Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
144 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
stroommeter
Een meter die je in serie opneemt om de stroomsterkte te meten. Hij heeft zelf een heel kleine weerstand.
-
staande golf
Een golf die in een snaar of luchtkolom heen en weer loopt en zichzelf versterkt. Alleen bepaalde frequenties passen erin.
-
wet van Ohm
Het verband dat de spanning gelijk is aan de stroomsterkte keer de weerstand. Hij geldt alleen als de weerstand niet van de stroom afhangt.
-
eigentijd
De tijd gemeten door een klok die meereist met de gebeurtenis. Dat is altijd de kortste tijd die iemand meet.
-
toevallige fout
Een fout die per meting wisselt, bijvoorbeeld bij het aflezen. Vaker meten en gemiddelden nemen maakt die kleiner.
-
inductiespanning
De spanning die ontstaat als de flux door een spoel verandert. Hij is het aantal windingen keer de verandering van de flux per seconde.
-
wet van Wien
Het verband tussen de piekgolflengte van een planckkromme en de temperatuur. Heter betekent een kortere golflengte.
-
constante van Planck
De constante waarmee je van de frequentie van straling naar de energie van een foton rekent. Hij staat in de tabel.
-
antwoordzin
De laatste regel van je uitwerking, waarin de gevraagde grootheid, het getal en de eenheid staan. Daarmee is je antwoord pas af.
-
amplitude
De grootste uitwijking vanuit de evenwichtsstand. Bij geluid hoor je een grotere amplitude als harder.
-
afhankelijke variabele
De grootheid die je meet omdat hij verandert door wat je zelf instelt. Die zet je verticaal in de grafiek.
-
massagetal
Het aantal protonen en neutronen samen in een kern. Het staat linksboven bij het symbool en blijft bij betaverval gelijk.
-
emissiespectrum
Het patroon van losse lijnen dat een gas uitzendt. Elke lijn hoort bij een sprong, en elke stof heeft zijn eigen patroon.
-
capaciteit
De lading die een condensator per volt vasthoudt, in farad. De energie erin is een half keer de capaciteit keer het kwadraat van de spanning.
-
trillingstijd
De tijd van één hele trilling, in seconden. Hij is één gedeeld door de frequentie.
-
druk
De kracht per oppervlak, in pascal. Dezelfde kracht op een kleiner oppervlak geeft een hogere druk.
-
stroomsterkte
De hoeveelheid lading die per seconde voorbijkomt, in ampère.
-
boventoon
Een hogere toon die ook in dezelfde snaar of buis past, met er een halve golflengte bij. De eerste boventoon van een snaar heeft de dubbele frequentie van de grondtoon.
-
geluidsniveau
Hoe hard geluid klinkt, in decibel. Tien decibel erbij voelt ongeveer twee keer zo hard maar is tien keer zo veel intensiteit.
-
doorsnede
Het oppervlak van de dwarsdoorsnede van een draad, in vierkante meter. Bij een ronde draad is dat pi keer de straal in het kwadraat.
-
lichtkracht
Het totale vermogen dat een ster uitstraalt, in watt. Samen met de gemeten intensiteit geeft hij de afstand.
-
onafhankelijke variabele
De grootheid die je in een proef zelf verandert. Die zet je horizontaal in de grafiek.
-
schaalverdeling
De afstand tussen twee streepjes op een meter, uitgedrukt in de gemeten grootheid. Die bepaalt hoe nauwkeurig je kunt aflezen.
-
veldsterkte
De kracht per eenheid lading op een plek, in newton per coulomb. Tussen twee platen is hij de spanning gedeeld door de afstand.
-
eerste wet van Newton
Werkt er geen resulterende kracht, dan blijft een voorwerp stilstaan of met dezelfde snelheid in dezelfde richting doorgaan.
-
transversale golf
Een golf waarin de deeltjes dwars op de voortplantingsrichting bewegen, zoals een golf in een touw.
-
gravitatie-energie
De energie van twee massa’s door hun onderlinge aantrekking. Hij is negatief, met het nulpunt op oneindige afstand.
-
rendement
Het deel van de toegevoerde energie dat nuttig terechtkomt, meestal in procenten. Wat niet nuttig is wordt vrijwel altijd warmte.
-
Hertzsprung-Russelldiagram
Een diagram met sterren uitgezet naar temperatuur en lichtkracht. De positie verraadt het type ster.
