Naar de inhoud
Inloggen

Natuurkunde vwo

Begrippenlijst

vwo

144 begrippen die je bij Natuurkunde op vwo moet kennen, elk met een paar zinnen uitleg. Staat er een les bij, dan wordt het begrip daar gebruikt en geoefend.

Overhoor jezelf op deze begrippen

A 11

absorptiespectrum E2
Donkere lijnen in doorvallend wit licht, op precies de plekken waar een gas zelf zou uitzenden. Naar de les
achtergrondstraling B2
De straling die er altijd is, uit de bodem, de lucht en het heelal. Elke meting van een bron moet je daarvoor corrigeren. Naar de les
activiteit B2
Het aantal kernen dat per seconde vervalt, in becquerel. Hij neemt af met de halveringstijd. Naar de les
afhankelijke variabele A5
De grootheid die je meet omdat hij verandert door wat je zelf instelt. Die zet je verticaal in de grafiek. Naar de les
akoestische impedantie B2
Een eigenschap van weefsel die bepaalt hoeveel geluid er op een grens terugkaatst. Een groot verschil geeft een sterke echo. Naar de les
alfastraling E3
Straling van heliumkernen. Hij heeft een korte dracht en komt niet door papier, maar is binnen het lichaam juist gevaarlijk. Naar de les
amplitude B1
De grootste uitwijking vanuit de evenwichtsstand. Bij geluid hoor je een grotere amplitude als harder. Naar de les
antwoordzin A2
De laatste regel van je uitwerking, waarin de gevraagde grootheid, het getal en de eenheid staan. Daarmee is je antwoord pas af. Naar de les
arbeid C2
De energie die een kracht aan iets geeft door het over een afstand te verplaatsen. Alleen het stuk weg in de richting van de kracht telt mee, dus duwen zonder beweging is nul arbeid. Naar de les
arm G1
De kortste afstand van het draaipunt tot de werklijn van een kracht, loodrecht gemeten. Niet de afstand tot het aangrijpingspunt. Naar de les
atoomnummer E3
Het aantal protonen in een kern. Het staat linksonder bij het symbool en bepaalt welk element het is. Naar de les

B 11

baansnelheid C1
De snelheid waarmee een satelliet zijn baan rondgaat, gelijk aan de omtrek van de baan gedeeld door de omlooptijd. Naar de les
becquerel B2
De eenheid van activiteit, één verval per seconde. Naar de les
behoud van energie C2
De regel dat de totale energie in een afgesloten systeem gelijk blijft. Energie verdwijnt dus nooit, hij gaat van de ene vorm naar de andere. Naar de les
bereik A8
De grootste waarde die een meter kan aanwijzen. Een te groot bereik kost nauwkeurigheid en een te klein bereik geeft geen uitslag. Naar de les
betastraling E3
Straling van elektronen uit een kern. Hij komt verder dan alfastraling en wordt tegengehouden door een paar millimeter aluminium. Naar de les
binas A1
Het tabellenboek dat je op het examen mag gebruiken, met formules, constanten en stofgegevens. Weten waar iets staat is net zo belangrijk als de formule kennen. Naar de les
bindingsenergie per nucleon E3
Hoe stevig de deeltjes in een kern vastzitten. Die is het grootst rond ijzer, en daarom leveren splijting en fusie allebei energie op. Naar de les
bloeddruk G1
De druk van het bloed op de vaatwand, meestal in millimeter kwikdruk. Hij wisselt tussen de bovendruk bij het samentrekken en de onderdruk daartussen. Naar de les
boventoon B1
Een hogere toon die ook in dezelfde snaar of buis past, met er een halve golflengte bij. De eerste boventoon van een snaar heeft de dubbele frequentie van de grondtoon. Naar de les
buiging B1
Het ombuigen van een golf om een rand of door een spleet. Sterker bij een grote golflengte ten opzichte van de opening. Naar de les
buik B1
Een punt in een staande golf met de grootste uitwijking. Aan een open uiteinde zit een buik. Naar de les

