Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
117 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
fotosynthese
Het proces waarbij een plant met licht als energiebron glucose maakt uit koolstofdioxide en water. De zuurstof die overblijft gaat naar buiten.
-
beargumenteerd oordeel
Een oordeel waarbij je wetenschappelijke argumenten, maatschappelijke normen en persoonlijke opvattingen uit elkaar houdt. Dat onderscheid is zelf het antwoord op veel vragen.
-
context
De situatie waarin een vraag is verpakt: een ziekenhuis, een natuurgebied, een sportveld. Je haalt er het biologische concept uit en vertaalt je antwoord terug naar die situatie.
-
dissimilatie
Afbreken om aan energie te komen, meestal glucose met zuurstof. Dat gebeurt dag en nacht in elke cel, ook bij planten.
-
haarvat
Het dunste bloedvat, één cel dik. Alleen hier worden stoffen afgeleverd bij de cellen en afvalstoffen opgehaald.
-
antagonist
Een spier die de beweging van een andere spier terugdraait. Spieren kunnen alleen trekken, dus ze werken altijd in paren.
-
microscoop
Een instrument dat een klein preparaat vergroot. De totale vergroting is die van het oculair keer die van het objectief.
-
DNA
Het molecuul waarin de erfelijke informatie staat, in de volgorde van vier basen. De twee strengen passen op elkaar, en dat maakt kopiëren mogelijk.
-
hypothese
Een verwachting die je vooraf opschrijft en die te toetsen is. Hij moet onjuist kunnen blijken, anders valt er niets mee te onderzoeken.
-
weefsel
Een groep cellen van dezelfde soort die samen één taak doen, zoals spierweefsel of bladgroenweefsel.
-
theorie
Een goed onderbouwde verklaring die veel waarnemingen samenbrengt, zoals de evolutietheorie. In het dagelijks spraakgebruik betekent theorie een vermoeden; in de wetenschap juist het tegenovergestelde.
-
betrouwbaar
Of je bij herhaling hetzelfde uitkomt. Je verhoogt het door vaker te meten en met meer proefdieren of proefpersonen te werken.
-
genderidentiteit
Het geslacht waarin iemand zich herkent. Dat hoeft niet samen te vallen met het geslacht dat bij de geboorte is vastgesteld.
-
reducent
Een organisme dat dood materiaal afbreekt tot mineralen, zoals schimmels en bacteriën. Zonder reducenten stokt elke kringloop.
-
haploïd
Met één chromosoom van elke soort. Geslachtscellen zijn haploïd, zodat er na de bevruchting weer een compleet stel ontstaat.
-
eiwitsynthese
Het maken van een eiwit naar het voorbeeld van een gen: eerst wordt het gen overgeschreven in RNA, daarna wordt dat RNA buiten de kern vertaald in een rij aminozuren.
-
chromosoom
Een opgerolde streng DNA. Een mens heeft 46 chromosomen: 23 paren, waarvan één paar de geslachtschromosomen.
-
meiose
De deling die geslachtscellen maakt. Het aantal chromosomen wordt gehalveerd en de paren worden door elkaar gehusseld, dus elke geslachtscel is anders.
-
dynamisch evenwicht
Een toestand waarin aantallen schommelen rond een waarde zonder weg te lopen. Er gebeurt van alles, maar het geheel blijft overeind.
-
valide
Of je meet wat je wilde meten. Een heel nauwkeurige meting van het verkeerde ding is niet valide.
-
antistof
Een eiwit dat precies op het oppervlak van één ziekteverwekker past en hem onschadelijk maakt of markeert voor opruiming.
-
actieve immuniteit
Bescherming die je zelf opbouwt, doordat je de ziekte had of een prik kreeg. Er blijven geheugencellen achter, dus het gaat lang mee.
-
preparaat
Het stukje materiaal onder de microscoop, vaak dun gesneden en gekleurd zodat je de structuren kunt onderscheiden.
