Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

130 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. hydrofiel

    Letterlijk: waterminnend. Een hydrofiel deel van een molecuul trekt water aan, omdat het polair is of een lading heeft. Zeep werkt doordat een zeepmolecuul een hydrofiel en een hydrofoob uiteinde heeft.

    Naar de les over Functionele groepen herkennen

  2. atoom

    Het kleinste deeltje van een element dat nog dat element is. In het midden zit de kern met protonen en neutronen, daarbuiten bewegen de elektronen. Bij een chemische reactie gaat een atoom nooit stuk: hij komt alleen op een andere plek terecht.

    Naar de les over Hoe het atoommodel veranderde

  3. base

    Een stof die in water waterstofionen opneemt of hydroxide-ionen afstaat, zoals ammonia en natronlucht. Een basische oplossing heeft een pH boven 7.

    Naar de les over Zuren en basen herkennen

  4. groene chemie

    Een manier van ontwerpen waarbij je afval voorkomt in plaats van opruimt: minder oplosmiddel, mildere omstandigheden, een betere atoomeconomie en hernieuwbare grondstoffen.

    Naar de les over Groene chemie

  5. macroniveau

    Het niveau van wat je kunt zien, ruiken en meten: een stof is wit, lost op, kookt bij een bepaalde temperatuur. In een examenvraag begin je hier vaak, en leg je het daarna uit op microniveau.

    Naar de les over Drie schaalniveaus

  6. overmaat

    De stof die er meer is dan nodig en die dus niet opraakt. De andere stof bepaalt hoeveel product je krijgt; die heet de stof in ondermaat of de beperkende stof. Reken altijd met de stof in ondermaat.

    Naar de les over rekenen-met-een-reactievergelijking

  7. onvolledige verbranding

    Verbranding met te weinig zuurstof. Er ontstaan dan ook koolstofmono-oxide en roet, er komt minder energie vrij, en CO is gevaarlijk omdat je het niet ruikt.

    Naar de les over volledig-en-onvolledig-verbranden

  8. exotherm

    Een proces dat warmte afstaat aan de omgeving, zoals verbranden. De omgeving wordt warmer en de producten bevatten minder chemische energie dan de beginstoffen.

    Naar de les over Endotherm of exotherm

  9. enzym

    Een eiwit dat in een organisme als katalysator werkt. Een enzym past maar op een bepaalde stof, en bij te hoge temperatuur verliest hij door denaturatie zijn vorm en daarmee zijn werking.

    Naar de les over De chemie in je lichaam

  10. concentratie

    Hoeveel stof er in een hoeveelheid oplossing zit, meestal in mol per liter. Let op het verschil tussen de hoeveelheid stof en de concentratie: een halve liter van een sterke oplossing kan minder stof bevatten dan een emmer van een zwakke.

    Naar de les over Rekenen aan oplossingen

  11. filtreren

    Scheiden op deeltjesgrootte: de vaste stof blijft op het filter liggen en de vloeistof loopt erdoor. Werkt alleen als de stof niet is opgelost.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  12. recirculatie

    Een stroom die je terugvoert naar een eerdere stap, bijvoorbeeld de beginstof die nog niet gereageerd heeft. Zo gaat er minder grondstof verloren en stijgt het rendement van de hele fabriek.

    Naar de les over Warmte terugwinnen

  13. amine

    Een stof met een NH2-groep aan een koolstofketen. Amines zijn zwakke basen en zijn de bouwsteen van veel medicijnen.

    Naar de les over Functionele groepen herkennen

  14. hydrofoob

    Letterlijk: watervrezend. Een hydrofoob deel van een molecuul mijdt water en zoekt vet op. Een lange koolstofstaart is hydrofoob.

    Naar de les over Functionele groepen herkennen

  15. bezinken

    Scheiden op dichtheid: de zwaardere deeltjes zakken naar de bodem en je giet de vloeistof eraf. Een centrifuge versnelt hetzelfde.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  16. katalysator

    Een stof die een reactie versnelt door de activeringsenergie te verlagen, en die er zelf na de reactie nog is. Een katalysator verandert niets aan hoeveel product je uiteindelijk kunt krijgen.

