Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
40 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
tijdstap
De kleine stap waarin een numeriek model rekent. Binnen een stap doe je alsof de kracht constant is, dus kleiner is nauwkeuriger.
-
normaalkracht
De kracht waarmee een oppervlak terugduwt, altijd loodrecht op dat oppervlak.
-
model
Een vereenvoudiging van de werkelijkheid waar je aan kunt rekenen. Hij rust op aannames en is alleen daarbinnen bruikbaar.
-
ioniserende straling
Straling met genoeg energie om elektronen uit atomen te slaan. Daardoor kan hij cellen beschadigen.
-
grootheid
Iets dat je kunt meten, zoals lengte, tijd of kracht. Bij elke grootheid horen een symbool en een eenheid.
-
atoomnummer
Het aantal protonen in een kern. Het staat linksonder bij het symbool en bepaalt welk element het is.
-
achtergrondstraling
De straling die er altijd is, uit de bodem, de lucht en het heelal. Elke meting van een bron moet je daarvoor corrigeren.
-
moment
De kracht keer de arm ten opzichte van een draaipunt, in newtonmeter. Gaat de werklijn door het draaipunt, dan is het moment nul.
-
eenheid
Waarin je een grootheid uitdrukt, zoals meter, seconde of newton. Een antwoord zonder eenheid is op een examen niet goed.
-
amplitude
De grootste uitwijking vanuit de evenwichtsstand. Bij geluid hoor je een grotere amplitude als harder.
-
hefboom
Een stijf voorwerp dat om een draaipunt kan draaien. In het lichaam zijn de botten de hefbomen en de spieren de krachten.
-
buik
Een punt in een staande golf met de grootste uitwijking. Aan een open uiteinde zit een buik.
-
soortelijke warmte
De energie die nodig is om één kilogram van een stof één graad warmer te maken. Water heeft een hoge soortelijke warmte.
-
vervangingsweerstand
De ene weerstand die hetzelfde doet als een hele schakeling. In serie tel je de weerstanden op, parallel wordt hij kleiner dan de kleinste.
-
antwoordzin
De laatste regel van je uitwerking, waarin de gevraagde grootheid, het getal en de eenheid staan. Daarmee is je antwoord pas af.
-
spanningsmeter
Een meter die je parallel aansluit om de spanning over een onderdeel te meten. Hij heeft zelf een heel grote weerstand.
-
arm
De kortste afstand van het draaipunt tot de werklijn van een kracht, loodrecht gemeten. Niet de afstand tot het aangrijpingspunt.
-
boventoon
Een hogere toon die ook in dezelfde snaar of buis past, met er een halve golflengte bij. De eerste boventoon van een snaar heeft de dubbele frequentie van de grondtoon.
-
akoestische impedantie
Een eigenschap van weefsel die bepaalt hoeveel geluid er op een grens terugkaatst. Een groot verschil geeft een sterke echo.
-
meetonzekerheid
De marge waarbinnen de echte waarde ligt. Je schrijft die bij je meting, want zonder marge zegt een meetwaarde te veel.
-
macht van tien
Een getal geschreven als een getal tussen 1 en 10 keer een macht van tien. Daarmee blijven heel grote en heel kleine getallen leesbaar.
-
helling
De steilheid van een grafiek, uitgerekend als het verschil verticaal gedeeld door het verschil horizontaal. Welke grootheid eruit komt hangt af van wat er op de assen staat.
-
absorptiespectrum
Donkere lijnen in doorvallend wit licht, op precies de plekken waar een gas zelf zou uitzenden.
-
ntc
Een weerstand die bij een hogere temperatuur een lagere waarde heeft. Je gebruikt hem als temperatuursensor.
-
stroommeter
Een meter die je in serie opneemt om de stroomsterkte te meten. Hij heeft zelf een heel kleine weerstand.
-
intensiteit
Het geluidsvermogen per vierkante meter, in watt per vierkante meter. Twee keer zo ver weg geeft vier keer zo weinig intensiteit.
-
zwaartekracht
De kracht waarmee de aarde aan een voorwerp trekt. Je rekent hem uit met de massa keer de valversnelling.
-
lorentzfactor
De factor waarmee tijd langer en lengte korter wordt bij hoge snelheid. Bij alledaagse snelheden is hij vrijwel een.
-
massa
Hoeveel stof er in een voorwerp zit, in kilogram. Hij verandert niet als je ergens anders bent, in tegenstelling tot het gewicht.
-
momentenwet
Bij evenwicht is de som van de momenten linksom gelijk aan de som rechtsom, gerekend om hetzelfde draaipunt.
-
watt
De eenheid van vermogen, met symbool W. Een apparaat van 1000 watt gebruikt duizend joule per seconde.
-
Hertzsprung-Russelldiagram
Een diagram met sterren uitgezet naar temperatuur en lichtkracht. De positie verraadt het type ster.
-
versnelling
Hoeveel de snelheid per seconde verandert, in meter per seconde per seconde. Bij afremmen is hij negatief.
-
knoop
Een punt in een staande golf dat niet beweegt. Aan een vast uiteinde zit altijd een knoop.
-
uittree-energie
De energie die minstens nodig is om een elektron uit een metaal los te maken. Wat er van het foton overblijft wordt kinetische energie.
-
equivalente dosis
De geabsorbeerde dosis keer een weegfactor voor de soort straling, in sievert. Die factor is voor alfastraling veel hoger dan voor gammastraling.
-
elektronvolt
Een eenheid van energie die handig is bij fotonen en deeltjes. Het is de energie die een elektron krijgt bij een spanningsverschil van een volt.
-
vermogen
Het aantal joule per seconde, in watt. Je rekent het uit met de energie gedeeld door de tijd.
-
onafhankelijke variabele
De grootheid die je in een proef zelf verandert. Die zet je horizontaal in de grafiek.
-
joule
De eenheid van energie en van arbeid, met symbool J. Een kilowattuur is 3,6 miljoen joule.