Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
130 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
hydrofiel
Letterlijk: waterminnend. Een hydrofiel deel van een molecuul trekt water aan, omdat het polair is of een lading heeft. Zeep werkt doordat een zeepmolecuul een hydrofiel en een hydrofoob uiteinde heeft.
-
atoom
Het kleinste deeltje van een element dat nog dat element is. In het midden zit de kern met protonen en neutronen, daarbuiten bewegen de elektronen. Bij een chemische reactie gaat een atoom nooit stuk: hij komt alleen op een andere plek terecht.
-
base
Een stof die in water waterstofionen opneemt of hydroxide-ionen afstaat, zoals ammonia en natronlucht. Een basische oplossing heeft een pH boven 7.
-
groene chemie
Een manier van ontwerpen waarbij je afval voorkomt in plaats van opruimt: minder oplosmiddel, mildere omstandigheden, een betere atoomeconomie en hernieuwbare grondstoffen.
-
macroniveau
Het niveau van wat je kunt zien, ruiken en meten: een stof is wit, lost op, kookt bij een bepaalde temperatuur. In een examenvraag begin je hier vaak, en leg je het daarna uit op microniveau.
-
overmaat
De stof die er meer is dan nodig en die dus niet opraakt. De andere stof bepaalt hoeveel product je krijgt; die heet de stof in ondermaat of de beperkende stof. Reken altijd met de stof in ondermaat.
-
onvolledige verbranding
Verbranding met te weinig zuurstof. Er ontstaan dan ook koolstofmono-oxide en roet, er komt minder energie vrij, en CO is gevaarlijk omdat je het niet ruikt.
-
exotherm
Een proces dat warmte afstaat aan de omgeving, zoals verbranden. De omgeving wordt warmer en de producten bevatten minder chemische energie dan de beginstoffen.
-
enzym
Een eiwit dat in een organisme als katalysator werkt. Een enzym past maar op een bepaalde stof, en bij te hoge temperatuur verliest hij door denaturatie zijn vorm en daarmee zijn werking.
-
concentratie
Hoeveel stof er in een hoeveelheid oplossing zit, meestal in mol per liter. Let op het verschil tussen de hoeveelheid stof en de concentratie: een halve liter van een sterke oplossing kan minder stof bevatten dan een emmer van een zwakke.
-
filtreren
Scheiden op deeltjesgrootte: de vaste stof blijft op het filter liggen en de vloeistof loopt erdoor. Werkt alleen als de stof niet is opgelost.
-
recirculatie
Een stroom die je terugvoert naar een eerdere stap, bijvoorbeeld de beginstof die nog niet gereageerd heeft. Zo gaat er minder grondstof verloren en stijgt het rendement van de hele fabriek.
-
amine
Een stof met een NH2-groep aan een koolstofketen. Amines zijn zwakke basen en zijn de bouwsteen van veel medicijnen.
-
hydrofoob
Letterlijk: watervrezend. Een hydrofoob deel van een molecuul mijdt water en zoekt vet op. Een lange koolstofstaart is hydrofoob.
-
bezinken
Scheiden op dichtheid: de zwaardere deeltjes zakken naar de bodem en je giet de vloeistof eraf. Een centrifuge versnelt hetzelfde.
-
katalysator
Een stof die een reactie versnelt door de activeringsenergie te verlagen, en die er zelf na de reactie nog is. Een katalysator verandert niets aan hoeveel product je uiteindelijk kunt krijgen.
-
beginstof
Een stof die je in een reactie stopt en die tijdens de reactie opraakt. Beginstoffen staan links van de pijl. Een ander woord is reactant.
-
reactievergelijking
De afkorting van een reactie: links de beginstoffen, rechts de reactieproducten, met een pijl ertussen. De fasen zet je erachter tussen haakjes, bijvoorbeeld (s), (l), (g) of (aq).
-
molverhouding
De verhouding waarin stoffen reageren, af te lezen uit de coëfficiënten van de reactievergelijking. Dit is de brug van de ene stof naar de andere: eerst naar mol, dan via de molverhouding, dan terug naar gram.
-
vaktaal
De woorden en symbolen waarmee je in de chemie precies kunt zijn: deeltjessoort, fase, binding, formule. Een antwoord in gewone woorden kan kloppen en toch te vaag zijn voor de punten.
-
mengsel
Twee of meer stoffen door elkaar, waarbij elke stof zijn eigen eigenschappen houdt. Daarom kun je een mengsel scheiden met een fysisch proces en een verbinding niet.