C 3

capaciteit D2
De lading die een condensator per volt vasthoudt, in farad. De energie erin is een half keer de capaciteit keer het kwadraat van de spanning. Naar de les
constante van Planck E2
De constante waarmee je van de frequentie van straling naar de energie van een foton rekent. Hij staat in de tabel. Naar de les
context H
Het verhaal of apparaat waarin een examenvraag is verpakt. De context mag nieuw zijn, de natuurkunde erin niet. Naar de les

D 4

decibel B1
De eenheid van geluidsniveau. De schaal is logaritmisch, dus je mag decibellen niet bij elkaar optellen. Naar de les
derde wet van Newton C1
Oefent A een kracht uit op B, dan oefent B een even grote kracht in de tegengestelde richting uit op A. Die twee krachten grijpen op verschillende voorwerpen aan. Naar de les
doorsnede D1
Het oppervlak van de dwarsdoorsnede van een draad, in vierkante meter. Bij een ronde draad is dat pi keer de straal in het kwadraat. Naar de les
druk G1
De kracht per oppervlak, in pascal. Dezelfde kracht op een kleiner oppervlak geeft een hogere druk. Naar de les

E 11

eenheid A2
Waarin je een grootheid uitdrukt, zoals meter, seconde of newton. Een antwoord zonder eenheid is op een examen niet goed. Naar de les
eerste wet van Newton C1
Werkt er geen resulterende kracht, dan blijft een voorwerp stilstaan of met dezelfde snelheid in dezelfde richting doorgaan. Naar de les
eigenfrequentie B1
De frequentie waarop een voorwerp van zichzelf trilt. Hij volgt uit de massa en de stijfheid, en elk voorwerp heeft er een. Naar de les
eigentijd F2
De tijd gemeten door een klok die meereist met de gebeurtenis. Dat is altijd de kortste tijd die iemand meet. Naar de les
eindsnelheid C1
De snelheid waarbij de luchtwrijving even groot is als de zwaartekracht, zodat de resulterende kracht nul wordt en de snelheid niet meer groeit. Naar de les
elastische botsing C1
Een botsing waarin behalve de impuls ook de kinetische energie gelijk blijft. Bij een inelastische botsing gaat een deel in vervorming en warmte. Naar de les
elektromagnetisch spectrum E2
De hele reeks straling van radiogolven met een lange golflengte tot gammastraling met een heel korte. Alles erin gaat in vacuum even snel. Naar de les
elektronvolt E2
Een eenheid van energie die handig is bij fotonen en deeltjes. Het is de energie die een elektron krijgt bij een spanningsverschil van een volt. Naar de les
emissiespectrum E2
Het patroon van losse lijnen dat een gas uitzendt. Elke lijn hoort bij een sprong, en elke stof heeft zijn eigen patroon. Naar de les
energieniveau E2
Een van de standen die een atoom kan hebben. Een sprong tussen twee niveaus levert een foton met precies het energieverschil. Naar de les
equivalente dosis B2
De geabsorbeerde dosis keer een weegfactor voor de soort straling, in sievert. Die factor is voor alfastraling veel hoger dan voor gammastraling. Naar de les

F 4

flux D2
De magnetische inductie keer het omsloten oppervlak, in weber. Alleen een verandering van de flux wekt spanning op. Naar de les
foto-elektrisch effect F1
Het losslaan van elektronen door licht, maar alleen boven een drempelfrequentie. Dat bewijst dat licht in pakketjes komt. Naar de les
foton E2
Een pakketje elektromagnetische straling. De energie ervan is de constante van Planck keer de frequentie, dus een kortere golflengte geeft een energieker foton. Naar de les
frequentie B1
Het aantal trillingen per seconde, in hertz. Hoger betekent bij geluid een hogere toon. Naar de les