-
voedselweb
Alle voedselrelaties in een gebied door elkaar. De pijl wijst altijd naar wie eet, dus in de richting waarin de energie gaat.
-
bronkritiek
Nagaan wie een bron gemaakt heeft, waarop die berust en of hij bij jouw vraag past. Een onderzoek in een vaktijdschrift weegt zwaarder dan een bericht zonder meting erachter.
-
organisatieniveau
De schaal waarop je kijkt: molecuul, cel, weefsel, orgaan, organisme, populatie, ecosysteem. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.
-
genenpoel
Alle allelen die in een populatie voorkomen. Evolutie is op de lange termijn een verschuiving in die genenpoel.
-
geheugencel
Een afweercel die na een besmetting of een prik blijft bestaan. Daardoor gaat de tweede reactie in uren in plaats van dagen.
-
hormoon
Een stof die door een klier aan het bloed wordt afgegeven en ergens anders in het lichaam iets in gang zet. Hormonen werken traag maar bereiken alles tegelijk.
-
kruisingsschema
Een schema waarin je de geslachtscellen van beide ouders tegen elkaar uitzet, zodat je ziet welke genotypen de kinderen kunnen krijgen en in welke verhouding.
-
aangeboren gedrag
Gedrag dat er van begin af aan is en niet geleerd hoeft te worden, zoals zuigen bij een baby. Het ligt vast en gaat snel.
-
netvlies
De binnenkant van je oog waar de staafjes en kegeltjes zitten. Staafjes zien licht en donker, kegeltjes zien kleur.
-
bladgroenkorrel
Het onderdeel in plantencellen waar fotosynthese gebeurt. Het bladgroen erin vangt het licht op.
-
diploïd
Met chromosomen in paren, dus twee van elke soort. Lichaamscellen zijn diploïd.
-
biologische tekening
Een tekening met potlood, enkele lijnen, een titel en de vergroting erbij. Je tekent wat je ziet en niet wat je verwacht te zien.
-
homeostase
Het constant houden van de omstandigheden in je lichaam, zoals temperatuur, bloedsuiker en zuurgraad. Dat gaat met meten, vergelijken en bijsturen.
-
producent
Een organisme dat zijn eigen voedsel maakt met fotosynthese, dus een plant of alg. Elk voedselweb begint hier.
-
dominant
Een allel dat het kenmerk laat zien ook als er maar één van is. Het overstemt het andere allel.
-
orgaan
Een deel van een organisme dat uit verschillende weefsels bestaat en samen één taak doet, zoals het hart of een blad.
-
populatie
Alle individuen van één soort in hetzelfde gebied die zich met elkaar kunnen voortplanten. Evolutie speelt zich op dit niveau af.
-
gisting
Dissimilatie zonder zuurstof. Het levert veel minder energie op dan verbranding, en er blijft melkzuur of alcohol over.
-
DNA-replicatie
Het kopiëren van DNA voor een celdeling. De dubbele helix gaat open en bij elke streng wordt een nieuwe passende streng gemaakt, dus elke kopie bevat een oude helft.
-
celkern
Het deel van de cel waarin het DNA ligt. Daar wordt afgelezen welk eiwit er gemaakt moet worden.
-
transcriptie
De eerste stap van eiwitsynthese: een gen wordt in de kern overgeschreven in mRNA. Het DNA blijft daarbij zelf in de kern.
-
codon
Een groepje van drie basen in het mRNA dat voor één aminozuur staat. Er zijn meer codons dan aminozuren, dus sommige verschillen maken niets uit.
-
glycogeen
De opslagvorm van glucose bij dieren, vooral in de lever en de spieren. Bij planten is zetmeel de opslagvorm.
-
genotype
De allelen die iemand heeft, dus wat er in het DNA staat. Dat is iets anders dan wat je ziet.
-
abiotische factor
Een invloed uit de niet-levende omgeving: temperatuur, licht, water, bodem, zuurgraad.
