Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
10 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
insuline
Het hormoon dat je bloedsuiker verlaagt: glucose gaat de cellen in en de lever slaat het overschot op als glycogeen.
-
dominant
Een allel dat het kenmerk laat zien ook als er maar één van is. Het overstemt het andere allel.
-
accommodatie
Het scherpstellen van je oog door de lens boller of platter te maken. Voor dichtbij spant de kringspier aan en wordt de lens bol.
-
duurzaamheid
Gebruiken zonder uit te putten, zodat het ook later nog kan. In de biologie gaat het vaak over de vraag of een gebruik binnen de draagkracht blijft.
-
aangeleerd gedrag
Gedrag dat verandert door ervaring. Het kost tijd om te leren, maar past zich aan nieuwe omstandigheden aan.
-
stamcel
Een cel die zich nog kan delen én nog kan specialiseren. Daarom zijn stamcellen interessant voor het herstellen van weefsel.
-
substraat
De stof waar een enzym op past en mee werkt. Het enzym en het substraat passen op elkaar als een sleutel in een slot; daarom werkt een enzym maar voor één soort reactie.
-
dynamisch evenwicht
Een toestand waarin aantallen schommelen rond een waarde zonder weg te lopen. Er gebeurt van alles, maar het geheel blijft overeind.
-
actieve immuniteit
Bescherming die je zelf opbouwt, doordat je de ziekte had of een prik kreeg. Er blijven geheugencellen achter, dus het gaat lang mee.
-
X-gebonden
Een gen dat op het X-chromosoom ligt. Een recessieve X-gebonden aandoening komt veel vaker bij jongens voor, want zij hebben maar één X.