    Naar de les over Reactiesnelheid beïnvloeden

  17. beginstof

    Een stof die je in een reactie stopt en die tijdens de reactie opraakt. Beginstoffen staan links van de pijl. Een ander woord is reactant.

    Naar de les over Reactie of fysisch proces?

  18. reactievergelijking

    De afkorting van een reactie: links de beginstoffen, rechts de reactieproducten, met een pijl ertussen. De fasen zet je erachter tussen haakjes, bijvoorbeeld (s), (l), (g) of (aq).

    Naar de les over Reactievergelijkingen kloppend maken

  19. molverhouding

    De verhouding waarin stoffen reageren, af te lezen uit de coëfficiënten van de reactievergelijking. Dit is de brug van de ene stof naar de andere: eerst naar mol, dan via de molverhouding, dan terug naar gram.

    Naar de les over rekenen-met-een-reactievergelijking

  20. vaktaal

    De woorden en symbolen waarmee je in de chemie precies kunt zijn: deeltjessoort, fase, binding, formule. Een antwoord in gewone woorden kan kloppen en toch te vaag zijn voor de punten.

    Naar de les over Uitleggen zonder vaktaal

  21. mengsel

    Twee of meer stoffen door elkaar, waarbij elke stof zijn eigen eigenschappen houdt. Daarom kun je een mengsel scheiden met een fysisch proces en een verbinding niet.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  22. programma van eisen

    De meetbare eisen die je vooraf aan een opstelling of een proces stelt. Zonder die eisen is achteraf niet te zeggen of het ontwerp werkt.

    Naar de les over Een opstelling ontwerpen

  23. isomeren

    Stoffen met dezelfde molecuulformule maar een andere structuurformule. Ze hebben daardoor andere eigenschappen, bijvoorbeeld een ander kookpunt.

    Naar de les over Structuur bepaalt functie

  24. biomassa

    Grondstof uit levend of recent levend materiaal, zoals hout, mais of afval uit de landbouw. De koolstof erin komt uit de lucht, dus bij verbranden gaat hij terug naar waar hij vandaan kwam.

    Naar de les over Atomen gaan rond

  25. massagetal

    Het aantal protonen plus neutronen in de kern. Twee atomen van hetzelfde element met een verschillend massagetal heten isotopen: ze reageren gelijk, maar wegen niet hetzelfde.

    Naar de les over Namen en formules

  26. chemisch evenwicht

    De toestand waarin de reactie naar rechts en de reactie naar links even snel gaan. Er gebeurt nog steeds iets, maar de hoeveelheden veranderen niet meer. Je schrijft er twee halve pijlen bij.

    Naar de les over Evenwicht verschuiven

  27. warmtewisselaar

    Een apparaat waarin een warme stroom zijn warmte afgeeft aan een koude stroom, zonder dat ze mengen. Hiermee gebruikt een fabriek zijn eigen warmte opnieuw en bespaart hij brandstof.

    Naar de les over Warmte terugwinnen

  28. energiediagram

    Een tekening met de energie van de beginstoffen, de top ertussen en de energie van de producten. Je leest er af of de reactie exotherm of endotherm is, en hoe hoog de drempel is.

    Naar de les over Endotherm of exotherm

  29. kookpunt

    De temperatuur waarbij een vloeistof overgaat in gas. Het kookpunt zegt iets over de aantrekking tussen de moleculen, niet over de sterkte van de bindingen binnen een molecuul.

    Naar de les over Waarom water zo hoog kookt

  30. composiet

    Een materiaal dat uit twee materialen bestaat die elkaar aanvullen, bijvoorbeeld sterke vezels in een kunststof. Samen zijn ze sterker of lichter dan elk apart.

    Naar de les over Van eigenschap naar toepassing

  31. volledige verbranding

    Verbranding met genoeg zuurstof. Bij een koolwaterstof ontstaan dan alleen CO2 en H2O, en komt alle energie vrij.

    Naar de les over volledig-en-onvolledig-verbranden

  32. verdelingsgraad

    Hoe fijn een vaste stof verdeeld is. Poeder reageert sneller dan een blok, omdat het contactoppervlak groter is en er dus meer botsingen per seconde zijn.

