Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

40 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. destilleren

    Scheiden op kookpunt: je laat het mengsel koken en vangt de damp weer op als vloeistof. Zo haal je alcohol uit wijn en benzine uit aardolie.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  2. apolaire stof

    Een stof waarvan de moleculen geen plus- en minkant hebben, zoals benzine en olie. Apolaire stoffen lossen in elkaar op, maar niet in water. Vandaar: gelijksoortige stoffen lossen in elkaar op.

    Naar de les over Van deeltjes naar eigenschappen

  3. hydrofiel

    Letterlijk: waterminnend. Een hydrofiel deel van een molecuul trekt water aan, omdat het polair is of een lading heeft. Zeep werkt doordat een zeepmolecuul een hydrofiel en een hydrofoob uiteinde heeft.

    Naar de les over Functionele groepen herkennen

  4. massagetal

    Het aantal protonen plus neutronen in de kern. Twee atomen van hetzelfde element met een verschillend massagetal heten isotopen: ze reageren gelijk, maar wegen niet hetzelfde.

    Naar de les over Namen en formules

  5. metaalbinding

    De binding in een metaal: positieve metaalionen in een zee van elektronen die vrij kunnen bewegen. Daarom geleidt een metaal stroom en warmte, en kun je het buigen zonder dat het breekt.

    Naar de les over Welke binding zit erin?

  6. polymeer

    Een heel lang molecuul dat is opgebouwd uit veel kleine, steeds terugkerende stukken. Plastic, eiwit en zetmeel zijn polymeren.

    Naar de les over Van monomeer naar polymeer

  7. systeem

    Het stuk werkelijkheid binnen een grens die jij kiest, met stromen die erin en eruit gaan. Welke grens je kiest, bepaalt je antwoord over massa en energie.

    Naar de les over Wat zit er in het systeem?

  8. toevallige fout

    Een fout die de ene keer te hoog en de andere keer te laag uitvalt, bijvoorbeeld door aflezen. Hier helpt vaker meten en het gemiddelde nemen.

    Naar de les over Meten en opschrijven

  9. amidebinding

    De binding tussen een carbonzuurgroep en een aminegroep, met water als restproduct. Eiwitten en nylon zijn met amidebindingen aan elkaar geregen.

    Naar de les over Van monomeer naar polymeer

  10. context

    De situatie waarin een vraag is verpakt: een fabriek, een ziekenhuis, een meer. Je haalt er het chemische concept uit, rekent daarmee, en vertaalt je antwoord terug.

    Naar de les over Van alledaags naar scheikundig

  11. chemisch evenwicht

    De toestand waarin de reactie naar rechts en de reactie naar links even snel gaan. Er gebeurt nog steeds iets, maar de hoeveelheden veranderen niet meer. Je schrijft er twee halve pijlen bij.

    Naar de les over Evenwicht verschuiven

  12. filtreren

    Scheiden op deeltjesgrootte: de vaste stof blijft op het filter liggen en de vloeistof loopt erdoor. Werkt alleen als de stof niet is opgelost.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  13. molaire massa

    De massa van een mol van een stof, in gram per mol. Je rekent hem uit door de atoommassa van alle atomen in de formule bij elkaar op te tellen.

    Naar de les over Van gram naar mol en terug

  14. carbonzuur

    Een stof met een COOH-groep. Carbonzuren zijn zwakke zuren; azijnzuur in azijn en citroenzuur in fruit zijn carbonzuren.

    Naar de les over Functionele groepen herkennen

  15. kookpunt

    De temperatuur waarbij een vloeistof overgaat in gas. Het kookpunt zegt iets over de aantrekking tussen de moleculen, niet over de sterkte van de bindingen binnen een molecuul.

    Naar de les over Waarom water zo hoog kookt

  16. alcohol

    Een stof met een OH-groep aan een koolstofketen. Die groep is polair, dus een kleine alcohol lost goed op in water en kookt hoger dan een koolwaterstof van dezelfde grootte.

    Naar de les over Structuur bepaalt functie

  17. bijproduct

    Een stof die naast het gewenste product ontstaat en die nog bruikbaar is. Kun je er niets mee, dan is het afval, en dan kost het geld in plaats van dat het geld opbrengt.

    Naar de les over Groene chemie

  18. programma van eisen

    De meetbare eisen die je vooraf aan een opstelling of een proces stelt. Zonder die eisen is achteraf niet te zeggen of het ontwerp werkt.

    Naar de les over Een opstelling ontwerpen

  19. innovatie

    Een nieuwe toepassing die ook echt in gebruik komt. Een vinding is pas een innovatie als er een probleem bij past en het op schaal te maken is.

    Naar de les over Innovatie in voedsel en materialen

  20. periodiek systeem

    De tabel waarin alle elementen op atoomnummer staan. Elementen in dezelfde kolom gedragen zich hetzelfde, omdat ze evenveel elektronen in de buitenste schil hebben.

    Naar de les over Opzoeken in plaats van onthouden

  21. denaturatie

    Het verliezen van de vorm van een eiwit door warmte, zuur of zout, waardoor het niet meer werkt. Een ei dat hard wordt is gedenatureerd eiwit.