-
programma van eisen
De meetbare eisen die je vooraf aan een opstelling of een proces stelt. Zonder die eisen is achteraf niet te zeggen of het ontwerp werkt.
-
isomeren
Stoffen met dezelfde molecuulformule maar een andere structuurformule. Ze hebben daardoor andere eigenschappen, bijvoorbeeld een ander kookpunt.
-
biomassa
Grondstof uit levend of recent levend materiaal, zoals hout, mais of afval uit de landbouw. De koolstof erin komt uit de lucht, dus bij verbranden gaat hij terug naar waar hij vandaan kwam.
-
massagetal
Het aantal protonen plus neutronen in de kern. Twee atomen van hetzelfde element met een verschillend massagetal heten isotopen: ze reageren gelijk, maar wegen niet hetzelfde.
-
chemisch evenwicht
De toestand waarin de reactie naar rechts en de reactie naar links even snel gaan. Er gebeurt nog steeds iets, maar de hoeveelheden veranderen niet meer. Je schrijft er twee halve pijlen bij.
-
warmtewisselaar
Een apparaat waarin een warme stroom zijn warmte afgeeft aan een koude stroom, zonder dat ze mengen. Hiermee gebruikt een fabriek zijn eigen warmte opnieuw en bespaart hij brandstof.
-
energiediagram
Een tekening met de energie van de beginstoffen, de top ertussen en de energie van de producten. Je leest er af of de reactie exotherm of endotherm is, en hoe hoog de drempel is.
-
kookpunt
De temperatuur waarbij een vloeistof overgaat in gas. Het kookpunt zegt iets over de aantrekking tussen de moleculen, niet over de sterkte van de bindingen binnen een molecuul.
-
composiet
Een materiaal dat uit twee materialen bestaat die elkaar aanvullen, bijvoorbeeld sterke vezels in een kunststof. Samen zijn ze sterker of lichter dan elk apart.
-
volledige verbranding
Verbranding met genoeg zuurstof. Bij een koolwaterstof ontstaan dan alleen CO2 en H2O, en komt alle energie vrij.
-
verdelingsgraad
Hoe fijn een vaste stof verdeeld is. Poeder reageert sneller dan een blok, omdat het contactoppervlak groter is en er dus meer botsingen per seconde zijn.
-
rendement
Hoeveel product je echt krijgt, gedeeld door hoeveel je volgens de berekening zou kunnen krijgen, maal honderd procent. Een rendement onder honderd procent betekent niet dat er atomen verdwenen zijn, maar dat ze ergens anders terecht zijn gekomen.
-
verbinding
Een stof waarin twee of meer soorten atomen aan elkaar vast zitten, zoals water of keukenzout. Een verbinding heeft eigen eigenschappen, en niet die van de elementen waaruit hij is opgebouwd.
-
atoomnummer
Het aantal protonen in de kern. Dat getal bepaalt welk element het is: zes protonen is altijd koolstof. Je leest het af in het periodiek systeem.
-
hydrolyse
Het omgekeerde van een condensatiereactie: met water valt een groot molecuul weer uiteen in zijn delen. In je darmen wordt zetmeel zo tot glucose afgebroken.
-
vanderwaalsbinding
De zwakke aantrekking tussen moleculen onderling. Hoe groter het molecuul, hoe sterker die aantrekking, en hoe hoger dus het kookpunt. Dit is een binding tussen moleculen, geen binding binnen een molecuul.
-
onafhankelijke variabele
Wat jij in een onderzoek zelf instelt of verandert, bijvoorbeeld de temperatuur. De afhankelijke variabele is wat je daarna meet, en al het andere houd je gelijk.
-
dichtheid
De massa per volume-eenheid, bijvoorbeeld in gram per cm3. Met de dichtheid reken je van een volume naar een massa, en dat heb je nodig voordat je naar mol kunt.
-
verdunnen
Oplosmiddel toevoegen zonder opgeloste stof toe te voegen. Het aantal mol blijft gelijk, het volume wordt groter, dus de concentratie wordt kleiner.
-
atoommodel
De voorstelling van een atoom die we op dit moment gebruiken. Hij is in tweehonderd jaar een paar keer aangepast, telkens omdat een waarneming niet in het oude model paste.
-
structuurformule
Een tekening die laat zien welk atoom aan welk atoom vast zit. Twee stoffen met dezelfde molecuulformule kunnen een andere structuurformule hebben, en dan zijn het andere stoffen.