    Naar de les over Reactiesnelheid beïnvloeden

  33. rendement

    Hoeveel product je echt krijgt, gedeeld door hoeveel je volgens de berekening zou kunnen krijgen, maal honderd procent. Een rendement onder honderd procent betekent niet dat er atomen verdwenen zijn, maar dat ze ergens anders terecht zijn gekomen.

    Naar de les over rendement-berekenen

  34. verbinding

    Een stof waarin twee of meer soorten atomen aan elkaar vast zitten, zoals water of keukenzout. Een verbinding heeft eigen eigenschappen, en niet die van de elementen waaruit hij is opgebouwd.

    Naar de les over Namen en formules

  35. atoomnummer

    Het aantal protonen in de kern. Dat getal bepaalt welk element het is: zes protonen is altijd koolstof. Je leest het af in het periodiek systeem.

    Naar de les over Opzoeken in plaats van onthouden

  36. hydrolyse

    Het omgekeerde van een condensatiereactie: met water valt een groot molecuul weer uiteen in zijn delen. In je darmen wordt zetmeel zo tot glucose afgebroken.

    Naar de les over De chemie in je lichaam

  37. vanderwaalsbinding

    De zwakke aantrekking tussen moleculen onderling. Hoe groter het molecuul, hoe sterker die aantrekking, en hoe hoger dus het kookpunt. Dit is een binding tussen moleculen, geen binding binnen een molecuul.

    Naar de les over Van deeltjes naar eigenschappen

  38. onafhankelijke variabele

    Wat jij in een onderzoek zelf instelt of verandert, bijvoorbeeld de temperatuur. De afhankelijke variabele is wat je daarna meet, en al het andere houd je gelijk.

    Naar de les over Een practicum dat iets oplevert

  39. dichtheid

    De massa per volume-eenheid, bijvoorbeeld in gram per cm3. Met de dichtheid reken je van een volume naar een massa, en dat heb je nodig voordat je naar mol kunt.

    Naar de les over Van gram naar mol en terug

  40. verdunnen

    Oplosmiddel toevoegen zonder opgeloste stof toe te voegen. Het aantal mol blijft gelijk, het volume wordt groter, dus de concentratie wordt kleiner.

    Naar de les over Rekenen aan oplossingen

  41. atoommodel

    De voorstelling van een atoom die we op dit moment gebruiken. Hij is in tweehonderd jaar een paar keer aangepast, telkens omdat een waarneming niet in het oude model paste.

    Naar de les over Hoe het atoommodel veranderde

  42. structuurformule

    Een tekening die laat zien welk atoom aan welk atoom vast zit. Twee stoffen met dezelfde molecuulformule kunnen een andere structuurformule hebben, en dan zijn het andere stoffen.

    Naar de les over Structuur bepaalt functie

  43. evenwicht verschuiven

    Een evenwicht reageert op een verandering door de kant op te gaan die de verandering deels opheft. Meer beginstof, een lagere temperatuur bij een exotherme reactie of een hogere druk bij minder gasdeeltjes rechts: allemaal duwen ze het evenwicht naar rechts.

    Naar de les over Evenwicht verschuiven

  44. circulaire economie

    Een economie waarin materialen na gebruik weer grondstof worden, in plaats van afval. Hergebruik van het hele product gaat voor; recyclen van het materiaal is pas de stap daarna.

    Naar de les over Duurzaamheid afwegen

  45. toevallige fout

    Een fout die de ene keer te hoog en de andere keer te laag uitvalt, bijvoorbeeld door aflezen. Hier helpt vaker meten en het gemiddelde nemen.

    Naar de les over Meten en opschrijven

  46. reactiewarmte

    De hoeveelheid energie die bij een reactie vrijkomt of nodig is. Bij een exotherme reactie is die negatief, bij een endotherme positief.

    Naar de les over Energie omzetten en opslaan

  47. significante cijfers

    De cijfers in een uitkomst die echt iets zeggen over hoe nauwkeurig je gemeten hebt. Bij vermenigvuldigen en delen houd je er zo veel over als de minst nauwkeurige meting had, dus niet alles wat de rekenmachine toont.