-
vertering
Het knippen van grote moleculen uit je eten tot bouwstenen die klein genoeg zijn om door de darmwand te gaan. Verteren is nog niet opnemen.
-
actief transport
Een stof juist tegen de stroom in door een membraan duwen, van weinig naar veel. Dat kost de cel energie en gebeurt met eiwitten in het membraan.
-
aangeleerd gedrag
Gedrag dat verandert door ervaring. Het kost tijd om te leren, maar past zich aan nieuwe omstandigheden aan.
-
ader
Een bloedvat dat naar het hart toe gaat. Aders hebben kleppen, want de druk is er laag.
-
biodiversiteit
De verscheidenheid aan leven, op drie niveaus: verschillen binnen een soort, het aantal soorten, en het aantal ecosystemen.
-
resorptie
De opname van bouwstenen door de darmwand in het bloed. Dit gebeurt vooral in de dunne darm, die daarvoor vol plooien en darmvlokken zit.
-
enzym
Een eiwit dat een reactie in een cel versnelt zonder zelf op te raken. Elk enzym past maar op een bepaalde stof, en bij te hoge temperatuur of de verkeerde pH verliest het zijn vorm en daarmee zijn werking.
-
variatie
De verschillen tussen individuen van dezelfde soort. Zonder variatie valt er niets te selecteren, dus hier begint elke evolutie-uitleg.
-
levenscyclus
De vaste reeks fasen die een soort doorloopt, van bevruchting tot volwassen en weer voortplanten. Per soort ligt de nadruk ergens anders.
-
celdifferentiatie
Het proces waarbij een cel zich specialiseert tot bijvoorbeeld spiercel of zenuwcel. Daarna kan hij meestal niet meer terug.
-
homozygoot
Met twee dezelfde allelen voor een kenmerk. Iemand met een recessieve aandoening is altijd homozygoot.
-
indicatorsoort
Een soort die alleen voorkomt onder bepaalde omstandigheden. Vind je hem, dan weet je iets over het water of de bodem zonder te meten.
-
insuline
Het hormoon dat je bloedsuiker verlaagt: glucose gaat de cellen in en de lever slaat het overschot op als glycogeen.
-
mutatie
Een verandering in het DNA. De meeste doen niets, sommige zijn schadelijk, en een enkele levert iets op waar selectie mee verder kan.
-
recombinatie
Het door elkaar husselen van erfelijk materiaal bij de meiose en de bevruchting. Dit levert samen met mutatie de variatie waar selectie op werkt.
-
gedrag
Alles wat een organisme waarneembaar doet. Je legt het uit met de vraag hoe het werkt én met de vraag waar het goed voor is; dat zijn twee verschillende antwoorden.
-
glucagon
Het hormoon dat je bloedsuiker verhoogt door de lever glycogeen te laten afbreken tot glucose. Het is de tegenpool van insuline.
-
antigeen
Een stof op het oppervlak van een indringer die je afweer herkent als vreemd. Op dat antigeen wordt de antistof gemaakt.
-
kringloop
De weg die stoffen in een ecosysteem steeds opnieuw afleggen, zoals koolstof en stikstof. Stoffen gaan rond, energie gaat er doorheen en verdwijnt.
-
assimilatie
Opbouwen: van kleine bouwstenen grote moleculen maken. Dat kost energie. Fotosynthese en eiwitsynthese zijn vormen van assimilatie.
-
onafhankelijke variabele
Wat jij in een proef zelf instelt. Wat je daarna meet is de afhankelijke variabele, en alle andere factoren houd je gelijk.
-
X-gebonden
Een gen dat op het X-chromosoom ligt. Een recessieve X-gebonden aandoening komt veel vaker bij jongens voor, want zij hebben maar één X.
-
mitose
De gewone celdeling, waarbij twee cellen ontstaan met precies hetzelfde DNA. Dit is de deling voor groei en herstel.
