Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

40 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. tijdstap

    De kleine stap waarin een numeriek model rekent. Binnen een stap doe je alsof de kracht constant is, dus kleiner is nauwkeuriger.

    Naar de les over Een numeriek model bouwen

  2. normaalkracht

    De kracht waarmee een oppervlak terugduwt, altijd loodrecht op dat oppervlak.

    Naar de les over Krachten en de tweede wet van Newton

  3. model

    Een vereenvoudiging van de werkelijkheid waar je aan kunt rekenen. Hij rust op aannames en is alleen daarbinnen bruikbaar.

    Naar de les over Natuurwetten en modellen

  4. ioniserende straling

    Straling met genoeg energie om elektronen uit atomen te slaan. Daardoor kan hij cellen beschadigen.

    Naar de les over Dosis en stralingsbescherming

  5. grootheid

    Iets dat je kunt meten, zoals lengte, tijd of kracht. Bij elke grootheid horen een symbool en een eenheid.

    Naar de les over Opzoeken in Binas

  6. atoomnummer

    Het aantal protonen in een kern. Het staat linksonder bij het symbool en bepaalt welk element het is.

    Naar de les over Kernverval en bindingsenergie

  7. achtergrondstraling

    De straling die er altijd is, uit de bodem, de lucht en het heelal. Elke meting van een bron moet je daarvoor corrigeren.

    Naar de les over Dosis en stralingsbescherming

  8. moment

    De kracht keer de arm ten opzichte van een draaipunt, in newtonmeter. Gaat de werklijn door het draaipunt, dan is het moment nul.

    Naar de les over Biofysica van het lichaam

  9. eenheid

    Waarin je een grootheid uitdrukt, zoals meter, seconde of newton. Een antwoord zonder eenheid is op een examen niet goed.

    Naar de les over Een uitwerking die punten oplevert

  10. amplitude

    De grootste uitwijking vanuit de evenwichtsstand. Bij geluid hoor je een grotere amplitude als harder.

    Naar de les over Trillingen en de harmonische beweging

  11. hefboom

    Een stijf voorwerp dat om een draaipunt kan draaien. In het lichaam zijn de botten de hefbomen en de spieren de krachten.

    Naar de les over Biofysica van het lichaam

  12. buik

    Een punt in een staande golf met de grootste uitwijking. Aan een open uiteinde zit een buik.

    Naar de les over Staande golven en eigentonen

  13. soortelijke warmte

    De energie die nodig is om één kilogram van een stof één graad warmer te maken. Water heeft een hoge soortelijke warmte.

    Naar de les over Biofysica van het lichaam

  14. vervangingsweerstand

    De ene weerstand die hetzelfde doet als een hele schakeling. In serie tel je de weerstanden op, parallel wordt hij kleiner dan de kleinste.

    Naar de les over Schakelingen en de inwendige weerstand

  15. antwoordzin

    De laatste regel van je uitwerking, waarin de gevraagde grootheid, het getal en de eenheid staan. Daarmee is je antwoord pas af.

    Naar de les over Een uitwerking die punten oplevert

  16. spanningsmeter

    Een meter die je parallel aansluit om de spanning over een onderdeel te meten. Hij heeft zelf een heel grote weerstand.

    Naar de les over De juiste meting kiezen

  17. arm

    De kortste afstand van het draaipunt tot de werklijn van een kracht, loodrecht gemeten. Niet de afstand tot het aangrijpingspunt.

    Naar de les over Biofysica van het lichaam

  18. boventoon

    Een hogere toon die ook in dezelfde snaar of buis past, met er een halve golflengte bij. De eerste boventoon van een snaar heeft de dubbele frequentie van de grondtoon.

    Naar de les over Staande golven en eigentonen

  19. akoestische impedantie

    Een eigenschap van weefsel die bepaalt hoeveel geluid er op een grens terugkaatst. Een groot verschil geeft een sterke echo.

    Naar de les over Echografie en rontgen

  20. meetonzekerheid

    De marge waarbinnen de echte waarde ligt. Je schrijft die bij je meting, want zonder marge zegt een meetwaarde te veel.

    Naar de les over Significante cijfers en meetonzekerheid

  21. macht van tien

    Een getal geschreven als een getal tussen 1 en 10 keer een macht van tien. Daarmee blijven heel grote en heel kleine getallen leesbaar.

