het producentensurplus. Naar de les
- trilemma I3
- Dat een land maar twee kan hebben van vrij kapitaalverkeer, eigen rentebeleid en een vaste wisselkoers. Naar de les
U 1
- uitgestelde belastingheffing E1
- Dat een tekort van nu later alsnog uit belastingen moet worden betaald. Naar de les
V 4
- verloren surplus D3
- Welvaart die door marktmacht of een ingreep verdwijnt en bij niemand terechtkomt. Naar de les
- verwachte schadebedrag G1
- De kans op schade maal de hoogte van die schade. Naar de les
- verzonken kosten F2
- Kosten die al gemaakt zijn en niet meer terug te draaien. Naar de les
- voorraadgrootheid E1
- Een grootheid die je op een moment meet, zoals vermogen op 1 januari. Naar de les
W 3
- waardevast E2
- Dat een uitkering meestijgt met de prijzen. Naar de les
- welvaartsvast E2
- Dat een uitkering meestijgt met de lonen. Naar de les
- wisselkoers I3
- De prijs van een munt uitgedrukt in een andere munt. Naar de les
Z 1
- zelfbinding F1
- Jezelf vrijwillig een keuze ontnemen om je belofte of dreiging geloofwaardig te maken. Naar de les
Geen begrip gevonden. Probeer een ander woord.