Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
20 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
collectieve aanbodlijn
De lijn die aangeeft hoeveel alle aanbieders samen willen leveren bij elke prijs.
-
wisselkoers
De prijs van een munt uitgedrukt in een andere munt.
-
producentensurplus
Het verschil tussen de marktprijs en de laagste prijs waarvoor aanbieders willen leveren.
-
primaire inkomen
Het inkomen dat je op de markt verdient, voor herverdeling.
-
berovingsprobleem
Dat een partij na een specifieke investering onder druk kan worden gezet, omdat weglopen hem meer kost.
-
uitgestelde belastingheffing
Dat een tekort van nu later alsnog uit belastingen moet worden betaald.
-
principaal-agentrelatie
Een relatie waarin de een opdracht geeft en de ander uitvoert, met asymmetrische informatie en tegengestelde belangen.
-
heffing
Een belasting die de kostprijs van een product verhoogt.
-
ga-curve
De curve die het geaggregeerde aanbod geeft bij elk inflatieniveau.
-
maximumprijs
Een door de overheid vastgestelde hoogste prijs, die onder het evenwicht ligt.
-
pareto-efficiënt
Een uitkomst waarbij niemand erop vooruit kan gaan zonder dat een ander erop achteruit gaat.
-
waardevast
Dat een uitkering meestijgt met de prijzen.
-
structurele groei
Groei van de productiecapaciteit op lange termijn.
-
marginale kosten
De kosten van één extra geproduceerde eenheid.
-
lener in laatste instantie
De centrale bank, die een gezonde bank in nood geld leent tegen onderpand.
-
lorenzcurve
Een curve die laat zien hoe het totale inkomen over de huishoudens is verdeeld.
-
obligatie
Een lening aan een bedrijf of een overheid, met een afgesproken rente.
-
indexcijfer
Een getal dat een waarde afzet tegen het basisjaar, dat op 100 staat.
-
multiplier
Het getal dat aangeeft hoeveel het inkomen stijgt bij een euro extra autonome bestedingen.