G 12

gammastraling E3
Straling zonder massa en zonder lading, met de grootste dracht. Je houdt hem alleen tegen met dik lood of beton. Naar de les
geabsorbeerde dosis B2
De stralingsenergie die een kilogram weefsel opneemt, in gray. Hij zegt nog niets over de schade. Naar de les
geleider D1
Een materiaal dat stroom goed doorlaat, dus met een lage soortelijke weerstand. Metalen zijn goede geleiders. Naar de les
geluidsniveau B1
Hoe hard geluid klinkt, in decibel. Tien decibel erbij voelt ongeveer twee keer zo hard maar is tien keer zo veel intensiteit. Naar de les
geostationaire baan C3
Een baan waarin een satelliet precies zo snel rondgaat als de aarde draait, zodat hij boven hetzelfde punt blijft staan. Hij ligt op ongeveer 36000 kilometer hoogte. Naar de les
golflengte B1
De afstand tussen twee punten in een golf die hetzelfde doen, bijvoorbeeld van top tot top. Naar de les
golflengte van De Broglie F1
De golflengte van een bewegend deeltje, gelijk aan de constante van Planck gedeeld door de impuls. Bij een elektron meetbaar, bij een bal verdwijnend klein. Naar de les
golfsnelheid B1
Hoe snel een golf zich voortplant, gelijk aan de frequentie keer de golflengte. In lucht is geluid ongeveer 340 meter per seconde. Naar de les
gravitatie-energie C3
De energie van twee massa’s door hun onderlinge aantrekking. Hij is negatief, met het nulpunt op oneindige afstand. Naar de les
gravitatiekracht C3
De aantrekkende kracht tussen twee voorwerpen met massa. Hij wordt kleiner met het kwadraat van de afstand ertussen. Naar de les
grondtoon B1
De laagste toon die in een snaar of luchtkolom past. Bij een snaar is de golflengte dan twee keer de lengte. Naar de les
grootheid A1
Iets dat je kunt meten, zoals lengte, tijd of kracht. Bij elke grootheid horen een symbool en een eenheid. Naar de les

H 6

halveringsdikte B2
De dikte van een afschermend materiaal waarbij de helft van de straling doorkomt. Twee van die diktes laat een kwart door. Naar de les
halveringstijd B2
De tijd waarin de helft van de kernen is vervallen. Na twee halveringstijden is er een kwart over. Naar de les
hefboom G1
Een stijf voorwerp dat om een draaipunt kan draaien. In het lichaam zijn de botten de hefbomen en de spieren de krachten. Naar de les
helling A15
De steilheid van een grafiek, uitgerekend als het verschil verticaal gedeeld door het verschil horizontaal. Welke grootheid eruit komt hangt af van wat er op de assen staat. Naar de les
Hertzsprung-Russelldiagram E2
Een diagram met sterren uitgezet naar temperatuur en lichtkracht. De positie verraadt het type ster. Naar de les
homogeen veld D2
Een veld dat overal even sterk is en dezelfde kant op wijst, zoals tussen twee parallelle platen. Naar de les

I 7

impuls C1
De massa keer de snelheid van een voorwerp, met een richting erbij. In een botsing zonder kracht van buiten blijft de totale impuls gelijk. Naar de les
inductiespanning D2
De spanning die ontstaat als de flux door een spoel verandert. Hij is het aantal windingen keer de verandering van de flux per seconde. Naar de les
intensiteit B1
Het geluidsvermogen per vierkante meter, in watt per vierkante meter. Twee keer zo ver weg geeft vier keer zo weinig intensiteit. Naar de les
interferentie B1
Het optellen van twee golven die samenkomen. Een wegverschil van een heel aantal golflengtes versterkt, een halve erbij dooft uit. Naar de les
inwendige weerstand D1
De weerstand van de bron zelf. Daardoor zakt de spanning op de polen als er meer stroom loopt. Naar de les
ioniserende straling B2
Straling met genoeg energie om elektronen uit atomen te slaan. Daardoor kan hij cellen beschadigen. Naar de les
isotoop E3
Een atoomsoort met een vast aantal protonen en een vast aantal neutronen. Isotopen van hetzelfde element verschillen alleen in het aantal neutronen. Naar de les

J 1

joule C2
De eenheid van energie en van arbeid, met symbool J. Een kilowattuur is 3,6 miljoen joule. Naar de les