    Naar de les over Meten en opschrijven

  48. chromatografie

    Scheiden op een verschil in aanhechting en meelopen, bijvoorbeeld op papier. De stof die zich het minst vastgrijpt komt het verst mee, en zo zie je hoeveel stoffen er in een mengsel zitten.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  49. ionbinding

    De aantrekking tussen positieve en negatieve ionen in een zout. Omdat die aantrekking alle kanten op werkt, ontstaat er een ionrooster en is het smeltpunt hoog.

    Naar de les over Welke binding zit erin?

  50. vet

    Een ester van glycerol en drie vetzuren. Vet is apolair, lost dus niet op in water, en levert per gram meer energie dan koolhydraat.

    Naar de les over De chemie in je lichaam

  51. condensatiereactie

    Een reactie waarbij twee moleculen aan elkaar gaan en er een klein molecuul vrijkomt, meestal water. Zo ontstaan esters, eiwitten en nylon.

    Naar de les over Van monomeer naar polymeer

  52. emissie

    Wat een proces uitstoot naar lucht, water of bodem. Voor emissies gelden wettelijke eisen, en die bepalen mede hoe een fabriek ontworpen wordt.

    Naar de les over Duurzaamheid afwegen

  53. koolwaterstof

    Een stof die alleen uit koolstof en waterstof bestaat, zoals methaan en octaan. Koolwaterstoffen zijn apolair en branden goed; aardgas, benzine en diesel bestaan eruit.

    Naar de les over Functionele groepen herkennen

  54. chemische reactie

    Een proces waarbij stoffen verdwijnen en er andere stoffen ontstaan. Je ziet het aan een nieuwe kleur, een gas, een neerslag of een temperatuurverandering, en je herkent het eraan dat de nieuwe stof andere eigenschappen heeft.

    Naar de les over Reactie of fysisch proces?

  55. aflopende reactie

    Een reactie die doorgaat tot een van de beginstoffen op is. Dat gebeurt bijvoorbeeld als een product als gas ontsnapt of neerslaat, zodat het niet kan terugreageren.

    Naar de les over Evenwicht verschuiven

  56. stookwaarde

    De energie die vrijkomt bij het verbranden van een hoeveelheid brandstof, bijvoorbeeld in joule per gram. Je zoekt hem op en gebruikt hem om brandstoffen eerlijk te vergelijken.

    Naar de les over Energie omzetten en opslaan

  57. endotherm

    Een proces dat warmte opneemt uit de omgeving. De omgeving wordt kouder; zonder warmte van buiten stopt het proces.

    Naar de les over Endotherm of exotherm

  58. kloppend maken

    Zorgen dat er links en rechts van de pijl van elk element evenveel atomen staan, door coëfficiënten voor de formules te zetten. De formules zelf mag je nooit veranderen; dan maak je er een andere stof van.

    Naar de les over Reactievergelijkingen kloppend maken

  59. faseovergang

    De overgang tussen vast, vloeibaar en gas, zoals smelten, koken en condenseren. Er verandert geen stof, alleen de manier waarop de deeltjes bij elkaar liggen. Het is dus een fysisch proces.

    Naar de les over Reactie of fysisch proces?

  60. functionele groep

    Een groepje atomen in een molecuul dat de eigenschappen en de reacties van de stof bepaalt, zoals de OH-groep van een alcohol. De rest van het molecuul doet veel minder.

    Naar de les over Structuur bepaalt functie

  61. leerdoel

    In één zin wat je nog niet kunt, bijvoorbeeld: ik vergeet de molverhouding. Dat is bruikbaarder dan de constatering dat iets fout ging.

    Naar de les over Snap je het, of ken je het trucje?

  62. verhoudingsformule

    De formule van een zout of een metaal: de kleinste hele verhouding waarin de ionen voorkomen, zoals NaCl of CaCl2. Er bestaat geen los NaCl-molecuul.

    Naar de les over formule-van-een-zout

  63. model

    Een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid, bedoeld om iets te kunnen uitleggen of voorspellen. Elk model laat dingen weg, dus je kiest het model bij de vraag die je hebt.

    Naar de les over Welk model past bij de vraag?

  64. batchproces

    Een proces per portie: vullen, laten reageren, legen, schoonmaken. Handig voor kleine hoeveelheden en wisselende producten, zoals medicijnen.

    Naar de les over Batch of continu?

