Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

20 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. filtreren

    Scheiden op deeltjesgrootte: de vaste stof blijft op het filter liggen en de vloeistof loopt erdoor. Werkt alleen als de stof niet is opgelost.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  2. destilleren

    Scheiden op kookpunt: je laat het mengsel koken en vangt de damp weer op als vloeistof. Zo haal je alcohol uit wijn en benzine uit aardolie.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  3. atoom

    Het kleinste deeltje van een element dat nog dat element is. In het midden zit de kern met protonen en neutronen, daarbuiten bewegen de elektronen. Bij een chemische reactie gaat een atoom nooit stuk: hij komt alleen op een andere plek terecht.

    Naar de les over Hoe het atoommodel veranderde

  4. molaire massa

    De massa van een mol van een stof, in gram per mol. Je rekent hem uit door de atoommassa van alle atomen in de formule bij elkaar op te tellen.

    Naar de les over Van gram naar mol en terug

  5. ionbinding

    De aantrekking tussen positieve en negatieve ionen in een zout. Omdat die aantrekking alle kanten op werkt, ontstaat er een ionrooster en is het smeltpunt hoog.

    Naar de les over Welke binding zit erin?

  6. grondstof

    De stof waarmee een fabriek begint en die in het product terechtkomt. Een hulpstof doet mee aan het proces maar zit niet in het product, zoals een oplosmiddel of een katalysator.

    Naar de les over Waar grondstoffen vandaan komen

  7. microniveau

    Het niveau van de deeltjes: atomen, ionen en moleculen, en de bindingen ertussen. Een uitleg is pas compleet als je van macroniveau naar microniveau gaat.

    Naar de les over Drie schaalniveaus

  8. significante cijfers

    De cijfers in een uitkomst die echt iets zeggen over hoe nauwkeurig je gemeten hebt. Bij vermenigvuldigen en delen houd je er zo veel over als de minst nauwkeurige meting had, dus niet alles wat de rekenmachine toont.

    Naar de les over Meten en opschrijven

  9. enzym

    Een eiwit dat in een organisme als katalysator werkt. Een enzym past maar op een bepaalde stof, en bij te hoge temperatuur verliest hij door denaturatie zijn vorm en daarmee zijn werking.

    Naar de les over De chemie in je lichaam

  10. reactieproduct

    Een stof die bij de reactie ontstaat. Reactieproducten staan rechts van de pijl.

    Naar de les over Reactie of fysisch proces?

  11. energiediagram

    Een tekening met de energie van de beginstoffen, de top ertussen en de energie van de producten. Je leest er af of de reactie exotherm of endotherm is, en hoe hoog de drempel is.

    Naar de les over Endotherm of exotherm

  12. hydrofoob

    Letterlijk: watervrezend. Een hydrofoob deel van een molecuul mijdt water en zoekt vet op. Een lange koolstofstaart is hydrofoob.

    Naar de les over Functionele groepen herkennen

  13. innovatie

    Een nieuwe toepassing die ook echt in gebruik komt. Een vinding is pas een innovatie als er een probleem bij past en het op schaal te maken is.

    Naar de les over Innovatie in voedsel en materialen

  14. scheidingsmethode

    Een manier om stoffen in een mengsel van elkaar te halen, door een eigenschap te gebruiken waarin ze verschillen. Je kiest de methode bij het verschil: kookpunt, deeltjesgrootte, oplosbaarheid of aanhechting.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  15. carbonzuur

    Een stof met een COOH-groep. Carbonzuren zijn zwakke zuren; azijnzuur in azijn en citroenzuur in fruit zijn carbonzuren.

    Naar de les over Functionele groepen herkennen

  16. aflopende reactie

    Een reactie die doorgaat tot een van de beginstoffen op is. Dat gebeurt bijvoorbeeld als een product als gas ontsnapt of neerslaat, zodat het niet kan terugreageren.

    Naar de les over Evenwicht verschuiven

  17. verdelingsgraad

    Hoe fijn een vaste stof verdeeld is. Poeder reageert sneller dan een blok, omdat het contactoppervlak groter is en er dus meer botsingen per seconde zijn.

    Naar de les over Reactiesnelheid beïnvloeden

  18. atoomnummer

    Het aantal protonen in de kern. Dat getal bepaalt welk element het is: zes protonen is altijd koolstof. Je leest het af in het periodiek systeem.

    Naar de les over Opzoeken in plaats van onthouden

  19. hydrofiel

    Letterlijk: waterminnend. Een hydrofiel deel van een molecuul trekt water aan, omdat het polair is of een lading heeft. Zeep werkt doordat een zeepmolecuul een hydrofiel en een hydrofoob uiteinde heeft.

    Naar de les over Functionele groepen herkennen

  20. zuur

    Een stof die in water waterstofionen afstaat, zoals zoutzuur en azijnzuur. Een zure oplossing heeft een pH onder 7.

    Naar de les over Zuren en basen herkennen

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 130 begrippen.

2 onderwerpen
14 onderwerpen
9 onderwerpen
9 onderwerpen
11 onderwerpen
5 onderwerpen
Begin opnieuw