-
evenwicht verschuiven
Een evenwicht reageert op een verandering door de kant op te gaan die de verandering deels opheft. Meer beginstof, een lagere temperatuur bij een exotherme reactie of een hogere druk bij minder gasdeeltjes rechts: allemaal duwen ze het evenwicht naar rechts.
-
circulaire economie
Een economie waarin materialen na gebruik weer grondstof worden, in plaats van afval. Hergebruik van het hele product gaat voor; recyclen van het materiaal is pas de stap daarna.
-
toevallige fout
Een fout die de ene keer te hoog en de andere keer te laag uitvalt, bijvoorbeeld door aflezen. Hier helpt vaker meten en het gemiddelde nemen.
-
reactiewarmte
De hoeveelheid energie die bij een reactie vrijkomt of nodig is. Bij een exotherme reactie is die negatief, bij een endotherme positief.
-
significante cijfers
De cijfers in een uitkomst die echt iets zeggen over hoe nauwkeurig je gemeten hebt. Bij vermenigvuldigen en delen houd je er zo veel over als de minst nauwkeurige meting had, dus niet alles wat de rekenmachine toont.
-
chromatografie
Scheiden op een verschil in aanhechting en meelopen, bijvoorbeeld op papier. De stof die zich het minst vastgrijpt komt het verst mee, en zo zie je hoeveel stoffen er in een mengsel zitten.
-
ionbinding
De aantrekking tussen positieve en negatieve ionen in een zout. Omdat die aantrekking alle kanten op werkt, ontstaat er een ionrooster en is het smeltpunt hoog.
-
vet
Een ester van glycerol en drie vetzuren. Vet is apolair, lost dus niet op in water, en levert per gram meer energie dan koolhydraat.
-
condensatiereactie
Een reactie waarbij twee moleculen aan elkaar gaan en er een klein molecuul vrijkomt, meestal water. Zo ontstaan esters, eiwitten en nylon.
-
emissie
Wat een proces uitstoot naar lucht, water of bodem. Voor emissies gelden wettelijke eisen, en die bepalen mede hoe een fabriek ontworpen wordt.
-
koolwaterstof
Een stof die alleen uit koolstof en waterstof bestaat, zoals methaan en octaan. Koolwaterstoffen zijn apolair en branden goed; aardgas, benzine en diesel bestaan eruit.
-
chemische reactie
Een proces waarbij stoffen verdwijnen en er andere stoffen ontstaan. Je ziet het aan een nieuwe kleur, een gas, een neerslag of een temperatuurverandering, en je herkent het eraan dat de nieuwe stof andere eigenschappen heeft.
-
aflopende reactie
Een reactie die doorgaat tot een van de beginstoffen op is. Dat gebeurt bijvoorbeeld als een product als gas ontsnapt of neerslaat, zodat het niet kan terugreageren.
-
stookwaarde
De energie die vrijkomt bij het verbranden van een hoeveelheid brandstof, bijvoorbeeld in joule per gram. Je zoekt hem op en gebruikt hem om brandstoffen eerlijk te vergelijken.
-
endotherm
Een proces dat warmte opneemt uit de omgeving. De omgeving wordt kouder; zonder warmte van buiten stopt het proces.
-
kloppend maken
Zorgen dat er links en rechts van de pijl van elk element evenveel atomen staan, door coëfficiënten voor de formules te zetten. De formules zelf mag je nooit veranderen; dan maak je er een andere stof van.
-
faseovergang
De overgang tussen vast, vloeibaar en gas, zoals smelten, koken en condenseren. Er verandert geen stof, alleen de manier waarop de deeltjes bij elkaar liggen. Het is dus een fysisch proces.
-
functionele groep
Een groepje atomen in een molecuul dat de eigenschappen en de reacties van de stof bepaalt, zoals de OH-groep van een alcohol. De rest van het molecuul doet veel minder.
-
leerdoel
In één zin wat je nog niet kunt, bijvoorbeeld: ik vergeet de molverhouding. Dat is bruikbaarder dan de constatering dat iets fout ging.
-
verhoudingsformule
De formule van een zout of een metaal: de kleinste hele verhouding waarin de ionen voorkomen, zoals NaCl of CaCl2. Er bestaat geen los NaCl-molecuul.
-
model
Een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid, bedoeld om iets te kunnen uitleggen of voorspellen. Elk model laat dingen weg, dus je kiest het model bij de vraag die je hebt.