  65. continu proces

    Een proces waarbij er altijd stof in gaat en uit komt, zonder te stoppen. Geschikt voor grote hoeveelheden van hetzelfde product, zoals in een raffinaderij.

    Naar de les over Batch of continu?

  66. koolhydraat

    Een groep stoffen met veel OH-groepen, zoals glucose, zetmeel en cellulose. Je lichaam breekt zetmeel met water af tot glucose en haalt daar energie uit.

    Naar de les over De chemie in je lichaam

  67. alcohol

    Een stof met een OH-groep aan een koolstofketen. Die groep is polair, dus een kleine alcohol lost goed op in water en kookt hoger dan een koolwaterstof van dezelfde grootte.

    Naar de les over Structuur bepaalt functie

  68. microniveau

    Het niveau van de deeltjes: atomen, ionen en moleculen, en de bindingen ertussen. Een uitleg is pas compleet als je van macroniveau naar microniveau gaat.

    Naar de les over Drie schaalniveaus

  69. smeltpunt

    De temperatuur waarbij een vaste stof vloeibaar wordt. Sterke bindingen tussen de deeltjes betekenen een hoog smeltpunt; daarom smelt zout veel moeilijker dan ijs.

    Naar de les over Van deeltjes naar eigenschappen

  70. conserveren

    Bederf tegengaan door de reacties en de bacteriën te vertragen: koelen, drogen, zuur maken, zout toevoegen of de zuurstof weghalen. Het is altijd een manier om de reactiesnelheid te verlagen.

    Naar de les over Waarom eten bederft

  71. polymeer

    Een heel lang molecuul dat is opgebouwd uit veel kleine, steeds terugkerende stukken. Plastic, eiwit en zetmeel zijn polymeren.

    Naar de les over Van monomeer naar polymeer

  72. scheidingsmethode

    Een manier om stoffen in een mengsel van elkaar te halen, door een eigenschap te gebruiken waarin ze verschillen. Je kiest de methode bij het verschil: kookpunt, deeltjesgrootte, oplosbaarheid of aanhechting.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  73. molecuul

    Een groepje atomen dat met atoombindingen aan elkaar vast zit en samen een deeltje vormt, zoals H2O of CO2. Moleculen zijn het deeltje waar je aan denkt bij een moleculaire stof.

    Naar de les over Van deeltjes naar eigenschappen

  74. polaire stof

    Een stof waarvan de moleculen een plus- en een minkant hebben, doordat de lading niet gelijk verdeeld is. Polaire stoffen lossen goed op in water, dat zelf ook polair is.

    Naar de les over Van deeltjes naar eigenschappen

  75. broeikasgas

    Een gas dat warmte in de atmosfeer vasthoudt, zoals CO2 en methaan. Daarom telt bij een proces niet alleen hoeveel energie het kost, maar ook welk gas erbij vrijkomt.

    Naar de les over Duurzaamheid afwegen

  76. waterstofbrug

    Een extra sterke aantrekking tussen moleculen, als een waterstofatoom vast zit aan zuurstof, stikstof of fluor. Water kookt hierdoor bij 100 graden in plaats van ruim onder nul.

    Naar de les over Waarom water zo hoog kookt

  77. molecular modelling

    Een molecuul of een reactiestap op de computer narekenen, bijvoorbeeld om te zien hoe hoog de energie van een tussenproduct ligt. Daarmee kies je tussen routes zonder ze allemaal uit te voeren.

    Naar de les over Moleculen op de computer

  78. ester

    De stof die ontstaat als een alcohol en een carbonzuur met elkaar reageren, waarbij water vrijkomt. Esters ruiken vaak naar fruit en zitten in aroma, geurstof en vet.

    Naar de les over Functionele groepen herkennen

  79. botsende deeltjes

    Het model waarmee je reactiesnelheid uitlegt: deeltjes moeten elkaar raken, hard genoeg en op de goede manier. Elke manier om een reactie te versnellen zorgt voor meer of hardere botsingen.

    Naar de les over Reactiesnelheid beïnvloeden

  80. toepassingsgericht onderzoek

    Onderzoek dat begint bij een probleem uit de praktijk, bijvoorbeeld in de zorg of de voedselproductie, in plaats van bij nieuwsgierigheid alleen.