-
programma van eisen
De meetbare eisen die je vooraf opschrijft voor een ontwerp. Daarmee kun je achteraf beoordelen of het gelukt is.
-
controlegroep
De groep waarbij je de behandeling juist weglaat, met al het andere hetzelfde. Zonder controlegroep weet je niet waardoor je resultaat komt.
-
genexpressie
Of een gen in een cel aan of uit staat. Alle cellen van een organisme hebben hetzelfde DNA; wat ze van elkaar laat verschillen is welke genen er worden afgelezen.
-
uitscheiding
Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam, vooral door de nieren en de longen. Dat is iets anders dan ontlasting: die is nooit in je bloed geweest.
-
zintuig
Een orgaan dat een prikkel uit de omgeving omzet in een signaal voor je zenuwen. Elk zintuig reageert op zijn eigen soort prikkel.
-
heterozygoot
Met twee verschillende allelen. Bij een recessieve aandoening heet zo iemand drager: zelf niets te merken, wel door te geven.
-
seksuele oriëntatie
Op wie iemand verliefd wordt of zich seksueel aangetrokken voelt. Dat staat los van geslacht en van genderidentiteit.
-
soortvorming
Het ontstaan van een nieuwe soort, meestal doordat twee populaties gescheiden raken en los van elkaar veranderen tot ze zich niet meer met elkaar kunnen voortplanten.
-
ecosysteem
Alle organismen in een gebied samen met hun omgeving, en alles wat daartussen gebeurt. Een ecosysteem heeft geen scherpe grens; je kiest hem zelf bij je vraag.
-
osmose
Diffusie van water door een membraan dat wel water doorlaat maar de opgeloste stof niet. Water gaat naar de kant waar de oplossing het sterkst is.
-
stamboom
Een schema van een familie waarin je ziet wie een kenmerk heeft. Twee ouders zonder met een kind met: dan is het allel recessief.
-
duurzaamheid
Gebruiken zonder uit te putten, zodat het ook later nog kan. In de biologie gaat het vaak over de vraag of een gebruik binnen de draagkracht blijft.
-
denatureren
Het verliezen van de vorm van een eiwit door hitte, zuur of zout, waardoor het niet meer werkt. Een gekookt ei komt niet meer terug.
-
consument
Een organisme dat andere organismen eet. Een planteneter is eerste orde, wie die planteneter eet is tweede orde.
-
model
Een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid om iets uit te leggen of te voorspellen. Elk model laat iets weg; de vraag is of dat voor jouw vraag uitmaakt.
-
substraat
De stof waar een enzym op past en mee werkt. Het enzym en het substraat passen op elkaar als een sleutel in een slot; daarom werkt een enzym maar voor één soort reactie.
-
allel
Een van de varianten van een gen. Je hebt er twee van, één van elke ouder, en samen bepalen ze het kenmerk.
-
zenuwcel
Een cel die een prikkel razendsnel over een lange afstand doorgeeft. Zenuwen werken snel en gericht, hormonen traag en breed.
-
passieve immuniteit
Bescherming door antistoffen die je van buiten krijgt, bijvoorbeeld van je moeder of via een injectie. Werkt meteen, maar is na weken weg.
-
draagkracht
Het aantal individuen van een soort dat een gebied kan onderhouden. Boven die grens daalt de populatie weer, door voedselgebrek of ziekte.
-
aanpassing
Een kenmerk dat een organisme beter laat passen bij zijn omgeving. Let op: een individu past zich niet aan, een populatie verandert over generaties.
-
vorm-functiedenken
Uit de bouw van iets afleiden waar het voor dient, en andersom. Een lange darm met plooien wijst op opname, een scherpe tand op vlees eten.
-
fenotype
Wat je aan een organisme kunt waarnemen. Het fenotype hangt af van het genotype én van de omgeving.