-
batchproces
Een proces per portie: vullen, laten reageren, legen, schoonmaken. Handig voor kleine hoeveelheden en wisselende producten, zoals medicijnen.
-
continu proces
Een proces waarbij er altijd stof in gaat en uit komt, zonder te stoppen. Geschikt voor grote hoeveelheden van hetzelfde product, zoals in een raffinaderij.
-
koolhydraat
Een groep stoffen met veel OH-groepen, zoals glucose, zetmeel en cellulose. Je lichaam breekt zetmeel met water af tot glucose en haalt daar energie uit.
-
alcohol
Een stof met een OH-groep aan een koolstofketen. Die groep is polair, dus een kleine alcohol lost goed op in water en kookt hoger dan een koolwaterstof van dezelfde grootte.
-
microniveau
Het niveau van de deeltjes: atomen, ionen en moleculen, en de bindingen ertussen. Een uitleg is pas compleet als je van macroniveau naar microniveau gaat.
-
smeltpunt
De temperatuur waarbij een vaste stof vloeibaar wordt. Sterke bindingen tussen de deeltjes betekenen een hoog smeltpunt; daarom smelt zout veel moeilijker dan ijs.
-
conserveren
Bederf tegengaan door de reacties en de bacteriën te vertragen: koelen, drogen, zuur maken, zout toevoegen of de zuurstof weghalen. Het is altijd een manier om de reactiesnelheid te verlagen.
-
polymeer
Een heel lang molecuul dat is opgebouwd uit veel kleine, steeds terugkerende stukken. Plastic, eiwit en zetmeel zijn polymeren.
-
scheidingsmethode
Een manier om stoffen in een mengsel van elkaar te halen, door een eigenschap te gebruiken waarin ze verschillen. Je kiest de methode bij het verschil: kookpunt, deeltjesgrootte, oplosbaarheid of aanhechting.
-
molecuul
Een groepje atomen dat met atoombindingen aan elkaar vast zit en samen een deeltje vormt, zoals H2O of CO2. Moleculen zijn het deeltje waar je aan denkt bij een moleculaire stof.
-
polaire stof
Een stof waarvan de moleculen een plus- en een minkant hebben, doordat de lading niet gelijk verdeeld is. Polaire stoffen lossen goed op in water, dat zelf ook polair is.
-
broeikasgas
Een gas dat warmte in de atmosfeer vasthoudt, zoals CO2 en methaan. Daarom telt bij een proces niet alleen hoeveel energie het kost, maar ook welk gas erbij vrijkomt.
-
waterstofbrug
Een extra sterke aantrekking tussen moleculen, als een waterstofatoom vast zit aan zuurstof, stikstof of fluor. Water kookt hierdoor bij 100 graden in plaats van ruim onder nul.
-
molecular modelling
Een molecuul of een reactiestap op de computer narekenen, bijvoorbeeld om te zien hoe hoog de energie van een tussenproduct ligt. Daarmee kies je tussen routes zonder ze allemaal uit te voeren.
-
ester
De stof die ontstaat als een alcohol en een carbonzuur met elkaar reageren, waarbij water vrijkomt. Esters ruiken vaak naar fruit en zitten in aroma, geurstof en vet.
-
botsende deeltjes
Het model waarmee je reactiesnelheid uitlegt: deeltjes moeten elkaar raken, hard genoeg en op de goede manier. Elke manier om een reactie te versnellen zorgt voor meer of hardere botsingen.
-
toepassingsgericht onderzoek
Onderzoek dat begint bij een probleem uit de praktijk, bijvoorbeeld in de zorg of de voedselproductie, in plaats van bij nieuwsgierigheid alleen.
-
adsorberen
Scheiden op aanhechting: een stof blijft aan een oppervlak plakken, bijvoorbeeld aan actieve kool. Zo haal je kleur- en geurstoffen uit water.
-
atoombinding
De binding waarbij twee atomen een paar elektronen samen gebruiken. Dit is de binding binnen een molecuul, en die is sterk. Hij heet ook covalente binding.
-
bijproduct
Een stof die naast het gewenste product ontstaat en die nog bruikbaar is. Kun je er niets mee, dan is het afval, en dan kost het geld in plaats van dat het geld opbrengt.
-
fysisch proces
Een proces waarbij geen nieuwe stof ontstaat, zoals smelten, oplossen en verdampen. De moleculen blijven heel, ze gaan alleen anders liggen. Je kunt het daarom meestal makkelijk terugdraaien.
