Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

117 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. fotosynthese

    Het proces waarbij een plant met licht als energiebron glucose maakt uit koolstofdioxide en water. De zuurstof die overblijft gaat naar buiten.

    Naar de les over Fotosynthese: licht wordt suiker

  2. beargumenteerd oordeel

    Een oordeel waarbij je wetenschappelijke argumenten, maatschappelijke normen en persoonlijke opvattingen uit elkaar houdt. Dat onderscheid is zelf het antwoord op veel vragen.

    Naar de les over Feit, norm en mening uit elkaar

  3. context

    De situatie waarin een vraag is verpakt: een ziekenhuis, een natuurgebied, een sportveld. Je haalt er het biologische concept uit en vertaalt je antwoord terug naar die situatie.

    Naar de les over Een contextvraag lezen

  4. dissimilatie

    Afbreken om aan energie te komen, meestal glucose met zuurstof. Dat gebeurt dag en nacht in elke cel, ook bij planten.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  5. haarvat

    Het dunste bloedvat, één cel dik. Alleen hier worden stoffen afgeleverd bij de cellen en afvalstoffen opgehaald.

    Naar de les over Hoe stoffen door je lichaam reizen

  6. antagonist

    Een spier die de beweging van een andere spier terugdraait. Spieren kunnen alleen trekken, dus ze werken altijd in paren.

    Naar de les over Waarom spieren in paren werken

  7. microscoop

    Een instrument dat een klein preparaat vergroot. De totale vergroting is die van het oculair keer die van het objectief.

    Naar de les over Meten in de biologie

  8. DNA

    Het molecuul waarin de erfelijke informatie staat, in de volgorde van vier basen. De twee strengen passen op elkaar, en dat maakt kopiëren mogelijk.

    Naar de les over Van DNA naar eiwit

  9. hypothese

    Een verwachting die je vooraf opschrijft en die te toetsen is. Hij moet onjuist kunnen blijken, anders valt er niets mee te onderzoeken.

    Naar de les over Een proef die iets bewijst

  10. weefsel

    Een groep cellen van dezelfde soort die samen één taak doen, zoals spierweefsel of bladgroenweefsel.

    Naar de les over Zoomen: van molecuul tot ecosysteem

  11. theorie

    Een goed onderbouwde verklaring die veel waarnemingen samenbrengt, zoals de evolutietheorie. In het dagelijks spraakgebruik betekent theorie een vermoeden; in de wetenschap juist het tegenovergestelde.

    Naar de les over Hoe biologische kennis ontstaat

  12. betrouwbaar

    Of je bij herhaling hetzelfde uitkomt. Je verhoogt het door vaker te meten en met meer proefdieren of proefpersonen te werken.

    Naar de les over Een proef die iets bewijst

  13. genderidentiteit

    Het geslacht waarin iemand zich herkent. Dat hoeft niet samen te vallen met het geslacht dat bij de geboorte is vastgesteld.

    Naar de les over Seksualiteit vanuit drie invalshoeken

  14. reducent

    Een organisme dat dood materiaal afbreekt tot mineralen, zoals schimmels en bacteriën. Zonder reducenten stokt elke kringloop.

    Naar de les over De koolstofkringloop

  15. haploïd

    Met één chromosoom van elke soort. Geslachtscellen zijn haploïd, zodat er na de bevruchting weer een compleet stel ontstaat.

    Naar de les over Mitose en meiose

  16. eiwitsynthese

    Het maken van een eiwit naar het voorbeeld van een gen: eerst wordt het gen overgeschreven in RNA, daarna wordt dat RNA buiten de kern vertaald in een rij aminozuren.

    Naar de les over Van DNA naar eiwit

  17. chromosoom

    Een opgerolde streng DNA. Een mens heeft 46 chromosomen: 23 paren, waarvan één paar de geslachtschromosomen.

    Naar de les over Mitose en meiose

  18. meiose

    De deling die geslachtscellen maakt. Het aantal chromosomen wordt gehalveerd en de paren worden door elkaar gehusseld, dus elke geslachtscel is anders.

    Naar de les over Mitose en meiose

  19. dynamisch evenwicht

    Een toestand waarin aantallen schommelen rond een waarde zonder weg te lopen. Er gebeurt van alles, maar het geheel blijft overeind.

