Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
20 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
legering
Een metaal waarin andere atomen zijn opgenomen, zoals staal of brons. De vreemde atomen maken het rooster onregelmatig, waardoor de legering harder is dan het zuivere metaal.
-
amine
Een stof met een NH2-groep aan een koolstofketen. Amines zijn zwakke basen en zijn de bouwsteen van veel medicijnen.
-
smeltpunt
De temperatuur waarbij een vaste stof vloeibaar wordt. Sterke bindingen tussen de deeltjes betekenen een hoog smeltpunt; daarom smelt zout veel moeilijker dan ijs.
-
molaire massa
De massa van een mol van een stof, in gram per mol. Je rekent hem uit door de atoommassa van alle atomen in de formule bij elkaar op te tellen.
-
beargumenteerd oordeel
Een oordeel waarbij je de feiten, de norm en je eigen afweging uit elkaar houdt en benoemt waarop je oordeel rust. Zonder die scheiding is het een mening.
-
duurzaamheid
Of iets ook op lange termijn kan doorgaan zonder de aarde of mensen uit te putten. Je weegt altijd drie dingen tegen elkaar af: milieu, mensen en geld.
-
pH
Een maat voor hoe zuur een oplossing is. Elke stap van 1 betekent een factor 10: pH 3 is tien keer zo zuur als pH 4. Bij pH 7 is de oplossing neutraal.
-
neutralisatie
De reactie van een zuur met een base, waarbij water ontstaat en de oplossing naar pH 7 beweegt. Hiermee maak je zuur afvalwater of een zure maag minder zuur.
-
bronkritiek
Nagaan wie een bron gemaakt heeft, waarop die berust en of hij bij jouw vraag past. Een meting met een beschreven methode weegt zwaarder dan een uitspraak zonder cijfers.
-
verbinding
Een stof waarin twee of meer soorten atomen aan elkaar vast zitten, zoals water of keukenzout. Een verbinding heeft eigen eigenschappen, en niet die van de elementen waaruit hij is opgebouwd.
-
chromatografie
Scheiden op een verschil in aanhechting en meelopen, bijvoorbeeld op papier. De stof die zich het minst vastgrijpt komt het verst mee, en zo zie je hoeveel stoffen er in een mengsel zitten.
-
blanco meting
Een meting zonder de stof die je onderzoekt, met al het andere hetzelfde. Zo weet je wat de opstelling zelf al geeft, en kun je dat van je uitkomst aftrekken.
-
reactiesnelheid
Hoe snel een reactie verloopt: hoeveel stof er per seconde verdwijnt of ontstaat. In een diagram lees je hem af als de steilheid van de lijn.
-
conserveren
Bederf tegengaan door de reacties en de bacteriën te vertragen: koelen, drogen, zuur maken, zout toevoegen of de zuurstof weghalen. Het is altijd een manier om de reactiesnelheid te verlagen.
-
systematische fout
Een fout die elke meting dezelfde kant op duwt, bijvoorbeeld een weegschaal die altijd 2 gram te veel aangeeft. Meer metingen helpen hier niet; ijken wel.
-
activeringsenergie
De energie die deeltjes minstens nodig hebben om te kunnen reageren: de top in het energiediagram. Ook een exotherme reactie heeft die drempel, en daarom brandt benzine niet van zichzelf.
-
base
Een stof die in water waterstofionen opneemt of hydroxide-ionen afstaat, zoals ammonia en natronlucht. Een basische oplossing heeft een pH boven 7.
-
gevarensymbool
Het ruitvormige teken op een verpakking dat zegt wat voor gevaar de stof oplevert. Daarbij staan H-zinnen over het gevaar en P-zinnen over wat je moet doen.
-
broeikasgas
Een gas dat warmte in de atmosfeer vasthoudt, zoals CO2 en methaan. Daarom telt bij een proces niet alleen hoeveel energie het kost, maar ook welk gas erbij vrijkomt.
-
mol
Een afgesproken aantal deeltjes: 6,02 keer tien tot de macht 23. Met mol reken je van deeltjes naar grammen en terug, want een reactievergelijking geeft een verhouding in deeltjes en je weegt in grammen.