-
metaalbinding
De binding in een metaal: positieve metaalionen in een zee van elektronen die vrij kunnen bewegen. Daarom geleidt een metaal stroom en warmte, en kun je het buigen zonder dat het breekt.
-
gevarensymbool
Het ruitvormige teken op een verpakking dat zegt wat voor gevaar de stof oplevert. Daarbij staan H-zinnen over het gevaar en P-zinnen over wat je moet doen.
-
destilleren
Scheiden op kookpunt: je laat het mengsel koken en vangt de damp weer op als vloeistof. Zo haal je alcohol uit wijn en benzine uit aardolie.
-
legering
Een metaal waarin andere atomen zijn opgenomen, zoals staal of brons. De vreemde atomen maken het rooster onregelmatig, waardoor de legering harder is dan het zuivere metaal.
-
duurzaamheid
Of iets ook op lange termijn kan doorgaan zonder de aarde of mensen uit te putten. Je weegt altijd drie dingen tegen elkaar af: milieu, mensen en geld.
-
kringloop
De route die atomen steeds opnieuw afleggen door natuur, industrie en organismen, zoals de koolstofkringloop. Omdat atomen niet verdwijnen, komt elk atoom ergens terug.
-
oplosbaarheid
Hoeveel van een stof er maximaal in een hoeveelheid oplosmiddel kan oplossen. Je zoekt het op in een tabel; het hangt af van de temperatuur en van hoe polair de stoffen zijn.
-
wet van massabehoud
In een reactie blijft de totale massa gelijk, want er gaat geen atoom verloren. Daarom moet een reactievergelijking kloppen, en daarom weegt as plus rook samen net zo veel als het hout plus de zuurstof.
-
innovatie
Een nieuwe toepassing die ook echt in gebruik komt. Een vinding is pas een innovatie als er een probleem bij past en het op schaal te maken is.
-
carbonzuur
Een stof met een COOH-groep. Carbonzuren zijn zwakke zuren; azijnzuur in azijn en citroenzuur in fruit zijn carbonzuren.
-
reactieproduct
Een stof die bij de reactie ontstaat. Reactieproducten staan rechts van de pijl.
-
eiwit
Een polymeer van aminozuren, aan elkaar geregen met amidebindingen. De volgorde van de aminozuren bepaalt de vorm, en de vorm bepaalt wat het eiwit doet.
-
ion
Een atoom of groepje atomen met een lading, doordat er elektronen bij zijn gekomen of af zijn gegaan. Een positief ion heeft elektronen verloren, een negatief ion heeft ze gekregen.
-
denaturatie
Het verliezen van de vorm van een eiwit door warmte, zuur of zout, waardoor het niet meer werkt. Een ei dat hard wordt is gedenatureerd eiwit.
-
edelgasconfiguratie
Een volle buitenste elektronenschil, net als bij een edelgas. Atomen staan elektronen af, nemen ze op of delen ze om daar te komen; dat verklaart welke ionen en bindingen ontstaan.
-
extraheren
Scheiden op oplosbaarheid: je voegt een oplosmiddel toe waarin maar een van de stoffen oplost. Thee zetten is extraheren.
-
activeringsenergie
De energie die deeltjes minstens nodig hebben om te kunnen reageren: de top in het energiediagram. Ook een exotherme reactie heeft die drempel, en daarom brandt benzine niet van zichzelf.
-
reactiesnelheid
Hoe snel een reactie verloopt: hoeveel stof er per seconde verdwijnt of ontstaat. In een diagram lees je hem af als de steilheid van de lijn.
-
systematische fout
Een fout die elke meting dezelfde kant op duwt, bijvoorbeeld een weegschaal die altijd 2 gram te veel aangeeft. Meer metingen helpen hier niet; ijken wel.
-
amidebinding
De binding tussen een carbonzuurgroep en een aminegroep, met water als restproduct. Eiwitten en nylon zijn met amidebindingen aan elkaar geregen.
-
molaire massa
De massa van een mol van een stof, in gram per mol. Je rekent hem uit door de atoommassa van alle atomen in de formule bij elkaar op te tellen.
-
mesoniveau
Het niveau daartussenin: korrels, vezels, poriën en kristallen. Hiermee leg je uit waarom hetzelfde materiaal als poeder anders doet dan als blok.
-
beargumenteerd oordeel
Een oordeel waarbij je de feiten, de norm en je eigen afweging uit elkaar houdt en benoemt waarop je oordeel rust. Zonder die scheiding is het een mening.