K 5

kilowattuur D1
De eenheid waarin je energierekening rekent. Het is het verbruik van duizend watt gedurende een uur. Naar de les
kinetische energie C2
De energie die iets heeft doordat het beweegt. Hij groeit met het kwadraat van de snelheid, dus twee keer zo hard geeft vier keer zo veel. Naar de les
knoop B1
Een punt in een staande golf dat niet beweegt. Aan een vast uiteinde zit altijd een knoop. Naar de les
koorde C1
Een rechte lijn tussen twee punten op een kromme. De helling ervan geeft het gemiddelde over dat stuk. Naar de les
kwadratisch verband A15
Een verband waarin de ene grootheid met het kwadraat van de andere groeit. Twee keer zo veel geeft dan vier keer zo veel. Naar de les

L 6

ldr D1
Een weerstand die bij meer licht een lagere waarde heeft. Je gebruikt hem als lichtsensor in een spanningsdeler. Naar de les
lichtjaar C3
De afstand die licht in een jaar aflegt. Het is een maat voor afstand en niet voor tijd. Naar de les
lichtkracht E2
Het totale vermogen dat een ster uitstraalt, in watt. Samen met de gemeten intensiteit geeft hij de afstand. Naar de les
longitudinale golf B1
Een golf waarin de deeltjes heen en weer bewegen in de richting van de voortplanting, zoals geluid in lucht. Naar de les
lorentzfactor F2
De factor waarmee tijd langer en lengte korter wordt bij hoge snelheid. Bij alledaagse snelheden is hij vrijwel een. Naar de les
lorentzkracht D2
De kracht op een bewegende lading of een stroomdraad in een magnetisch veld. Hij staat loodrecht op zowel de beweging als het veld. Naar de les

M 10

macht van tien A12
Een getal geschreven als een getal tussen 1 en 10 keer een macht van tien. Daarmee blijven heel grote en heel kleine getallen leesbaar. Naar de les
magnetische inductie D2
De sterkte van een magnetisch veld, in tesla. Hij bepaalt samen met de stroom en de lengte de kracht op een draad. Naar de les
massa C1
Hoeveel stof er in een voorwerp zit, in kilogram. Hij verandert niet als je ergens anders bent, in tegenstelling tot het gewicht. Naar de les
massadefect E3
Het verschil in massa tussen een kern en zijn losse bouwstenen. Dat verschil komt als energie vrij en heet de bindingsenergie. Naar de les
massagetal E3
Het aantal protonen en neutronen samen in een kern. Het staat linksboven bij het symbool en blijft bij betaverval gelijk. Naar de les
meetonzekerheid A12
De marge waarbinnen de echte waarde ligt. Je schrijft die bij je meting, want zonder marge zegt een meetwaarde te veel. Naar de les
middelpuntzoekende kracht C1
De kracht die nodig is om iets in een cirkelbaan te houden, altijd naar het middelpunt gericht. Bij een satelliet is dat de gravitatiekracht. Naar de les
model H
Een vereenvoudiging van de werkelijkheid waar je aan kunt rekenen. Hij rust op aannames en is alleen daarbinnen bruikbaar. Naar de les
moment G1
De kracht keer de arm ten opzichte van een draaipunt, in newtonmeter. Gaat de werklijn door het draaipunt, dan is het moment nul. Naar de les
momentenwet G1
Bij evenwicht is de som van de momenten linksom gelijk aan de som rechtsom, gerekend om hetzelfde draaipunt. Naar de les

N 3

newton C1
De eenheid van kracht, met symbool N. Eén newton is de kracht die een massa van één kilogram één meter per seconde per seconde laat versnellen. Naar de les
normaalkracht C1
De kracht waarmee een oppervlak terugduwt, altijd loodrecht op dat oppervlak. Naar de les
ntc D1
Een weerstand die bij een hogere temperatuur een lagere waarde heeft. Je gebruikt hem als temperatuursensor. Naar de les

