Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
40 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
destilleren
Scheiden op kookpunt: je laat het mengsel koken en vangt de damp weer op als vloeistof. Zo haal je alcohol uit wijn en benzine uit aardolie.
-
apolaire stof
Een stof waarvan de moleculen geen plus- en minkant hebben, zoals benzine en olie. Apolaire stoffen lossen in elkaar op, maar niet in water. Vandaar: gelijksoortige stoffen lossen in elkaar op.
-
hydrofiel
Letterlijk: waterminnend. Een hydrofiel deel van een molecuul trekt water aan, omdat het polair is of een lading heeft. Zeep werkt doordat een zeepmolecuul een hydrofiel en een hydrofoob uiteinde heeft.
-
massagetal
Het aantal protonen plus neutronen in de kern. Twee atomen van hetzelfde element met een verschillend massagetal heten isotopen: ze reageren gelijk, maar wegen niet hetzelfde.
-
metaalbinding
De binding in een metaal: positieve metaalionen in een zee van elektronen die vrij kunnen bewegen. Daarom geleidt een metaal stroom en warmte, en kun je het buigen zonder dat het breekt.
-
polymeer
Een heel lang molecuul dat is opgebouwd uit veel kleine, steeds terugkerende stukken. Plastic, eiwit en zetmeel zijn polymeren.
-
systeem
Het stuk werkelijkheid binnen een grens die jij kiest, met stromen die erin en eruit gaan. Welke grens je kiest, bepaalt je antwoord over massa en energie.
-
toevallige fout
Een fout die de ene keer te hoog en de andere keer te laag uitvalt, bijvoorbeeld door aflezen. Hier helpt vaker meten en het gemiddelde nemen.
-
amidebinding
De binding tussen een carbonzuurgroep en een aminegroep, met water als restproduct. Eiwitten en nylon zijn met amidebindingen aan elkaar geregen.
-
context
De situatie waarin een vraag is verpakt: een fabriek, een ziekenhuis, een meer. Je haalt er het chemische concept uit, rekent daarmee, en vertaalt je antwoord terug.
-
chemisch evenwicht
De toestand waarin de reactie naar rechts en de reactie naar links even snel gaan. Er gebeurt nog steeds iets, maar de hoeveelheden veranderen niet meer. Je schrijft er twee halve pijlen bij.
-
filtreren
Scheiden op deeltjesgrootte: de vaste stof blijft op het filter liggen en de vloeistof loopt erdoor. Werkt alleen als de stof niet is opgelost.
-
molaire massa
De massa van een mol van een stof, in gram per mol. Je rekent hem uit door de atoommassa van alle atomen in de formule bij elkaar op te tellen.
-
carbonzuur
Een stof met een COOH-groep. Carbonzuren zijn zwakke zuren; azijnzuur in azijn en citroenzuur in fruit zijn carbonzuren.
-
kookpunt
De temperatuur waarbij een vloeistof overgaat in gas. Het kookpunt zegt iets over de aantrekking tussen de moleculen, niet over de sterkte van de bindingen binnen een molecuul.
-
alcohol
Een stof met een OH-groep aan een koolstofketen. Die groep is polair, dus een kleine alcohol lost goed op in water en kookt hoger dan een koolwaterstof van dezelfde grootte.
-
bijproduct
Een stof die naast het gewenste product ontstaat en die nog bruikbaar is. Kun je er niets mee, dan is het afval, en dan kost het geld in plaats van dat het geld opbrengt.
-
programma van eisen
De meetbare eisen die je vooraf aan een opstelling of een proces stelt. Zonder die eisen is achteraf niet te zeggen of het ontwerp werkt.
-
innovatie
Een nieuwe toepassing die ook echt in gebruik komt. Een vinding is pas een innovatie als er een probleem bij past en het op schaal te maken is.
-
periodiek systeem
De tabel waarin alle elementen op atoomnummer staan. Elementen in dezelfde kolom gedragen zich hetzelfde, omdat ze evenveel elektronen in de buitenste schil hebben.
