Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

20 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. legering

    Een metaal waarin andere atomen zijn opgenomen, zoals staal of brons. De vreemde atomen maken het rooster onregelmatig, waardoor de legering harder is dan het zuivere metaal.

    Naar de les over Van eigenschap naar toepassing

  2. amine

    Een stof met een NH2-groep aan een koolstofketen. Amines zijn zwakke basen en zijn de bouwsteen van veel medicijnen.

    Naar de les over Functionele groepen herkennen

  3. smeltpunt

    De temperatuur waarbij een vaste stof vloeibaar wordt. Sterke bindingen tussen de deeltjes betekenen een hoog smeltpunt; daarom smelt zout veel moeilijker dan ijs.

    Naar de les over Van deeltjes naar eigenschappen

  4. molaire massa

    De massa van een mol van een stof, in gram per mol. Je rekent hem uit door de atoommassa van alle atomen in de formule bij elkaar op te tellen.

    Naar de les over Van gram naar mol en terug

  5. beargumenteerd oordeel

    Een oordeel waarbij je de feiten, de norm en je eigen afweging uit elkaar houdt en benoemt waarop je oordeel rust. Zonder die scheiding is het een mening.

    Naar de les over Mag deze stof nog?

  6. duurzaamheid

    Of iets ook op lange termijn kan doorgaan zonder de aarde of mensen uit te putten. Je weegt altijd drie dingen tegen elkaar af: milieu, mensen en geld.

    Naar de les over Duurzaam voor wie, en wanneer?

  7. pH

    Een maat voor hoe zuur een oplossing is. Elke stap van 1 betekent een factor 10: pH 3 is tien keer zo zuur als pH 4. Bij pH 7 is de oplossing neutraal.

    Naar de les over Zuren en basen herkennen

  8. neutralisatie

    De reactie van een zuur met een base, waarbij water ontstaat en de oplossing naar pH 7 beweegt. Hiermee maak je zuur afvalwater of een zure maag minder zuur.

    Naar de les over Zuren en basen herkennen

  9. bronkritiek

    Nagaan wie een bron gemaakt heeft, waarop die berust en of hij bij jouw vraag past. Een meting met een beschreven methode weegt zwaarder dan een uitspraak zonder cijfers.

    Naar de les over Opzoeken in plaats van onthouden

  10. verbinding

    Een stof waarin twee of meer soorten atomen aan elkaar vast zitten, zoals water of keukenzout. Een verbinding heeft eigen eigenschappen, en niet die van de elementen waaruit hij is opgebouwd.

    Naar de les over Namen en formules

  11. chromatografie

    Scheiden op een verschil in aanhechting en meelopen, bijvoorbeeld op papier. De stof die zich het minst vastgrijpt komt het verst mee, en zo zie je hoeveel stoffen er in een mengsel zitten.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  12. blanco meting

    Een meting zonder de stof die je onderzoekt, met al het andere hetzelfde. Zo weet je wat de opstelling zelf al geeft, en kun je dat van je uitkomst aftrekken.

    Naar de les over Een practicum dat iets oplevert

  13. reactiesnelheid

    Hoe snel een reactie verloopt: hoeveel stof er per seconde verdwijnt of ontstaat. In een diagram lees je hem af als de steilheid van de lijn.

    Naar de les over Reactiesnelheid beïnvloeden

  14. conserveren

    Bederf tegengaan door de reacties en de bacteriën te vertragen: koelen, drogen, zuur maken, zout toevoegen of de zuurstof weghalen. Het is altijd een manier om de reactiesnelheid te verlagen.

    Naar de les over Waarom eten bederft

  15. systematische fout

    Een fout die elke meting dezelfde kant op duwt, bijvoorbeeld een weegschaal die altijd 2 gram te veel aangeeft. Meer metingen helpen hier niet; ijken wel.

    Naar de les over Meten en opschrijven

  16. activeringsenergie

    De energie die deeltjes minstens nodig hebben om te kunnen reageren: de top in het energiediagram. Ook een exotherme reactie heeft die drempel, en daarom brandt benzine niet van zichzelf.

    Naar de les over Reactiesnelheid beïnvloeden

  17. base

    Een stof die in water waterstofionen opneemt of hydroxide-ionen afstaat, zoals ammonia en natronlucht. Een basische oplossing heeft een pH boven 7.

    Naar de les over Zuren en basen herkennen

  18. gevarensymbool

    Het ruitvormige teken op een verpakking dat zegt wat voor gevaar de stof oplevert. Daarbij staan H-zinnen over het gevaar en P-zinnen over wat je moet doen.

    Naar de les over Veilig werken met stoffen

  19. broeikasgas

    Een gas dat warmte in de atmosfeer vasthoudt, zoals CO2 en methaan. Daarom telt bij een proces niet alleen hoeveel energie het kost, maar ook welk gas erbij vrijkomt.

    Naar de les over Duurzaamheid afwegen

  20. mol

    Een afgesproken aantal deeltjes: 6,02 keer tien tot de macht 23. Met mol reken je van deeltjes naar grammen en terug, want een reactievergelijking geeft een verhouding in deeltjes en je weegt in grammen.

    Naar de les over Van gram naar mol en terug

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 130 begrippen.

2 onderwerpen
14 onderwerpen
9 onderwerpen
9 onderwerpen
11 onderwerpen
5 onderwerpen
Begin opnieuw