    Naar de les over Evenwicht in een ecosysteem

  20. valide

    Of je meet wat je wilde meten. Een heel nauwkeurige meting van het verkeerde ding is niet valide.

    Naar de les over Een proef die iets bewijst

  21. antistof

    Een eiwit dat precies op het oppervlak van één ziekteverwekker past en hem onschadelijk maakt of markeert voor opruiming.

    Naar de les over Hoe je afweer werkt

  22. actieve immuniteit

    Bescherming die je zelf opbouwt, doordat je de ziekte had of een prik kreeg. Er blijven geheugencellen achter, dus het gaat lang mee.

    Naar de les over Waarom een prik werkt

  23. preparaat

    Het stukje materiaal onder de microscoop, vaak dun gesneden en gekleurd zodat je de structuren kunt onderscheiden.

    Naar de les over Meten in de biologie

  24. voedselweb

    Alle voedselrelaties in een gebied door elkaar. De pijl wijst altijd naar wie eet, dus in de richting waarin de energie gaat.

    Naar de les over Een voedselweb lezen

  25. bronkritiek

    Nagaan wie een bron gemaakt heeft, waarop die berust en of hij bij jouw vraag past. Een onderzoek in een vaktijdschrift weegt zwaarder dan een bericht zonder meting erachter.

    Naar de les over Een bron beoordelen

  26. organisatieniveau

    De schaal waarop je kijkt: molecuul, cel, weefsel, orgaan, organisme, populatie, ecosysteem. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.

    Naar de les over Zoomen: van molecuul tot ecosysteem

  27. genenpoel

    Alle allelen die in een populatie voorkomen. Evolutie is op de lange termijn een verschuiving in die genenpoel.

    Naar de les over Hoe een nieuwe soort ontstaat

  28. geheugencel

    Een afweercel die na een besmetting of een prik blijft bestaan. Daardoor gaat de tweede reactie in uren in plaats van dagen.

    Naar de les over Waarom een prik werkt

  29. hormoon

    Een stof die door een klier aan het bloed wordt afgegeven en ergens anders in het lichaam iets in gang zet. Hormonen werken traag maar bereiken alles tegelijk.

    Naar de les over Je bloedsuiker op peil

  30. kruisingsschema

    Een schema waarin je de geslachtscellen van beide ouders tegen elkaar uitzet, zodat je ziet welke genotypen de kinderen kunnen krijgen en in welke verhouding.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  31. aangeboren gedrag

    Gedrag dat er van begin af aan is en niet geleerd hoeft te worden, zoals zuigen bij een baby. Het ligt vast en gaat snel.

    Naar de les over Aangeboren en aangeleerd gedrag

  32. netvlies

    De binnenkant van je oog waar de staafjes en kegeltjes zitten. Staafjes zien licht en donker, kegeltjes zien kleur.

    Naar de les over Hoe je oog scherpstelt

  33. bladgroenkorrel

    Het onderdeel in plantencellen waar fotosynthese gebeurt. Het bladgroen erin vangt het licht op.

    Naar de les over Fotosynthese: licht wordt suiker

  34. diploïd

    Met chromosomen in paren, dus twee van elke soort. Lichaamscellen zijn diploïd.

    Naar de les over Mitose en meiose

  35. biologische tekening

    Een tekening met potlood, enkele lijnen, een titel en de vergroting erbij. Je tekent wat je ziet en niet wat je verwacht te zien.

    Naar de les over Een biologisch antwoord opschrijven

  36. homeostase

    Het constant houden van de omstandigheden in je lichaam, zoals temperatuur, bloedsuiker en zuurgraad. Dat gaat met meten, vergelijken en bijsturen.

    Naar de les over Homeostase: jezelf bijsturen

  37. producent

    Een organisme dat zijn eigen voedsel maakt met fotosynthese, dus een plant of alg. Elk voedselweb begint hier.

    Naar de les over Een voedselweb lezen

  38. dominant

    Een allel dat het kenmerk laat zien ook als er maar één van is. Het overstemt het andere allel.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  39. orgaan

    Een deel van een organisme dat uit verschillende weefsels bestaat en samen één taak doet, zoals het hart of een blad.