O 4

omgekeerd evenredig A15
Twee grootheden waarvan het product gelijk blijft, dus de ene wordt half zo groot als de andere verdubbelt. Naar de les
omlooptijd C1
De tijd van één hele rondgang om het middelpunt. Verder weg betekent een langere omlooptijd. Naar de les
onafhankelijke variabele A5
De grootheid die je in een proef zelf verandert. Die zet je horizontaal in de grafiek. Naar de les
ontsnappingssnelheid C3
De snelheid waarbij de totale energie precies nul wordt, zodat een voorwerp loskomt. De massa van dat voorwerp doet er niet toe. Naar de les

P 2

parallelschakeling D1
Onderdelen naast elkaar tussen dezelfde twee punten. De spanning is over alle takken gelijk en de stromen tellen op. Naar de les
planckkromme E2
De kromme die laat zien hoeveel een warm voorwerp per golflengte uitstraalt. De plek van de piek hoort bij de temperatuur. Naar de les

R 5

raaklijn C1
Een rechte lijn die een kromme in een punt raakt. De helling ervan geeft de waarde op dat moment, bijvoorbeeld de snelheid. Naar de les
recht evenredig A15
Twee grootheden waarbij de ene twee keer zo groot wordt als de andere twee keer zo groot wordt. De grafiek is een rechte lijn door de oorsprong. Naar de les
rendement C2
Het deel van de toegevoerde energie dat nuttig terechtkomt, meestal in procenten. Wat niet nuttig is wordt vrijwel altijd warmte. Naar de les
resonantie B1
Meetrillen van iets dat je op zijn eigen frequentie aanstoot, waardoor de uitwijking sterk groeit. Daarom klinkt een snaar luider met een klankkast. Naar de les
resulterende kracht C1
Wat er van alle krachten op een voorwerp samen overblijft. Is hij nul, dan blijft de snelheid gelijk. Naar de les

S 14

schaalverdeling A8
De afstand tussen twee streepjes op een meter, uitgedrukt in de gemeten grootheid. Die bepaalt hoe nauwkeurig je kunt aflezen. Naar de les
sensor D1
Een onderdeel dat een grootheid uit de omgeving omzet in een elektrisch signaal, bijvoorbeeld een lichtgevoelige weerstand. Naar de les
serieschakeling D1
Onderdelen achter elkaar in één kring. De stroom is overal gelijk en de spanningen tellen op. Naar de les
significante cijfers A12
De cijfers in een getal die werkelijk gemeten zijn. Bij vermenigvuldigen houdt je antwoord er zo veel als het minst nauwkeurige gegeven. Naar de les
soortelijke warmte G1
De energie die nodig is om één kilogram van een stof één graad warmer te maken. Water heeft een hoge soortelijke warmte. Naar de les
soortelijke weerstand D1
Een stofeigenschap die zegt hoe sterk een materiaal de stroom tegenhoudt, in ohm meter. Koper heeft een lage waarde en nichroom een hoge. Naar de les
spanning D1
Het energieverschil per eenheid lading tussen twee punten, in volt. Hij is wat de stroom door een kring duwt. Naar de les
spanningsdeler D1
Twee weerstanden in serie waarmee je een deel van de spanning afneemt. Verandert de ene weerstand, dan verandert de afgenomen spanning mee. Naar de les
spanningsmeter A8
Een meter die je parallel aansluit om de spanning over een onderdeel te meten. Hij heeft zelf een heel grote weerstand. Naar de les
staande golf B1
Een golf die in een snaar of luchtkolom heen en weer loopt en zichzelf versterkt. Alleen bepaalde frequenties passen erin. Naar de les
stoot C1
De kracht keer de tijd waarin hij werkt. De stoot is precies gelijk aan de verandering van de impuls. Naar de les
stroommeter A8
Een meter die je in serie opneemt om de stroomsterkte te meten. Hij heeft zelf een heel kleine weerstand. Naar de les
stroomsterkte D1
De hoeveelheid lading die per seconde voorbijkomt, in ampère. Naar de les
systematische fout A5
Een fout die elke meting dezelfde kant op verschuift, bijvoorbeeld een meter die niet op nul staat. Vaker meten helpt daar niet tegen. Naar de les