    Naar de les over Structuur bepaalt functie

  81. adsorberen

    Scheiden op aanhechting: een stof blijft aan een oppervlak plakken, bijvoorbeeld aan actieve kool. Zo haal je kleur- en geurstoffen uit water.

    Naar de les over Is dit water schoon?

  82. atoombinding

    De binding waarbij twee atomen een paar elektronen samen gebruiken. Dit is de binding binnen een molecuul, en die is sterk. Hij heet ook covalente binding.

    Naar de les over Welke binding zit erin?

  83. bijproduct

    Een stof die naast het gewenste product ontstaat en die nog bruikbaar is. Kun je er niets mee, dan is het afval, en dan kost het geld in plaats van dat het geld opbrengt.

    Naar de les over Groene chemie

  84. fysisch proces

    Een proces waarbij geen nieuwe stof ontstaat, zoals smelten, oplossen en verdampen. De moleculen blijven heel, ze gaan alleen anders liggen. Je kunt het daarom meestal makkelijk terugdraaien.

    Naar de les over Reactie of fysisch proces?

  85. metaalbinding

    De binding in een metaal: positieve metaalionen in een zee van elektronen die vrij kunnen bewegen. Daarom geleidt een metaal stroom en warmte, en kun je het buigen zonder dat het breekt.

    Naar de les over Welke binding zit erin?

  86. gevarensymbool

    Het ruitvormige teken op een verpakking dat zegt wat voor gevaar de stof oplevert. Daarbij staan H-zinnen over het gevaar en P-zinnen over wat je moet doen.

    Naar de les over Veilig werken met stoffen

  87. destilleren

    Scheiden op kookpunt: je laat het mengsel koken en vangt de damp weer op als vloeistof. Zo haal je alcohol uit wijn en benzine uit aardolie.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  88. legering

    Een metaal waarin andere atomen zijn opgenomen, zoals staal of brons. De vreemde atomen maken het rooster onregelmatig, waardoor de legering harder is dan het zuivere metaal.

    Naar de les over Van eigenschap naar toepassing

  89. duurzaamheid

    Of iets ook op lange termijn kan doorgaan zonder de aarde of mensen uit te putten. Je weegt altijd drie dingen tegen elkaar af: milieu, mensen en geld.

    Naar de les over Duurzaam voor wie, en wanneer?

  90. kringloop

    De route die atomen steeds opnieuw afleggen door natuur, industrie en organismen, zoals de koolstofkringloop. Omdat atomen niet verdwijnen, komt elk atoom ergens terug.

    Naar de les over Atomen gaan rond

  91. oplosbaarheid

    Hoeveel van een stof er maximaal in een hoeveelheid oplosmiddel kan oplossen. Je zoekt het op in een tabel; het hangt af van de temperatuur en van hoe polair de stoffen zijn.

    Naar de les over Van eigenschap naar toepassing

  92. wet van massabehoud

    In een reactie blijft de totale massa gelijk, want er gaat geen atoom verloren. Daarom moet een reactievergelijking kloppen, en daarom weegt as plus rook samen net zo veel als het hout plus de zuurstof.

    Naar de les over Atomen gaan rond

  93. innovatie

    Een nieuwe toepassing die ook echt in gebruik komt. Een vinding is pas een innovatie als er een probleem bij past en het op schaal te maken is.

    Naar de les over Innovatie in voedsel en materialen

  94. carbonzuur

    Een stof met een COOH-groep. Carbonzuren zijn zwakke zuren; azijnzuur in azijn en citroenzuur in fruit zijn carbonzuren.

    Naar de les over Functionele groepen herkennen

  95. reactieproduct

    Een stof die bij de reactie ontstaat. Reactieproducten staan rechts van de pijl.

    Naar de les over Reactie of fysisch proces?

  96. eiwit

    Een polymeer van aminozuren, aan elkaar geregen met amidebindingen. De volgorde van de aminozuren bepaalt de vorm, en de vorm bepaalt wat het eiwit doet.

    Naar de les over De chemie in je lichaam

  97. ion

    Een atoom of groepje atomen met een lading, doordat er elektronen bij zijn gekomen of af zijn gegaan. Een positief ion heeft elektronen verloren, een negatief ion heeft ze gekregen.