-
significante cijfers
De cijfers in een getal die werkelijk gemeten zijn. Bij vermenigvuldigen houdt je antwoord er zo veel als het minst nauwkeurige gegeven.
-
ldr
Een weerstand die bij meer licht een lagere waarde heeft. Je gebruikt hem als lichtsensor in een spanningsdeler.
-
weerstand
Hoe sterk een onderdeel de stroom tegenhoudt, in ohm. Hij is de spanning gedeeld door de stroomsterkte.
-
raaklijn
Een rechte lijn die een kromme in een punt raakt. De helling ervan geeft de waarde op dat moment, bijvoorbeeld de snelheid.
-
watt
De eenheid van vermogen, met symbool W. Een apparaat van 1000 watt gebruikt duizend joule per seconde.
-
derde wet van Newton
Oefent A een kracht uit op B, dan oefent B een even grote kracht in de tegengestelde richting uit op A. Die twee krachten grijpen op verschillende voorwerpen aan.
-
bloeddruk
De druk van het bloed op de vaatwand, meestal in millimeter kwikdruk. Hij wisselt tussen de bovendruk bij het samentrekken en de onderdruk daartussen.
-
intensiteit
Het geluidsvermogen per vierkante meter, in watt per vierkante meter. Twee keer zo ver weg geeft vier keer zo weinig intensiteit.
-
uittree-energie
De energie die minstens nodig is om een elektron uit een metaal los te maken. Wat er van het foton overblijft wordt kinetische energie.
-
akoestische impedantie
Een eigenschap van weefsel die bepaalt hoeveel geluid er op een grens terugkaatst. Een groot verschil geeft een sterke echo.
-
interferentie
Het optellen van twee golven die samenkomen. Een wegverschil van een heel aantal golflengtes versterkt, een halve erbij dooft uit.
-
elektromagnetisch spectrum
De hele reeks straling van radiogolven met een lange golflengte tot gammastraling met een heel korte. Alles erin gaat in vacuum even snel.
-
ioniserende straling
Straling met genoeg energie om elektronen uit atomen te slaan. Daardoor kan hij cellen beschadigen.
-
hefboom
Een stijf voorwerp dat om een draaipunt kan draaien. In het lichaam zijn de botten de hefbomen en de spieren de krachten.
-
energieniveau
Een van de standen die een atoom kan hebben. Een sprong tussen twee niveaus levert een foton met precies het energieverschil.
-
inwendige weerstand
De weerstand van de bron zelf. Daardoor zakt de spanning op de polen als er meer stroom loopt.
-
achtergrondstraling
De straling die er altijd is, uit de bodem, de lucht en het heelal. Elke meting van een bron moet je daarvoor corrigeren.
-
wet van Lenz
De opgewekte stroom loopt zo dat hij de verandering tegenwerkt. Daarom voel je weerstand als je een magneet door een spoel beweegt.
-
knoop
Een punt in een staande golf dat niet beweegt. Aan een vast uiteinde zit altijd een knoop.
-
magnetische inductie
De sterkte van een magnetisch veld, in tesla. Hij bepaalt samen met de stroom en de lengte de kracht op een draad.
-
soortelijke weerstand
Een stofeigenschap die zegt hoe sterk een materiaal de stroom tegenhoudt, in ohm meter. Koper heeft een lage waarde en nichroom een hoge.
-
geostationaire baan
Een baan waarin een satelliet precies zo snel rondgaat als de aarde draait, zodat hij boven hetzelfde punt blijft staan. Hij ligt op ongeveer 36000 kilometer hoogte.
-
veerconstante
Hoeveel newton je nodig hebt per meter uitrekking, in newton per meter. Het is de helling van de kracht-uitrekkingsgrafiek.
-
behoud van energie
De regel dat de totale energie in een afgesloten systeem gelijk blijft. Energie verdwijnt dus nooit, hij gaat van de ene vorm naar de andere.
-
spanningsdeler
Twee weerstanden in serie waarmee je een deel van de spanning afneemt. Verandert de ene weerstand, dan verandert de afgenomen spanning mee.
-
betastraling
Straling van elektronen uit een kern. Hij komt verder dan alfastraling en wordt tegengehouden door een paar millimeter aluminium.
-
tweede wet van Newton
De resulterende kracht is de massa keer de versnelling. Meer massa vraagt dus meer kracht voor dezelfde versnelling.
-
equivalente dosis
De geabsorbeerde dosis keer een weegfactor voor de soort straling, in sievert. Die factor is voor alfastraling veel hoger dan voor gammastraling.