    Naar de les over Waarom eten bederft

  22. microniveau

    Het niveau van de deeltjes: atomen, ionen en moleculen, en de bindingen ertussen. Een uitleg is pas compleet als je van macroniveau naar microniveau gaat.

    Naar de les over Drie schaalniveaus

  23. biomassa

    Grondstof uit levend of recent levend materiaal, zoals hout, mais of afval uit de landbouw. De koolstof erin komt uit de lucht, dus bij verbranden gaat hij terug naar waar hij vandaan kwam.

    Naar de les over Atomen gaan rond

  24. structuurformule

    Een tekening die laat zien welk atoom aan welk atoom vast zit. Twee stoffen met dezelfde molecuulformule kunnen een andere structuurformule hebben, en dan zijn het andere stoffen.

    Naar de les over Structuur bepaalt functie

  25. mol

    Een afgesproken aantal deeltjes: 6,02 keer tien tot de macht 23. Met mol reken je van deeltjes naar grammen en terug, want een reactievergelijking geeft een verhouding in deeltjes en je weegt in grammen.

    Naar de les over Van gram naar mol en terug

  26. ion

    Een atoom of groepje atomen met een lading, doordat er elektronen bij zijn gekomen of af zijn gegaan. Een positief ion heeft elektronen verloren, een negatief ion heeft ze gekregen.

    Naar de les over formule-van-een-zout

  27. conserveren

    Bederf tegengaan door de reacties en de bacteriën te vertragen: koelen, drogen, zuur maken, zout toevoegen of de zuurstof weghalen. Het is altijd een manier om de reactiesnelheid te verlagen.

    Naar de les over Waarom eten bederft

  28. neutralisatie

    De reactie van een zuur met een base, waarbij water ontstaat en de oplossing naar pH 7 beweegt. Hiermee maak je zuur afvalwater of een zure maag minder zuur.

    Naar de les over Zuren en basen herkennen

  29. verhoudingsformule

    De formule van een zout of een metaal: de kleinste hele verhouding waarin de ionen voorkomen, zoals NaCl of CaCl2. Er bestaat geen los NaCl-molecuul.

    Naar de les over formule-van-een-zout

  30. bronkritiek

    Nagaan wie een bron gemaakt heeft, waarop die berust en of hij bij jouw vraag past. Een meting met een beschreven methode weegt zwaarder dan een uitspraak zonder cijfers.

    Naar de les over Opzoeken in plaats van onthouden

  31. exotherm

    Een proces dat warmte afstaat aan de omgeving, zoals verbranden. De omgeving wordt warmer en de producten bevatten minder chemische energie dan de beginstoffen.

    Naar de les over Endotherm of exotherm

  32. monomeer

    Het kleine molecuul waaruit een polymeer wordt opgebouwd. Etheen is het monomeer van polyetheen.

    Naar de les over Van monomeer naar polymeer

  33. macroniveau

    Het niveau van wat je kunt zien, ruiken en meten: een stof is wit, lost op, kookt bij een bepaalde temperatuur. In een examenvraag begin je hier vaak, en leg je het daarna uit op microniveau.

    Naar de les over Drie schaalniveaus

  34. molecuulformule

    De formule die zegt hoeveel atomen van elke soort er in een molecuul zitten, zoals C6H12O6. Hij zegt niets over hoe die atomen aan elkaar vast zitten.

    Naar de les over Namen en formules

  35. chemische reactie

    Een proces waarbij stoffen verdwijnen en er andere stoffen ontstaan. Je ziet het aan een nieuwe kleur, een gas, een neerslag of een temperatuurverandering, en je herkent het eraan dat de nieuwe stof andere eigenschappen heeft.

    Naar de les over Reactie of fysisch proces?

  36. mengsel

    Twee of meer stoffen door elkaar, waarbij elke stof zijn eigen eigenschappen houdt. Daarom kun je een mengsel scheiden met een fysisch proces en een verbinding niet.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  37. bezinken

    Scheiden op dichtheid: de zwaardere deeltjes zakken naar de bodem en je giet de vloeistof eraf. Een centrifuge versnelt hetzelfde.

    Naar de les over De juiste scheidingsmethode kiezen

  38. adsorberen

    Scheiden op aanhechting: een stof blijft aan een oppervlak plakken, bijvoorbeeld aan actieve kool. Zo haal je kleur- en geurstoffen uit water.

    Naar de les over Is dit water schoon?

  39. broeikasgas

    Een gas dat warmte in de atmosfeer vasthoudt, zoals CO2 en methaan. Daarom telt bij een proces niet alleen hoeveel energie het kost, maar ook welk gas erbij vrijkomt.

    Naar de les over Duurzaamheid afwegen

  40. polaire stof

    Een stof waarvan de moleculen een plus- en een minkant hebben, doordat de lading niet gelijk verdeeld is. Polaire stoffen lossen goed op in water, dat zelf ook polair is.

    Naar de les over Van deeltjes naar eigenschappen

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 130 begrippen.

2 onderwerpen
14 onderwerpen
9 onderwerpen
9 onderwerpen
11 onderwerpen
5 onderwerpen
Begin opnieuw