Economie vwo
Het Keynesiaanse kruis en de multiplier Ongeveer 10 minuten. Bestedingen bepalen het inkomen, en het inkomen de bestedingen.
In het Keynesiaanse kruis past het inkomen Y zich aan tot de bestedingen gelijk zijn aan de productie. De multiplier zegt hoeveel het inkomen stijgt bij een euro extra autonome bestedingen.
Waarom één euro meer dan één euro wordt De bestedingen van de een zijn het inkomen van de ander. Wie meer verdient, geeft een deel daarvan weer uit.
Die ronde herhaalt zich, steeds kleiner. Hoe groter de marginale consumptiequote , hoe steiler de bestedingslijn en hoe groter de multiplier.
Wat weglekt uit die kringloop remt het effect. Dat is het spaarlek en het belastinglek , en in een open economie ook het importlek.
Investeringen zijn in dit model autonoom. Optimisme of pessimisme verhoogt of verlaagt de autonome consumptie en investeringen.
Het kruis EV Y 45 graden bestedingen Y evenwicht een steilere lijn geeft een grotere multiplier Waar bestedingen en productie gelijk zijn, ligt het evenwicht.
Zo gebruik je de multiplier 1
Zoek de verandering in autonome bestedingen Een investering, een overheidsuitgave of een belastingverlaging.
2
Bepaal de lekken Sparen, belastingen en eventueel import.
3
Reken de multiplier Eén gedeeld door de som van die lekken.
4
Vermenigvuldig De autonome verandering maal de multiplier is de inkomensverandering.
De fout die bijna iedereen maakt De overheid geeft een miljard extra uit. Groeit het inkomen met een miljard?
ja, euro voor euro te weinig
Volg de rondes Het eerste miljard wordt inkomen voor anderen, die daarvan weer een deel besteden. Die rondes samen maken de totale inkomensstijging groter dan de oorspronkelijke uitgave, en dat is precies de multiplier.
Meer lek is minder multiplier Sparen, belastingen en import halen geld uit de kringloop. Hoe groter die lekken, hoe sneller het effect uitdooft, en dus hoe kleiner de multiplier.
Check jezelf Wat past zich aan in het kruis?
De rente De prijs Het inkomen Y Tot de goederenmarkt in evenwicht is.
Wat maakt de multiplier groter?
Een hogere marginale consumptiequote Meer import Een groter spaarlek Er wordt dan meer doorgegeven.
Wat zijn de investeringen in dit model?
Afhankelijk van Y Autonoom Nul Zo staat het in de syllabus.
Wat doet pessimisme?
Verhoogt de rente Niets Verlaagt de autonome bestedingen De hele bestedingslijn schuift omlaag.
In jouw boek Er zijn nog geen methodes ingesteld voor dit vak.
In het examen De examens staan op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens. Wij nemen er niets uit over, je opent ze daar.
Uit de syllabus:
Conjunctuuranalyse aan de hand van IS-MB-GA-model voor een gesloten economie. De kandidaat kan in contexten herkennen en toepassen: - 4.1 Het Keynesiaanse kruis - De consumptie stijgt als het besteedbaar inkomen toeneemt en als de autonome consumptie toeneemt; - De investeringen zijn autonoom; - Het Keynesiaanse kruis geeft het evenwicht tussen de bestedingen en het inkomen bij gegeven rente en inflatie; - De bestedingen van de een zijn het inkomen van een ander: de totale bestedingen nemen toe/af als het inkomen stijgt/daalt (ceteris paribus); - Mechanisme: inkomen Y past zich aan om evenwicht te geven op de goederenmarkt; - Consumentenvertrouwen en producentenvertrouwen, optimisme/ pessimisme (Òanimal spirits'): hogere/ lagere autonome consumptie of investeringen; o Bij ieder inkomen willen huishoudens of bedrijven meer/minder consumeren of investeren; - Hogere/lagere overheidsuitgaven O of lagere/hogere belastingen B verhogen/verlagen bestedingen waardoor een hoger/lager inkomen wordt bereikt (en vice versa); - Als de goederenmarkt in evenwicht is, dan is de vermogensmarkt automatisch ook in evenwicht; o Uit de kringloop (bij gesloten economie) volgt dat aanbod gelijk is aan de vraag op de vermogensmarkt: S = I + (O Î B); - Een hogere / lagere marginale consumptiequote (= lagere / hogere marginale spaarquote) zorgt ervoor dat een steilere (vlakkere) helling van de bestedingslijn steiler / vlakker wordt, waardoor de effecten van hogere bestedingen op het