-
koorde
Een rechte lijn tussen twee punten op een kromme. De helling ervan geeft het gemiddelde over dat stuk.
-
sensor
Een onderdeel dat een grootheid uit de omgeving omzet in een elektrisch signaal, bijvoorbeeld een lichtgevoelige weerstand.
-
halveringstijd
De tijd waarin de helft van de kernen is vervallen. Na twee halveringstijden is er een kwart over.
-
versnelling
Hoeveel de snelheid per seconde verandert, in meter per seconde per seconde. Bij afremmen is hij negatief.
-
grootheid
Iets dat je kunt meten, zoals lengte, tijd of kracht. Bij elke grootheid horen een symbool en een eenheid.
-
ontsnappingssnelheid
De snelheid waarbij de totale energie precies nul wordt, zodat een voorwerp loskomt. De massa van dat voorwerp doet er niet toe.
-
planckkromme
De kromme die laat zien hoeveel een warm voorwerp per golflengte uitstraalt. De plek van de piek hoort bij de temperatuur.
-
massadefect
Het verschil in massa tussen een kern en zijn losse bouwstenen. Dat verschil komt als energie vrij en heet de bindingsenergie.
-
halveringsdikte
De dikte van een afschermend materiaal waarbij de helft van de straling doorkomt. Twee van die diktes laat een kwart door.
-
serieschakeling
Onderdelen achter elkaar in één kring. De stroom is overal gelijk en de spanningen tellen op.
-
flux
De magnetische inductie keer het omsloten oppervlak, in weber. Alleen een verandering van de flux wekt spanning op.
-
omlooptijd
De tijd van één hele rondgang om het middelpunt. Verder weg betekent een langere omlooptijd.
Naar de les over Cirkelbeweging en middelpuntzoekende kracht
-
systematische fout
Een fout die elke meting dezelfde kant op verschuift, bijvoorbeeld een meter die niet op nul staat. Vaker meten helpt daar niet tegen.
-
eigenfrequentie
De frequentie waarop een voorwerp van zichzelf trilt. Hij volgt uit de massa en de stijfheid, en elk voorwerp heeft er een.
-
activiteit
Het aantal kernen dat per seconde vervalt, in becquerel. Hij neemt af met de halveringstijd.
-
spanningsmeter
Een meter die je parallel aansluit om de spanning over een onderdeel te meten. Hij heeft zelf een heel grote weerstand.
-
frequentie
Het aantal trillingen per seconde, in hertz. Hoger betekent bij geluid een hogere toon.
-
werklijn
De lijn waarop een kracht werkt, de krachtpijl naar beide kanten verlengd. Daarop meet je de arm loodrecht.
-
wrijvingskracht
De kracht die tegen de beweging in werkt, van de lucht of van het oppervlak. Bij hogere snelheid wordt de luchtwrijving snel groter.
-
massa
Hoeveel stof er in een voorwerp zit, in kilogram. Hij verandert niet als je ergens anders bent, in tegenstelling tot het gewicht.
-
golfsnelheid
Hoe snel een golf zich voortplant, gelijk aan de frequentie keer de golflengte. In lucht is geluid ongeveer 340 meter per seconde.
-
bereik
De grootste waarde die een meter kan aanwijzen. Een te groot bereik kost nauwkeurigheid en een te klein bereik geeft geen uitslag.
-
zwaartekracht
De kracht waarmee de aarde aan een voorwerp trekt. Je rekent hem uit met de massa keer de valversnelling.
-
baansnelheid
De snelheid waarmee een satelliet zijn baan rondgaat, gelijk aan de omtrek van de baan gedeeld door de omlooptijd.
Naar de les over Cirkelbeweging en middelpuntzoekende kracht
-
binas
Het tabellenboek dat je op het examen mag gebruiken, met formules, constanten en stofgegevens. Weten waar iets staat is net zo belangrijk als de formule kennen.
-
golflengte
De afstand tussen twee punten in een golf die hetzelfde doen, bijvoorbeeld van top tot top.
-
lorentzfactor
De factor waarmee tijd langer en lengte korter wordt bij hoge snelheid. Bij alledaagse snelheden is hij vrijwel een.
-
normaalkracht
De kracht waarmee een oppervlak terugduwt, altijd loodrecht op dat oppervlak.
-
moment
De kracht keer de arm ten opzichte van een draaipunt, in newtonmeter. Gaat de werklijn door het draaipunt, dan is het moment nul.