-
denaturatie
Het verliezen van de vorm van een eiwit door warmte, zuur of zout, waardoor het niet meer werkt. Een ei dat hard wordt is gedenatureerd eiwit.
-
microniveau
Het niveau van de deeltjes: atomen, ionen en moleculen, en de bindingen ertussen. Een uitleg is pas compleet als je van macroniveau naar microniveau gaat.
-
biomassa
Grondstof uit levend of recent levend materiaal, zoals hout, mais of afval uit de landbouw. De koolstof erin komt uit de lucht, dus bij verbranden gaat hij terug naar waar hij vandaan kwam.
-
structuurformule
Een tekening die laat zien welk atoom aan welk atoom vast zit. Twee stoffen met dezelfde molecuulformule kunnen een andere structuurformule hebben, en dan zijn het andere stoffen.
-
mol
Een afgesproken aantal deeltjes: 6,02 keer tien tot de macht 23. Met mol reken je van deeltjes naar grammen en terug, want een reactievergelijking geeft een verhouding in deeltjes en je weegt in grammen.
-
ion
Een atoom of groepje atomen met een lading, doordat er elektronen bij zijn gekomen of af zijn gegaan. Een positief ion heeft elektronen verloren, een negatief ion heeft ze gekregen.
-
conserveren
Bederf tegengaan door de reacties en de bacteriën te vertragen: koelen, drogen, zuur maken, zout toevoegen of de zuurstof weghalen. Het is altijd een manier om de reactiesnelheid te verlagen.
-
neutralisatie
De reactie van een zuur met een base, waarbij water ontstaat en de oplossing naar pH 7 beweegt. Hiermee maak je zuur afvalwater of een zure maag minder zuur.
-
verhoudingsformule
De formule van een zout of een metaal: de kleinste hele verhouding waarin de ionen voorkomen, zoals NaCl of CaCl2. Er bestaat geen los NaCl-molecuul.
-
bronkritiek
Nagaan wie een bron gemaakt heeft, waarop die berust en of hij bij jouw vraag past. Een meting met een beschreven methode weegt zwaarder dan een uitspraak zonder cijfers.
-
exotherm
Een proces dat warmte afstaat aan de omgeving, zoals verbranden. De omgeving wordt warmer en de producten bevatten minder chemische energie dan de beginstoffen.
-
monomeer
Het kleine molecuul waaruit een polymeer wordt opgebouwd. Etheen is het monomeer van polyetheen.
-
macroniveau
Het niveau van wat je kunt zien, ruiken en meten: een stof is wit, lost op, kookt bij een bepaalde temperatuur. In een examenvraag begin je hier vaak, en leg je het daarna uit op microniveau.
-
molecuulformule
De formule die zegt hoeveel atomen van elke soort er in een molecuul zitten, zoals C6H12O6. Hij zegt niets over hoe die atomen aan elkaar vast zitten.
-
chemische reactie
Een proces waarbij stoffen verdwijnen en er andere stoffen ontstaan. Je ziet het aan een nieuwe kleur, een gas, een neerslag of een temperatuurverandering, en je herkent het eraan dat de nieuwe stof andere eigenschappen heeft.
-
mengsel
Twee of meer stoffen door elkaar, waarbij elke stof zijn eigen eigenschappen houdt. Daarom kun je een mengsel scheiden met een fysisch proces en een verbinding niet.
-
bezinken
Scheiden op dichtheid: de zwaardere deeltjes zakken naar de bodem en je giet de vloeistof eraf. Een centrifuge versnelt hetzelfde.
-
adsorberen
Scheiden op aanhechting: een stof blijft aan een oppervlak plakken, bijvoorbeeld aan actieve kool. Zo haal je kleur- en geurstoffen uit water.
-
broeikasgas
Een gas dat warmte in de atmosfeer vasthoudt, zoals CO2 en methaan. Daarom telt bij een proces niet alleen hoeveel energie het kost, maar ook welk gas erbij vrijkomt.
-
polaire stof
Een stof waarvan de moleculen een plus- en een minkant hebben, doordat de lading niet gelijk verdeeld is. Polaire stoffen lossen goed op in water, dat zelf ook polair is.