    Naar de les over Zoomen: van molecuul tot ecosysteem

  40. populatie

    Alle individuen van één soort in hetzelfde gebied die zich met elkaar kunnen voortplanten. Evolutie speelt zich op dit niveau af.

    Naar de les over Hoe een nieuwe soort ontstaat

  41. gisting

    Dissimilatie zonder zuurstof. Het levert veel minder energie op dan verbranding, en er blijft melkzuur of alcohol over.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  42. DNA-replicatie

    Het kopiëren van DNA voor een celdeling. De dubbele helix gaat open en bij elke streng wordt een nieuwe passende streng gemaakt, dus elke kopie bevat een oude helft.

    Naar de les over DNA kopiëren

  43. celkern

    Het deel van de cel waarin het DNA ligt. Daar wordt afgelezen welk eiwit er gemaakt moet worden.

    Naar de les over Van DNA naar eiwit

  44. transcriptie

    De eerste stap van eiwitsynthese: een gen wordt in de kern overgeschreven in mRNA. Het DNA blijft daarbij zelf in de kern.

    Naar de les over Van DNA naar eiwit

  45. codon

    Een groepje van drie basen in het mRNA dat voor één aminozuur staat. Er zijn meer codons dan aminozuren, dus sommige verschillen maken niets uit.

    Naar de les over Van DNA naar eiwit

  46. glycogeen

    De opslagvorm van glucose bij dieren, vooral in de lever en de spieren. Bij planten is zetmeel de opslagvorm.

    Naar de les over Je bloedsuiker op peil

  47. genotype

    De allelen die iemand heeft, dus wat er in het DNA staat. Dat is iets anders dan wat je ziet.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  48. abiotische factor

    Een invloed uit de niet-levende omgeving: temperatuur, licht, water, bodem, zuurgraad.

    Naar de les over Evenwicht in een ecosysteem

  49. vertering

    Het knippen van grote moleculen uit je eten tot bouwstenen die klein genoeg zijn om door de darmwand te gaan. Verteren is nog niet opnemen.

    Naar de les over Van hap tot bouwstof

  50. actief transport

    Een stof juist tegen de stroom in door een membraan duwen, van weinig naar veel. Dat kost de cel energie en gebeurt met eiwitten in het membraan.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  51. aangeleerd gedrag

    Gedrag dat verandert door ervaring. Het kost tijd om te leren, maar past zich aan nieuwe omstandigheden aan.

    Naar de les over Aangeboren en aangeleerd gedrag

  52. ader

    Een bloedvat dat naar het hart toe gaat. Aders hebben kleppen, want de druk is er laag.

    Naar de les over Hoe stoffen door je lichaam reizen

  53. biodiversiteit

    De verscheidenheid aan leven, op drie niveaus: verschillen binnen een soort, het aantal soorten, en het aantal ecosystemen.

    Naar de les over Wat biodiversiteit is

  54. resorptie

    De opname van bouwstenen door de darmwand in het bloed. Dit gebeurt vooral in de dunne darm, die daarvoor vol plooien en darmvlokken zit.

    Naar de les over Van hap tot bouwstof

  55. enzym

    Een eiwit dat een reactie in een cel versnelt zonder zelf op te raken. Elk enzym past maar op een bepaalde stof, en bij te hoge temperatuur of de verkeerde pH verliest het zijn vorm en daarmee zijn werking.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  56. variatie

    De verschillen tussen individuen van dezelfde soort. Zonder variatie valt er niets te selecteren, dus hier begint elke evolutie-uitleg.

    Naar de les over Natuurlijke selectie in vier stappen

  57. levenscyclus

    De vaste reeks fasen die een soort doorloopt, van bevruchting tot volwassen en weer voortplanten. Per soort ligt de nadruk ergens anders.

    Naar de les over De levenscyclus

  58. celdifferentiatie

    Het proces waarbij een cel zich specialiseert tot bijvoorbeeld spiercel of zenuwcel. Daarna kan hij meestal niet meer terug.

    Naar de les over Waarom cellen verschillend worden

  59. homozygoot

    Met twee dezelfde allelen voor een kenmerk. Iemand met een recessieve aandoening is altijd homozygoot.