-
vervangingsweerstand
De ene weerstand die hetzelfde doet als een hele schakeling. In serie tel je de weerstanden op, parallel wordt hij kleiner dan de kleinste.
-
bindingsenergie per nucleon
Hoe stevig de deeltjes in een kern vastzitten. Die is het grootst rond ijzer, en daarom leveren splijting en fusie allebei energie op.
-
gravitatiekracht
De aantrekkende kracht tussen twee voorwerpen met massa. Hij wordt kleiner met het kwadraat van de afstand ertussen.
-
gammastraling
Straling zonder massa en zonder lading, met de grootste dracht. Je houdt hem alleen tegen met dik lood of beton.
-
meetonzekerheid
De marge waarbinnen de echte waarde ligt. Je schrijft die bij je meting, want zonder marge zegt een meetwaarde te veel.
-
foto-elektrisch effect
Het losslaan van elektronen door licht, maar alleen boven een drempelfrequentie. Dat bewijst dat licht in pakketjes komt.
-
homogeen veld
Een veld dat overal even sterk is en dezelfde kant op wijst, zoals tussen twee parallelle platen.
-
warmteafgifte
De energie die het lichaam per seconde aan de omgeving verliest, door straling, geleiding, stroming en verdamping.
-
macht van tien
Een getal geschreven als een getal tussen 1 en 10 keer een macht van tien. Daarmee blijven heel grote en heel kleine getallen leesbaar.
-
tijdconstante
De weerstand keer de capaciteit, in seconden. Na een tijdconstante is een condensator voor ongeveer tweeenzestig procent opgeladen.
-
isotoop
Een atoomsoort met een vast aantal protonen en een vast aantal neutronen. Isotopen van hetzelfde element verschillen alleen in het aantal neutronen.
-
joule
De eenheid van energie en van arbeid, met symbool J. Een kilowattuur is 3,6 miljoen joule.
-
omgekeerd evenredig
Twee grootheden waarvan het product gelijk blijft, dus de ene wordt half zo groot als de andere verdubbelt.
-
vervalreactie
De vergelijking van een kern die vervalt. Massagetal en atoomnummer moeten links en rechts van de pijl gelijk zijn.
-
buik
Een punt in een staande golf met de grootste uitwijking. Aan een open uiteinde zit een buik.
-
elektronvolt
Een eenheid van energie die handig is bij fotonen en deeltjes. Het is de energie die een elektron krijgt bij een spanningsverschil van een volt.
-
soortelijke warmte
De energie die nodig is om één kilogram van een stof één graad warmer te maken. Water heeft een hoge soortelijke warmte.
-
helling
De steilheid van een grafiek, uitgerekend als het verschil verticaal gedeeld door het verschil horizontaal. Welke grootheid eruit komt hangt af van wat er op de assen staat.
-
newton
De eenheid van kracht, met symbool N. Eén newton is de kracht die een massa van één kilogram één meter per seconde per seconde laat versnellen.
-
wegverschil
Het verschil in afgelegde weg van twee golven naar hetzelfde punt. Pas uitgedrukt in golflengtes zegt het of er versterking of uitdoving is.
-
eindsnelheid
De snelheid waarbij de luchtwrijving even groot is als de zwaartekracht, zodat de resulterende kracht nul wordt en de snelheid niet meer groeit.
-
kwadratisch verband
Een verband waarin de ene grootheid met het kwadraat van de andere groeit. Twee keer zo veel geeft dan vier keer zo veel.
-
golflengte van De Broglie
De golflengte van een bewegend deeltje, gelijk aan de constante van Planck gedeeld door de impuls. Bij een elektron meetbaar, bij een bal verdwijnend klein.
-
foton
Een pakketje elektromagnetische straling. De energie ervan is de constante van Planck keer de frequentie, dus een kortere golflengte geeft een energieker foton.
-
becquerel
De eenheid van activiteit, één verval per seconde.
-
decibel
De eenheid van geluidsniveau. De schaal is logaritmisch, dus je mag decibellen niet bij elkaar optellen.
-
lichtjaar
De afstand die licht in een jaar aflegt. Het is een maat voor afstand en niet voor tijd.
-
kilowattuur
De eenheid waarin je energierekening rekent. Het is het verbruik van duizend watt gedurende een uur.
-
geabsorbeerde dosis
De stralingsenergie die een kilogram weefsel opneemt, in gray. Hij zegt nog niets over de schade.
-
impuls
De massa keer de snelheid van een voorwerp, met een richting erbij. In een botsing zonder kracht van buiten blijft de totale impuls gelijk.