    Naar de les over formule-van-een-zout

  98. denaturatie

    Het verliezen van de vorm van een eiwit door warmte, zuur of zout, waardoor het niet meer werkt. Een ei dat hard wordt is gedenatureerd eiwit.

    Naar de les over Waarom eten bederft

  99. edelgasconfiguratie

    Een volle buitenste elektronenschil, net als bij een edelgas. Atomen staan elektronen af, nemen ze op of delen ze om daar te komen; dat verklaart welke ionen en bindingen ontstaan.

    Naar de les over formule-van-een-zout

  100. extraheren

    Scheiden op oplosbaarheid: je voegt een oplosmiddel toe waarin maar een van de stoffen oplost. Thee zetten is extraheren.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  101. activeringsenergie

    De energie die deeltjes minstens nodig hebben om te kunnen reageren: de top in het energiediagram. Ook een exotherme reactie heeft die drempel, en daarom brandt benzine niet van zichzelf.

    Naar de les over Reactiesnelheid beïnvloeden

  102. reactiesnelheid

    Hoe snel een reactie verloopt: hoeveel stof er per seconde verdwijnt of ontstaat. In een diagram lees je hem af als de steilheid van de lijn.

    Naar de les over Reactiesnelheid beïnvloeden

  103. systematische fout

    Een fout die elke meting dezelfde kant op duwt, bijvoorbeeld een weegschaal die altijd 2 gram te veel aangeeft. Meer metingen helpen hier niet; ijken wel.

    Naar de les over Meten en opschrijven

  104. amidebinding

    De binding tussen een carbonzuurgroep en een aminegroep, met water als restproduct. Eiwitten en nylon zijn met amidebindingen aan elkaar geregen.

    Naar de les over Van monomeer naar polymeer

  105. molaire massa

    De massa van een mol van een stof, in gram per mol. Je rekent hem uit door de atoommassa van alle atomen in de formule bij elkaar op te tellen.

    Naar de les over Van gram naar mol en terug

  106. mesoniveau

    Het niveau daartussenin: korrels, vezels, poriën en kristallen. Hiermee leg je uit waarom hetzelfde materiaal als poeder anders doet dan als blok.

    Naar de les over Drie schaalniveaus

  107. beargumenteerd oordeel

    Een oordeel waarbij je de feiten, de norm en je eigen afweging uit elkaar houdt en benoemt waarop je oordeel rust. Zonder die scheiding is het een mening.

    Naar de les over Mag deze stof nog?

  108. grondstof

    De stof waarmee een fabriek begint en die in het product terechtkomt. Een hulpstof doet mee aan het proces maar zit niet in het product, zoals een oplosmiddel of een katalysator.

    Naar de les over Waar grondstoffen vandaan komen

  109. pH

    Een maat voor hoe zuur een oplossing is. Elke stap van 1 betekent een factor 10: pH 3 is tien keer zo zuur als pH 4. Bij pH 7 is de oplossing neutraal.

    Naar de les over Zuren en basen herkennen

  110. atoomeconomie

    Welk deel van de massa van je beginstoffen ook echt in het gewenste product terechtkomt. Een reactie kan een mooi rendement hebben en toch een slechte atoomeconomie, als er veel bijproduct ontstaat.

    Naar de les over Groene chemie

  111. zuivere stof

    Een stof die uit maar een soort moleculen of een soort bouwstenen bestaat. Een zuivere stof heeft een scherp smeltpunt en kookpunt, een mengsel niet.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  112. onderzoeksvraag

    Een vraag die meetbaar is: met een grootheid, een eenheid en een afgebakende situatie. Zonder die drie valt er geen conclusie uit te trekken.

    Naar de les over Een practicum dat iets oplevert

  113. periodiek systeem

    De tabel waarin alle elementen op atoomnummer staan. Elementen in dezelfde kolom gedragen zich hetzelfde, omdat ze evenveel elektronen in de buitenste schil hebben.

    Naar de les over Opzoeken in plaats van onthouden

  114. mol

    Een afgesproken aantal deeltjes: 6,02 keer tien tot de macht 23. Met mol reken je van deeltjes naar grammen en terug, want een reactievergelijking geeft een verhouding in deeltjes en je weegt in grammen.

