Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

20 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. collectieve aanbodlijn

    De lijn die aangeeft hoeveel alle aanbieders samen willen leveren bij elke prijs.

    Naar de les over De aanbodlijn en wat hem verschuift

  2. wisselkoers

    De prijs van een munt uitgedrukt in een andere munt.

    Naar de les over Wisselkoersen en het trilemma

  3. producentensurplus

    Het verschil tussen de marktprijs en de laagste prijs waarvoor aanbieders willen leveren.

    Naar de les over Consumenten- en producentensurplus

  4. primaire inkomen

    Het inkomen dat je op de markt verdient, voor herverdeling.

    Naar de les over Ongelijkheid en herverdeling

  5. berovingsprobleem

    Dat een partij na een specifieke investering onder druk kan worden gezet, omdat weglopen hem meer kost.

    Naar de les over Suboptimale situaties

  6. uitgestelde belastingheffing

    Dat een tekort van nu later alsnog uit belastingen moet worden betaald.

    Naar de les over De overheid ruilt over de tijd

  7. principaal-agentrelatie

    Een relatie waarin de een opdracht geeft en de ander uitvoert, met asymmetrische informatie en tegengestelde belangen.

    Naar de les over Principaal en agent

  8. heffing

    Een belasting die de kostprijs van een product verhoogt.

    Naar de les over Heffingen, subsidies en prijsregulering

  9. ga-curve

    De curve die het geaggregeerde aanbod geeft bij elk inflatieniveau.

    Naar de les over De MB-curve en de GA-curve

  10. maximumprijs

    Een door de overheid vastgestelde hoogste prijs, die onder het evenwicht ligt.

    Naar de les over Heffingen, subsidies en prijsregulering

  11. pareto-efficiënt

    Een uitkomst waarbij niemand erop vooruit kan gaan zonder dat een ander erop achteruit gaat.

    Naar de les over Doelmatigheid en Pareto-efficiëntie

  12. waardevast

    Dat een uitkering meestijgt met de prijzen.

    Naar de les over Pensioenen en intergenerationele ruil

  13. structurele groei

    Groei van de productiecapaciteit op lange termijn.

    Naar de les over Structurele groei

  14. marginale kosten

    De kosten van één extra geproduceerde eenheid.

    Naar de les over Kosten van een onderneming

  15. lener in laatste instantie

    De centrale bank, die een gezonde bank in nood geld leent tegen onderpand.

    Naar de les over Banken, bankruns en toezicht

  16. lorenzcurve

    Een curve die laat zien hoe het totale inkomen over de huishoudens is verdeeld.

    Naar de les over Ongelijkheid en herverdeling

  17. obligatie

    Een lening aan een bedrijf of een overheid, met een afgesproken rente.

    Naar de les over Beleggen, risico en rendement

  18. indexcijfer

    Een getal dat een waarde afzet tegen het basisjaar, dat op 100 staat.

    Naar de les over Rekenen met procenten en indexcijfers

  19. multiplier

    Het getal dat aangeeft hoeveel het inkomen stijgt bij een euro extra autonome bestedingen.

    Naar de les over Het Keynesiaanse kruis en de multiplier

  20. reële rente

    De rente gecorrigeerd voor de inflatie.

    Naar de les over De IS-curve

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 103 begrippen.

10 onderwerpen
13 onderwerpen
5 onderwerpen
6 onderwerpen
4 onderwerpen
2 onderwerpen
4 onderwerpen
Begin opnieuw