-
grondstof
De stof waarmee een fabriek begint en die in het product terechtkomt. Een hulpstof doet mee aan het proces maar zit niet in het product, zoals een oplosmiddel of een katalysator.
-
pH
Een maat voor hoe zuur een oplossing is. Elke stap van 1 betekent een factor 10: pH 3 is tien keer zo zuur als pH 4. Bij pH 7 is de oplossing neutraal.
-
atoomeconomie
Welk deel van de massa van je beginstoffen ook echt in het gewenste product terechtkomt. Een reactie kan een mooi rendement hebben en toch een slechte atoomeconomie, als er veel bijproduct ontstaat.
-
zuivere stof
Een stof die uit maar een soort moleculen of een soort bouwstenen bestaat. Een zuivere stof heeft een scherp smeltpunt en kookpunt, een mengsel niet.
-
onderzoeksvraag
Een vraag die meetbaar is: met een grootheid, een eenheid en een afgebakende situatie. Zonder die drie valt er geen conclusie uit te trekken.
-
periodiek systeem
De tabel waarin alle elementen op atoomnummer staan. Elementen in dezelfde kolom gedragen zich hetzelfde, omdat ze evenveel elektronen in de buitenste schil hebben.
-
mol
Een afgesproken aantal deeltjes: 6,02 keer tien tot de macht 23. Met mol reken je van deeltjes naar grammen en terug, want een reactievergelijking geeft een verhouding in deeltjes en je weegt in grammen.
-
neutralisatie
De reactie van een zuur met een base, waarbij water ontstaat en de oplossing naar pH 7 beweegt. Hiermee maak je zuur afvalwater of een zure maag minder zuur.
-
ketenanalyse
Een analyse van alle stappen van grondstof tot afval, met per stap de stoffen, de energie en de uitstoot. Hiermee zie je waar de winst echt te halen is, en niet alleen in de fabriek zelf.
-
zuur
Een stof die in water waterstofionen afstaat, zoals zoutzuur en azijnzuur. Een zure oplossing heeft een pH onder 7.
-
molecuulformule
De formule die zegt hoeveel atomen van elke soort er in een molecuul zitten, zoals C6H12O6. Hij zegt niets over hoe die atomen aan elkaar vast zitten.
-
monomeer
Het kleine molecuul waaruit een polymeer wordt opgebouwd. Etheen is het monomeer van polyetheen.
-
risico
De kans dat iets misgaat maal de ernst van het gevolg. Een klein risico kan dus toch veel aandacht vragen, als het gevolg heel groot is.
-
grenswaarde
De hoogste concentratie van een stof in de lucht waar iemand nog veilig aan blootgesteld mag worden. Een stof is dus niet gevaarlijk of veilig: het gaat om de hoeveelheid en de tijd.
-
bronkritiek
Nagaan wie een bron gemaakt heeft, waarop die berust en of hij bij jouw vraag past. Een meting met een beschreven methode weegt zwaarder dan een uitspraak zonder cijfers.
-
systeem
Het stuk werkelijkheid binnen een grens die jij kiest, met stromen die erin en eruit gaan. Welke grens je kiest, bepaalt je antwoord over massa en energie.
-
blanco meting
Een meting zonder de stof die je onderzoekt, met al het andere hetzelfde. Zo weet je wat de opstelling zelf al geeft, en kun je dat van je uitkomst aftrekken.
-
context
De situatie waarin een vraag is verpakt: een fabriek, een ziekenhuis, een meer. Je haalt er het chemische concept uit, rekent daarmee, en vertaalt je antwoord terug.
-
indicator
Een stof die van kleur verandert bij een bepaalde pH, zoals lakmoes. Je gebruikt hem om te zien of een oplossing zuur of basisch is.
-
opschalen
Hetzelfde proces veel groter uitvoeren. Dat gaat niet simpelweg maal duizend: warmte afvoeren, mengen en veiligheid worden bij een groot vat ineens het grootste probleem.
-
blokschema
Een schema van een fabriek met per blok een stap, en pijlen voor de stromen ertussen. Je leest eraan af waar stoffen in gaan, waar ze teruggaan en waar ze de fabriek verlaten.
-
element
Een stof die uit maar een soort atomen bestaat, zoals ijzer of zuurstof. Een element kun je met een chemische reactie niet verder opdelen.
-
apolaire stof
Een stof waarvan de moleculen geen plus- en minkant hebben, zoals benzine en olie. Apolaire stoffen lossen in elkaar op, maar niet in water. Vandaar: gelijksoortige stoffen lossen in elkaar op.