-
stoot
De kracht keer de tijd waarin hij werkt. De stoot is precies gelijk aan de verandering van de impuls.
-
absorptiespectrum
Donkere lijnen in doorvallend wit licht, op precies de plekken waar een gas zelf zou uitzenden.
-
resonantie
Meetrillen van iets dat je op zijn eigen frequentie aanstoot, waardoor de uitwijking sterk groeit. Daarom klinkt een snaar luider met een klankkast.
-
tijdstap
De kleine stap waarin een numeriek model rekent. Binnen een stap doe je alsof de kracht constant is, dus kleiner is nauwkeuriger.
-
alfastraling
Straling van heliumkernen. Hij heeft een korte dracht en komt niet door papier, maar is binnen het lichaam juist gevaarlijk.
-
vermogen
Het aantal joule per seconde, in watt. Je rekent het uit met de energie gedeeld door de tijd.
-
context
Het verhaal of apparaat waarin een examenvraag is verpakt. De context mag nieuw zijn, de natuurkunde erin niet.
-
arm
De kortste afstand van het draaipunt tot de werklijn van een kracht, loodrecht gemeten. Niet de afstand tot het aangrijpingspunt.
-
parallelschakeling
Onderdelen naast elkaar tussen dezelfde twee punten. De spanning is over alle takken gelijk en de stromen tellen op.
-
atoomnummer
Het aantal protonen in een kern. Het staat linksonder bij het symbool en bepaalt welk element het is.
-
longitudinale golf
Een golf waarin de deeltjes heen en weer bewegen in de richting van de voortplanting, zoals geluid in lucht.
-
arbeid
De energie die een kracht aan iets geeft door het over een afstand te verplaatsen. Alleen het stuk weg in de richting van de kracht telt mee, dus duwen zonder beweging is nul arbeid.
-
veldlijn
Een lijn die de richting van de kracht op een positieve lading aangeeft. Veldlijnen lopen van positief naar negatief en kruisen elkaar nooit.
-
eenheid
Waarin je een grootheid uitdrukt, zoals meter, seconde of newton. Een antwoord zonder eenheid is op een examen niet goed.
-
momentenwet
Bij evenwicht is de som van de momenten linksom gelijk aan de som rechtsom, gerekend om hetzelfde draaipunt.
-
ntc
Een weerstand die bij een hogere temperatuur een lagere waarde heeft. Je gebruikt hem als temperatuursensor.
-
grondtoon
De laagste toon die in een snaar of luchtkolom past. Bij een snaar is de golflengte dan twee keer de lengte.
-
lorentzkracht
De kracht op een bewegende lading of een stroomdraad in een magnetisch veld. Hij staat loodrecht op zowel de beweging als het veld.
-
elastische botsing
Een botsing waarin behalve de impuls ook de kinetische energie gelijk blijft. Bij een inelastische botsing gaat een deel in vervorming en warmte.
-
resulterende kracht
Wat er van alle krachten op een voorwerp samen overblijft. Is hij nul, dan blijft de snelheid gelijk.
-
kinetische energie
De energie die iets heeft doordat het beweegt. Hij groeit met het kwadraat van de snelheid, dus twee keer zo hard geeft vier keer zo veel.
-
spanning
Het energieverschil per eenheid lading tussen twee punten, in volt. Hij is wat de stroom door een kring duwt.
-
buiging
Het ombuigen van een golf om een rand of door een spleet. Sterker bij een grote golflengte ten opzichte van de opening.
-
geleider
Een materiaal dat stroom goed doorlaat, dus met een lage soortelijke weerstand. Metalen zijn goede geleiders.
-
middelpuntzoekende kracht
De kracht die nodig is om iets in een cirkelbaan te houden, altijd naar het middelpunt gericht. Bij een satelliet is dat de gravitatiekracht.
Naar de les over Cirkelbeweging en middelpuntzoekende kracht
-
zwaarte-energie
De energie die iets heeft doordat het hoog staat. Hij hangt af van de massa, de valversnelling en de hoogte, en wordt kinetische energie zodra het valt.
-
recht evenredig
Twee grootheden waarbij de ene twee keer zo groot wordt als de andere twee keer zo groot wordt. De grafiek is een rechte lijn door de oorsprong.
-
model
Een vereenvoudiging van de werkelijkheid waar je aan kunt rekenen. Hij rust op aannames en is alleen daarbinnen bruikbaar.