-
energiestroom
De weg die energie door een ecosysteem aflegt, van licht via producenten naar consumenten. Bij elke stap gaat het meeste verloren als warmte; daarom is er geen lange keten.
-
sleutelsoort
Een soort waar veel andere soorten van afhangen. Verdwijnt die, dan verandert het hele ecosysteem.
-
gen
Een stuk DNA met de code voor één eiwit of kenmerk. Een organisme heeft duizenden genen, maar in een cel staat lang niet alles aan.
-
ongeslachtelijke voortplanting
Nageslacht uit één ouder, genetisch identiek. Snel en zeker, maar zonder variatie, en dus kwetsbaar als de omstandigheden veranderen.
-
celmembraan
Het laagje om de cel dat bepaalt wat er in en uit mag. Het is selectief doorlaatbaar: kleine en vetachtige stoffen gaan er makkelijk door, grote en geladen niet zomaar.
-
stamcel
Een cel die zich nog kan delen én nog kan specialiseren. Daarom zijn stamcellen interessant voor het herstellen van weefsel.
-
reflex
Een vaste, snelle reactie die buiten je wil om gaat. De route loopt via het ruggenmerg, dus je hersenen merken het pas als het al gebeurd is.
-
mitochondrion
Het onderdeel waar de verbranding plaatsvindt. Hier wordt glucose met zuurstof omgezet en komt de energie vrij waar de cel op draait.
-
afweer
Alles wat je lichaam doet om ziekteverwekkers buiten te houden en op te ruimen. De niet-specifieke afweer werkt tegen alles, de specifieke afweer werkt op maat.
-
accommodatie
Het scherpstellen van je oog door de lens boller of platter te maken. Voor dichtbij spant de kringspier aan en wordt de lens bol.
-
translatie
De tweede stap: het mRNA wordt buiten de kern per drie basen gelezen en omgezet in aminozuren, die aan elkaar geregen worden tot een eiwit.
-
biotische factor
Een invloed die van levende wezens komt: voedsel, roofdieren, concurrentie, ziekte.
-
selectiedruk
Iets in de omgeving waardoor niet iedereen even goed overleeft of zich voortplant, zoals kou, een roofdier of een bestrijdingsmiddel.
-
bevruchting
Het samensmelten van een eicel en een zaadcel tot één cel met een compleet stel chromosomen.
-
isolatie
Het gescheiden raken van populaties, door een rivier, een gebergte of een verschil in paartijd. Zonder uitwisseling van genen kunnen ze uit elkaar groeien.
-
successie
De geleidelijke opvolging van levensgemeenschappen in een gebied, van kaal zand tot bos. Elke stap verandert de omgeving voor de volgende.
-
recessief
Een allel dat het kenmerk alleen laat zien als er geen dominant allel naast staat, dus bij twee dezelfde.
-
cel
De kleinste eenheid die leeft. Een cel heeft een celmembraan, cytoplasma en bij planten ook een celwand. Alles wat een organisme doet, gebeurt uiteindelijk in cellen.
-
leerdoel
In één zin wat je nog niet kunt, bijvoorbeeld: ik haal mitose en meiose door elkaar. Dat is bruikbaarder dan de constatering dat iets fout ging.
-
slagader
Een bloedvat dat van het hart af gaat. Dat zegt niets over zuurstof: de longslagader vervoert juist zuurstofarm bloed.
-
diffusie
Het vanzelf verspreiden van deeltjes van een plek met veel naar een plek met weinig. Zo komt zuurstof van de longblaasjes in je bloed; er is geen energie voor nodig.
-
natuurlijke selectie
Het proces waarbij individuen die beter passen bij hun omgeving meer nakomelingen krijgen. Je legt het uit in vier stappen: variatie, selectiedruk, overleven en voortplanten, en doorgeven.
-
negatieve terugkoppeling
Een regeling waarbij het antwoord de verstoring tegengaat en zichzelf daarmee uitzet. Bijna alle regelsystemen in je lichaam werken zo.