    Naar de les over Een stamboom lezen

  60. indicatorsoort

    Een soort die alleen voorkomt onder bepaalde omstandigheden. Vind je hem, dan weet je iets over het water of de bodem zonder te meten.

    Naar de les over Eén soort weg, en dan?

  61. insuline

    Het hormoon dat je bloedsuiker verlaagt: glucose gaat de cellen in en de lever slaat het overschot op als glycogeen.

    Naar de les over Je bloedsuiker op peil

  62. mutatie

    Een verandering in het DNA. De meeste doen niets, sommige zijn schadelijk, en een enkele levert iets op waar selectie mee verder kan.

    Naar de les over Natuurlijke selectie in vier stappen

  63. recombinatie

    Het door elkaar husselen van erfelijk materiaal bij de meiose en de bevruchting. Dit levert samen met mutatie de variatie waar selectie op werkt.

    Naar de les over Mitose en meiose

  64. gedrag

    Alles wat een organisme waarneembaar doet. Je legt het uit met de vraag hoe het werkt én met de vraag waar het goed voor is; dat zijn twee verschillende antwoorden.

    Naar de les over Aangeboren en aangeleerd gedrag

  65. glucagon

    Het hormoon dat je bloedsuiker verhoogt door de lever glycogeen te laten afbreken tot glucose. Het is de tegenpool van insuline.

    Naar de les over Je bloedsuiker op peil

  66. antigeen

    Een stof op het oppervlak van een indringer die je afweer herkent als vreemd. Op dat antigeen wordt de antistof gemaakt.

    Naar de les over Hoe je afweer werkt

  67. kringloop

    De weg die stoffen in een ecosysteem steeds opnieuw afleggen, zoals koolstof en stikstof. Stoffen gaan rond, energie gaat er doorheen en verdwijnt.

    Naar de les over De koolstofkringloop

  68. assimilatie

    Opbouwen: van kleine bouwstenen grote moleculen maken. Dat kost energie. Fotosynthese en eiwitsynthese zijn vormen van assimilatie.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  69. onafhankelijke variabele

    Wat jij in een proef zelf instelt. Wat je daarna meet is de afhankelijke variabele, en alle andere factoren houd je gelijk.

    Naar de les over Een proef die iets bewijst

  70. X-gebonden

    Een gen dat op het X-chromosoom ligt. Een recessieve X-gebonden aandoening komt veel vaker bij jongens voor, want zij hebben maar één X.

    Naar de les over Een stamboom lezen

  71. mitose

    De gewone celdeling, waarbij twee cellen ontstaan met precies hetzelfde DNA. Dit is de deling voor groei en herstel.

    Naar de les over Mitose en meiose

  72. programma van eisen

    De meetbare eisen die je vooraf opschrijft voor een ontwerp. Daarmee kun je achteraf beoordelen of het gelukt is.

    Naar de les over Van probleem naar ontwerp

  73. controlegroep

    De groep waarbij je de behandeling juist weglaat, met al het andere hetzelfde. Zonder controlegroep weet je niet waardoor je resultaat komt.

    Naar de les over Een proef die iets bewijst

  74. genexpressie

    Of een gen in een cel aan of uit staat. Alle cellen van een organisme hebben hetzelfde DNA; wat ze van elkaar laat verschillen is welke genen er worden afgelezen.

    Naar de les over Genen aan en uit zetten

  75. uitscheiding

    Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam, vooral door de nieren en de longen. Dat is iets anders dan ontlasting: die is nooit in je bloed geweest.

    Naar de les over Hoe stoffen door je lichaam reizen

  76. zintuig

    Een orgaan dat een prikkel uit de omgeving omzet in een signaal voor je zenuwen. Elk zintuig reageert op zijn eigen soort prikkel.

    Naar de les over Van prikkel naar waarneming

  77. heterozygoot

    Met twee verschillende allelen. Bij een recessieve aandoening heet zo iemand drager: zelf niets te merken, wel door te geven.

    Naar de les over Een stamboom lezen

  78. seksuele oriëntatie

    Op wie iemand verliefd wordt of zich seksueel aangetrokken voelt. Dat staat los van geslacht en van genderidentiteit.

    Naar de les over Seksualiteit vanuit drie invalshoeken

  79. soortvorming

    Het ontstaan van een nieuwe soort, meestal doordat twee populaties gescheiden raken en los van elkaar veranderen tot ze zich niet meer met elkaar kunnen voortplanten.