    Naar de les over Van gram naar mol en terug

  115. neutralisatie

    De reactie van een zuur met een base, waarbij water ontstaat en de oplossing naar pH 7 beweegt. Hiermee maak je zuur afvalwater of een zure maag minder zuur.

    Naar de les over Zuren en basen herkennen

  116. ketenanalyse

    Een analyse van alle stappen van grondstof tot afval, met per stap de stoffen, de energie en de uitstoot. Hiermee zie je waar de winst echt te halen is, en niet alleen in de fabriek zelf.

    Naar de les over Een ketenanalyse maken

  117. zuur

    Een stof die in water waterstofionen afstaat, zoals zoutzuur en azijnzuur. Een zure oplossing heeft een pH onder 7.

    Naar de les over Zuren en basen herkennen

  118. molecuulformule

    De formule die zegt hoeveel atomen van elke soort er in een molecuul zitten, zoals C6H12O6. Hij zegt niets over hoe die atomen aan elkaar vast zitten.

    Naar de les over Namen en formules

  119. monomeer

    Het kleine molecuul waaruit een polymeer wordt opgebouwd. Etheen is het monomeer van polyetheen.

    Naar de les over Van monomeer naar polymeer

  120. risico

    De kans dat iets misgaat maal de ernst van het gevolg. Een klein risico kan dus toch veel aandacht vragen, als het gevolg heel groot is.

    Naar de les over Risico in een fabriek

  121. grenswaarde

    De hoogste concentratie van een stof in de lucht waar iemand nog veilig aan blootgesteld mag worden. Een stof is dus niet gevaarlijk of veilig: het gaat om de hoeveelheid en de tijd.

    Naar de les over Mag deze stof nog?

  122. bronkritiek

    Nagaan wie een bron gemaakt heeft, waarop die berust en of hij bij jouw vraag past. Een meting met een beschreven methode weegt zwaarder dan een uitspraak zonder cijfers.

    Naar de les over Opzoeken in plaats van onthouden

  123. systeem

    Het stuk werkelijkheid binnen een grens die jij kiest, met stromen die erin en eruit gaan. Welke grens je kiest, bepaalt je antwoord over massa en energie.

    Naar de les over Wat zit er in het systeem?

  124. blanco meting

    Een meting zonder de stof die je onderzoekt, met al het andere hetzelfde. Zo weet je wat de opstelling zelf al geeft, en kun je dat van je uitkomst aftrekken.

    Naar de les over Een practicum dat iets oplevert

  125. context

    De situatie waarin een vraag is verpakt: een fabriek, een ziekenhuis, een meer. Je haalt er het chemische concept uit, rekent daarmee, en vertaalt je antwoord terug.

    Naar de les over Van alledaags naar scheikundig

  126. indicator

    Een stof die van kleur verandert bij een bepaalde pH, zoals lakmoes. Je gebruikt hem om te zien of een oplossing zuur of basisch is.

    Naar de les over Zuren en basen herkennen

  127. opschalen

    Hetzelfde proces veel groter uitvoeren. Dat gaat niet simpelweg maal duizend: warmte afvoeren, mengen en veiligheid worden bij een groot vat ineens het grootste probleem.

    Naar de les over Waarom schaal alles verandert

  128. blokschema

    Een schema van een fabriek met per blok een stap, en pijlen voor de stromen ertussen. Je leest eraan af waar stoffen in gaan, waar ze teruggaan en waar ze de fabriek verlaten.

    Naar de les over Waar grondstoffen vandaan komen

  129. element

    Een stof die uit maar een soort atomen bestaat, zoals ijzer of zuurstof. Een element kun je met een chemische reactie niet verder opdelen.

    Naar de les over Namen en formules

  130. apolaire stof

    Een stof waarvan de moleculen geen plus- en minkant hebben, zoals benzine en olie. Apolaire stoffen lossen in elkaar op, maar niet in water. Vandaar: gelijksoortige stoffen lossen in elkaar op.

    Naar de les over Van deeltjes naar eigenschappen

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 130 begrippen.

2 onderwerpen
14 onderwerpen
9 onderwerpen
9 onderwerpen
11 onderwerpen
5 onderwerpen
Begin opnieuw