inkomen (multipliers) groter /kleiner zijn en vice versa; - De grootte van de multiplier hangt af van het spaarlek en het belastinglek. - 4.2 IS-curve - De IS-curve geeft de combinaties van inkomen en reële rente waarbij de goederenmarkt in evenwicht is: productie = bestedingen. Op de horizontale as staat het inkomen en op de verticale as de reële rente. De IS-curve geeft een dalend verband weer tussen de rente en het inkomen; - Mechanisme voor dalend verband: de consumptie en de investeringen stijgen/dalen als de reële rente daalt/stijgt; - Stijging/daling van autonome bestedingen (bijvoorbeeld door lagere autonome consumptie of investeringen of stimulerend/verkrappend begrotingsbeleid) leidt tot een hoger/lager inkomen. De IS-curve schuift naar rechts/links, want bij iedere reële rente zal het inkomen hoger/lager zijn om evenwicht op de goederenmarkt te realiseren. - 4.3 MB-curve - De MB-curve geeft de monetaire beleidsregel van de Centrale Bank. Op de horizontale as staat het inkomen en op de verticale as de reële rente. De MB-curve geeft een horizontaal verband tussen de reële rente r en het inkomen Y; - De centrale bank voert een ruimer/krapper monetair beleid (heeft een hogere/lagere inflatiedoelstelling) als het een lagere/hogere rente zet bij ieder inkomen Y; - Monetaire beleidsregel centrale bank: de reële rente gaat omhoog/omlaag (MB-curve schuift omhoog/omlaag) als inflatie stijgt/daalt; - Mechanisme: de Centrale Bank verhoogt/verlaagt de nominale rente als de inflatie stijgt/daalt. Bij gegeven inflatieverwachtingen betekent dit dat de reële rente stijgt/daalt; - Bij een sterkere afkeer van inflatie zal de Centrale Bank de nominale rente meer aanpassen als de inflatie stijgt/daalt (en zal de MB-curve meer omhoog/omlaag verschuiven). - 4.4 GA-curve - De GA-curve geeft het geaggregeerde aanbod van goederen en diensten bij ieder inflatieniveau. De GA-curve is stijgend in de inflatie. Op de horizontale as staat het inkomen en op de verticale as de inflatie. Punt op de GA-curve waarbij Y = Y* geeft de verwachte inflatie weer; - Hoe groter/kleiner de mate van loon- en prijsflexibiliteit is, hoe steiler/vlakker de helling van de GA-curve; - Mechanisme: GA is stijgend door loon- en prijsrigiditeit. Bij een hogere/lagere dan verwachte inflatie dalen/stijgen de reële lonen en de reële productiekosten omdat nominale lonen en inkoopprijzen op de korte termijn zijn vastgelegd in contracten. Bij lagere/hogere reële productiekosten zullen bedrijven meer/minder produceren; - Mechanisme achter verschuiving curve over de tijd: Aanpassingen van KT naar LT-evenwicht verlopen via de aanpassing van de verwachte inflatie over de tijd. Als de inflatie stijgt /daalt, zal de inflatieverwachting ook toenemen/afnemen, waardoor lonen en inkoopprijzen opnieuw worden onderhandeld op basis van de hogere/lagere inflatieverwachtingen. De GA- curve schuift dan omhoog/omlaag over de tijd. - 4.5 Conjuncturele werkloosheid - Conjuncturele werkloosheid treedt op bij een negatieve output gap en neemt toe als de output gap negatiever wordt. - 4.6 Economische scholen en IS-MB-GA - Keynesianen: begrotingsbeleid is krachtig, monetair beleid is zwak; o IS-curve is steil: bestedingen reageren weinig op de renteveranderingen; o MB verschuift weinig: centrale bank verhoogt rente weinig bij stijgende inflatie. - Monetaristen: begrotingsbeleid is zwak, monetair beleid is sterk; o IS-curve is vlak: bestedingen reageren sterk op de rente; o MB verschuift veel: centrale bank verhoogt rente sterk bij stijgende inflatie. - Keynesianen en monetaristen: er is geen perfecte loon- en prijsflexibiliteit waardoor GA-curve niet verticaal is. Op korte termijn is Y niet gelijk aan potentiële productie Y*. - Neo- en Nieuw klassieken: er is sprake van perfecte loon- en prijsflexibiliteit. GA is verticaal en Y is gelijk aan potentiële productie Y*. Hierdoor is vraagstimulering (budgettair en monetair) niet effectief: geen effect op inkomen, alleen effect op inflatie.
I4, syllabus CE 2026.
Wat betekent dit?
Vakinhoudelijk gecontroleerd door Jasper Mulders op 29-10-2026.