    Naar de les over Hoe een nieuwe soort ontstaat

  80. ecosysteem

    Alle organismen in een gebied samen met hun omgeving, en alles wat daartussen gebeurt. Een ecosysteem heeft geen scherpe grens; je kiest hem zelf bij je vraag.

    Naar de les over Evenwicht in een ecosysteem

  81. osmose

    Diffusie van water door een membraan dat wel water doorlaat maar de opgeloste stof niet. Water gaat naar de kant waar de oplossing het sterkst is.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  82. stamboom

    Een schema van een familie waarin je ziet wie een kenmerk heeft. Twee ouders zonder met een kind met: dan is het allel recessief.

    Naar de les over Een stamboom lezen

  83. duurzaamheid

    Gebruiken zonder uit te putten, zodat het ook later nog kan. In de biologie gaat het vaak over de vraag of een gebruik binnen de draagkracht blijft.

    Naar de les over Eén soort weg, en dan?

  84. denatureren

    Het verliezen van de vorm van een eiwit door hitte, zuur of zout, waardoor het niet meer werkt. Een gekookt ei komt niet meer terug.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  85. consument

    Een organisme dat andere organismen eet. Een planteneter is eerste orde, wie die planteneter eet is tweede orde.

    Naar de les over Een voedselweb lezen

  86. model

    Een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid om iets uit te leggen of te voorspellen. Elk model laat iets weg; de vraag is of dat voor jouw vraag uitmaakt.

    Naar de les over Een model klopt nooit helemaal

  87. substraat

    De stof waar een enzym op past en mee werkt. Het enzym en het substraat passen op elkaar als een sleutel in een slot; daarom werkt een enzym maar voor één soort reactie.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  88. allel

    Een van de varianten van een gen. Je hebt er twee van, één van elke ouder, en samen bepalen ze het kenmerk.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  89. zenuwcel

    Een cel die een prikkel razendsnel over een lange afstand doorgeeft. Zenuwen werken snel en gericht, hormonen traag en breed.

    Naar de les over Van prikkel naar waarneming

  90. passieve immuniteit

    Bescherming door antistoffen die je van buiten krijgt, bijvoorbeeld van je moeder of via een injectie. Werkt meteen, maar is na weken weg.

    Naar de les over Waarom een prik werkt

  91. draagkracht

    Het aantal individuen van een soort dat een gebied kan onderhouden. Boven die grens daalt de populatie weer, door voedselgebrek of ziekte.

    Naar de les over Evenwicht in een ecosysteem

  92. aanpassing

    Een kenmerk dat een organisme beter laat passen bij zijn omgeving. Let op: een individu past zich niet aan, een populatie verandert over generaties.

    Naar de les over De waarom-vraag in de biologie

  93. vorm-functiedenken

    Uit de bouw van iets afleiden waar het voor dient, en andersom. Een lange darm met plooien wijst op opname, een scherpe tand op vlees eten.

    Naar de les over Vorm verraadt functie

  94. fenotype

    Wat je aan een organisme kunt waarnemen. Het fenotype hangt af van het genotype én van de omgeving.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  95. energiestroom

    De weg die energie door een ecosysteem aflegt, van licht via producenten naar consumenten. Bij elke stap gaat het meeste verloren als warmte; daarom is er geen lange keten.

    Naar de les over Een voedselweb lezen

  96. sleutelsoort

    Een soort waar veel andere soorten van afhangen. Verdwijnt die, dan verandert het hele ecosysteem.

    Naar de les over Eén soort weg, en dan?

  97. gen

    Een stuk DNA met de code voor één eiwit of kenmerk. Een organisme heeft duizenden genen, maar in een cel staat lang niet alles aan.

    Naar de les over Genen aan en uit zetten

  98. ongeslachtelijke voortplanting

    Nageslacht uit één ouder, genetisch identiek. Snel en zeker, maar zonder variatie, en dus kwetsbaar als de omstandigheden veranderen.