    Naar de les over Significante cijfers en meetonzekerheid

  22. helling

    De steilheid van een grafiek, uitgerekend als het verschil verticaal gedeeld door het verschil horizontaal. Welke grootheid eruit komt hangt af van wat er op de assen staat.

    Naar de les over Een grafiek rechttrekken

  23. absorptiespectrum

    Donkere lijnen in doorvallend wit licht, op precies de plekken waar een gas zelf zou uitzenden.

    Naar de les over Fotonen, spectra en energieniveaus

  24. ntc

    Een weerstand die bij een hogere temperatuur een lagere waarde heeft. Je gebruikt hem als temperatuursensor.

    Naar de les over Sensoren en spanningsdelers

  25. stroommeter

    Een meter die je in serie opneemt om de stroomsterkte te meten. Hij heeft zelf een heel kleine weerstand.

    Naar de les over De juiste meting kiezen

  26. intensiteit

    Het geluidsvermogen per vierkante meter, in watt per vierkante meter. Twee keer zo ver weg geeft vier keer zo weinig intensiteit.

    Naar de les over Geluidsniveau en intensiteit

  27. zwaartekracht

    De kracht waarmee de aarde aan een voorwerp trekt. Je rekent hem uit met de massa keer de valversnelling.

    Naar de les over Krachten en de tweede wet van Newton

  28. lorentzfactor

    De factor waarmee tijd langer en lengte korter wordt bij hoge snelheid. Bij alledaagse snelheden is hij vrijwel een.

    Naar de les over Tijd en lengte bij hoge snelheid

  29. massa

    Hoeveel stof er in een voorwerp zit, in kilogram. Hij verandert niet als je ergens anders bent, in tegenstelling tot het gewicht.

    Naar de les over Krachten en de tweede wet van Newton

  30. momentenwet

    Bij evenwicht is de som van de momenten linksom gelijk aan de som rechtsom, gerekend om hetzelfde draaipunt.

    Naar de les over Biofysica van het lichaam

  31. watt

    De eenheid van vermogen, met symbool W. Een apparaat van 1000 watt gebruikt duizend joule per seconde.

    Naar de les over Schakelingen en de inwendige weerstand

  32. Hertzsprung-Russelldiagram

    Een diagram met sterren uitgezet naar temperatuur en lichtkracht. De positie verraadt het type ster.

    Naar de les over Sterren meten met licht

  33. versnelling

    Hoeveel de snelheid per seconde verandert, in meter per seconde per seconde. Bij afremmen is hij negatief.

    Naar de les over Krachten en de tweede wet van Newton

  34. knoop

    Een punt in een staande golf dat niet beweegt. Aan een vast uiteinde zit altijd een knoop.

    Naar de les over Staande golven en eigentonen

  35. uittree-energie

    De energie die minstens nodig is om een elektron uit een metaal los te maken. Wat er van het foton overblijft wordt kinetische energie.

    Naar de les over Golf of deeltje

  36. equivalente dosis

    De geabsorbeerde dosis keer een weegfactor voor de soort straling, in sievert. Die factor is voor alfastraling veel hoger dan voor gammastraling.

    Naar de les over Dosis en stralingsbescherming

  37. elektronvolt

    Een eenheid van energie die handig is bij fotonen en deeltjes. Het is de energie die een elektron krijgt bij een spanningsverschil van een volt.

    Naar de les over Fotonen, spectra en energieniveaus

  38. vermogen

    Het aantal joule per seconde, in watt. Je rekent het uit met de energie gedeeld door de tijd.

    Naar de les over Schakelingen en de inwendige weerstand

  39. onafhankelijke variabele

    De grootheid die je in een proef zelf verandert. Die zet je horizontaal in de grafiek.

    Naar de les over Van vraag naar meetopzet

  40. joule

    De eenheid van energie en van arbeid, met symbool J. Een kilowattuur is 3,6 miljoen joule.

    Naar de les over Arbeid, energie en behoud

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 144 begrippen.

2 onderwerpen
8 onderwerpen
5 onderwerpen
3 onderwerpen
1 onderwerp
4 onderwerpen
2 onderwerpen
1 onderwerp
2 onderwerpen
1 onderwerp
5 onderwerpen
Begin opnieuw