T 6

tijdconstante D2
De weerstand keer de capaciteit, in seconden. Na een tijdconstante is een condensator voor ongeveer tweeenzestig procent opgeladen. Naar de les
tijdstap A7
De kleine stap waarin een numeriek model rekent. Binnen een stap doe je alsof de kracht constant is, dus kleiner is nauwkeuriger. Naar de les
toevallige fout A5
Een fout die per meting wisselt, bijvoorbeeld bij het aflezen. Vaker meten en gemiddelden nemen maakt die kleiner. Naar de les
transversale golf B1
Een golf waarin de deeltjes dwars op de voortplantingsrichting bewegen, zoals een golf in een touw. Naar de les
trillingstijd B1
De tijd van één hele trilling, in seconden. Hij is één gedeeld door de frequentie. Naar de les
tweede wet van Newton C1
De resulterende kracht is de massa keer de versnelling. Meer massa vraagt dus meer kracht voor dezelfde versnelling. Naar de les

U 1

uittree-energie F1
De energie die minstens nodig is om een elektron uit een metaal los te maken. Wat er van het foton overblijft wordt kinetische energie. Naar de les

V 7

veerconstante B1
Hoeveel newton je nodig hebt per meter uitrekking, in newton per meter. Het is de helling van de kracht-uitrekkingsgrafiek. Naar de les
veldlijn D2
Een lijn die de richting van de kracht op een positieve lading aangeeft. Veldlijnen lopen van positief naar negatief en kruisen elkaar nooit. Naar de les
veldsterkte D2
De kracht per eenheid lading op een plek, in newton per coulomb. Tussen twee platen is hij de spanning gedeeld door de afstand. Naar de les
vermogen D1
Het aantal joule per seconde, in watt. Je rekent het uit met de energie gedeeld door de tijd. Naar de les
versnelling C1
Hoeveel de snelheid per seconde verandert, in meter per seconde per seconde. Bij afremmen is hij negatief. Naar de les
vervalreactie E3
De vergelijking van een kern die vervalt. Massagetal en atoomnummer moeten links en rechts van de pijl gelijk zijn. Naar de les
vervangingsweerstand D1
De ene weerstand die hetzelfde doet als een hele schakeling. In serie tel je de weerstanden op, parallel wordt hij kleiner dan de kleinste. Naar de les

W 9

warmteafgifte G1
De energie die het lichaam per seconde aan de omgeving verliest, door straling, geleiding, stroming en verdamping. Naar de les
watt D1
De eenheid van vermogen, met symbool W. Een apparaat van 1000 watt gebruikt duizend joule per seconde. Naar de les
weerstand D1
Hoe sterk een onderdeel de stroom tegenhoudt, in ohm. Hij is de spanning gedeeld door de stroomsterkte. Naar de les
wegverschil B1
Het verschil in afgelegde weg van twee golven naar hetzelfde punt. Pas uitgedrukt in golflengtes zegt het of er versterking of uitdoving is. Naar de les
werklijn G1
De lijn waarop een kracht werkt, de krachtpijl naar beide kanten verlengd. Daarop meet je de arm loodrecht. Naar de les
wet van Lenz D2
De opgewekte stroom loopt zo dat hij de verandering tegenwerkt. Daarom voel je weerstand als je een magneet door een spoel beweegt. Naar de les
wet van Ohm D1
Het verband dat de spanning gelijk is aan de stroomsterkte keer de weerstand. Hij geldt alleen als de weerstand niet van de stroom afhangt. Naar de les
wet van Wien E2
Het verband tussen de piekgolflengte van een planckkromme en de temperatuur. Heter betekent een kortere golflengte. Naar de les
wrijvingskracht C1
De kracht die tegen de beweging in werkt, van de lucht of van het oppervlak. Bij hogere snelheid wordt de luchtwrijving snel groter. Naar de les

Z 2

zwaarte-energie C2
De energie die iets heeft doordat het hoog staat. Hij hangt af van de massa, de valversnelling en de hoogte, en wordt kinetische energie zodra het valt. Naar de les
zwaartekracht C1
De kracht waarmee de aarde aan een voorwerp trekt. Je rekent hem uit met de massa keer de valversnelling. Naar de les

Alle onderwerpen