    Naar de les over Voortplanting met of zonder partner

  99. celmembraan

    Het laagje om de cel dat bepaalt wat er in en uit mag. Het is selectief doorlaatbaar: kleine en vetachtige stoffen gaan er makkelijk door, grote en geladen niet zomaar.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  100. stamcel

    Een cel die zich nog kan delen én nog kan specialiseren. Daarom zijn stamcellen interessant voor het herstellen van weefsel.

    Naar de les over Waarom cellen verschillend worden

  101. reflex

    Een vaste, snelle reactie die buiten je wil om gaat. De route loopt via het ruggenmerg, dus je hersenen merken het pas als het al gebeurd is.

    Naar de les over Van prikkel naar waarneming

  102. mitochondrion

    Het onderdeel waar de verbranding plaatsvindt. Hier wordt glucose met zuurstof omgezet en komt de energie vrij waar de cel op draait.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  103. afweer

    Alles wat je lichaam doet om ziekteverwekkers buiten te houden en op te ruimen. De niet-specifieke afweer werkt tegen alles, de specifieke afweer werkt op maat.

    Naar de les over Hoe je afweer werkt

  104. accommodatie

    Het scherpstellen van je oog door de lens boller of platter te maken. Voor dichtbij spant de kringspier aan en wordt de lens bol.

    Naar de les over Hoe je oog scherpstelt

  105. translatie

    De tweede stap: het mRNA wordt buiten de kern per drie basen gelezen en omgezet in aminozuren, die aan elkaar geregen worden tot een eiwit.

    Naar de les over Van DNA naar eiwit

  106. biotische factor

    Een invloed die van levende wezens komt: voedsel, roofdieren, concurrentie, ziekte.

    Naar de les over Evenwicht in een ecosysteem

  107. selectiedruk

    Iets in de omgeving waardoor niet iedereen even goed overleeft of zich voortplant, zoals kou, een roofdier of een bestrijdingsmiddel.

    Naar de les over Natuurlijke selectie in vier stappen

  108. bevruchting

    Het samensmelten van een eicel en een zaadcel tot één cel met een compleet stel chromosomen.

    Naar de les over Voortplanting met of zonder partner

  109. isolatie

    Het gescheiden raken van populaties, door een rivier, een gebergte of een verschil in paartijd. Zonder uitwisseling van genen kunnen ze uit elkaar groeien.

    Naar de les over Hoe een nieuwe soort ontstaat

  110. successie

    De geleidelijke opvolging van levensgemeenschappen in een gebied, van kaal zand tot bos. Elke stap verandert de omgeving voor de volgende.

    Naar de les over Evenwicht in een ecosysteem

  111. recessief

    Een allel dat het kenmerk alleen laat zien als er geen dominant allel naast staat, dus bij twee dezelfde.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  112. cel

    De kleinste eenheid die leeft. Een cel heeft een celmembraan, cytoplasma en bij planten ook een celwand. Alles wat een organisme doet, gebeurt uiteindelijk in cellen.

    Naar de les over Zoomen: van molecuul tot ecosysteem

  113. leerdoel

    In één zin wat je nog niet kunt, bijvoorbeeld: ik haal mitose en meiose door elkaar. Dat is bruikbaarder dan de constatering dat iets fout ging.

    Naar de les over Weten of je het echt snapt

  114. slagader

    Een bloedvat dat van het hart af gaat. Dat zegt niets over zuurstof: de longslagader vervoert juist zuurstofarm bloed.

    Naar de les over Hoe stoffen door je lichaam reizen

  115. diffusie

    Het vanzelf verspreiden van deeltjes van een plek met veel naar een plek met weinig. Zo komt zuurstof van de longblaasjes in je bloed; er is geen energie voor nodig.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  116. natuurlijke selectie

    Het proces waarbij individuen die beter passen bij hun omgeving meer nakomelingen krijgen. Je legt het uit in vier stappen: variatie, selectiedruk, overleven en voortplanten, en doorgeven.

    Naar de les over Natuurlijke selectie in vier stappen

  117. negatieve terugkoppeling

    Een regeling waarbij het antwoord de verstoring tegengaat en zichzelf daarmee uitzet. Bijna alle regelsystemen in je lichaam werken zo.

    Naar de les over Je bloedsuiker op peil

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 117 begrippen.

6 onderwerpen
5 onderwerpen
6 onderwerpen
4 onderwerpen
10 onderwerpen
11 onderwerpen
Begin opnieuw