Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
20 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
context
De situatie waarin een vraag is verpakt: een ziekenhuis, een natuurgebied, een sportveld. Je haalt er het biologische concept uit en vertaalt je antwoord terug naar die situatie.
-
dissimilatie
Afbreken om aan energie te komen, meestal glucose met zuurstof. Dat gebeurt dag en nacht in elke cel, ook bij planten.
-
reflex
Een vaste, snelle reactie die buiten je wil om gaat. De route loopt via het ruggenmerg, dus je hersenen merken het pas als het al gebeurd is.
-
consument
Een organisme dat andere organismen eet. Een planteneter is eerste orde, wie die planteneter eet is tweede orde.
-
vorm-functiedenken
Uit de bouw van iets afleiden waar het voor dient, en andersom. Een lange darm met plooien wijst op opname, een scherpe tand op vlees eten.
-
fotosynthese
Het proces waarbij een plant met licht als energiebron glucose maakt uit koolstofdioxide en water. De zuurstof die overblijft gaat naar buiten.
-
energiestroom
De weg die energie door een ecosysteem aflegt, van licht via producenten naar consumenten. Bij elke stap gaat het meeste verloren als warmte; daarom is er geen lange keten.
-
glycogeen
De opslagvorm van glucose bij dieren, vooral in de lever en de spieren. Bij planten is zetmeel de opslagvorm.
-
codon
Een groepje van drie basen in het mRNA dat voor één aminozuur staat. Er zijn meer codons dan aminozuren, dus sommige verschillen maken niets uit.
-
haploïd
Met één chromosoom van elke soort. Geslachtscellen zijn haploïd, zodat er na de bevruchting weer een compleet stel ontstaat.
-
sleutelsoort
Een soort waar veel andere soorten van afhangen. Verdwijnt die, dan verandert het hele ecosysteem.
-
programma van eisen
De meetbare eisen die je vooraf opschrijft voor een ontwerp. Daarmee kun je achteraf beoordelen of het gelukt is.
-
biotische factor
Een invloed die van levende wezens komt: voedsel, roofdieren, concurrentie, ziekte.
-
microscoop
Een instrument dat een klein preparaat vergroot. De totale vergroting is die van het oculair keer die van het objectief.
-
negatieve terugkoppeling
Een regeling waarbij het antwoord de verstoring tegengaat en zichzelf daarmee uitzet. Bijna alle regelsystemen in je lichaam werken zo.
-
genexpressie
Of een gen in een cel aan of uit staat. Alle cellen van een organisme hebben hetzelfde DNA; wat ze van elkaar laat verschillen is welke genen er worden afgelezen.
-
zenuwcel
Een cel die een prikkel razendsnel over een lange afstand doorgeeft. Zenuwen werken snel en gericht, hormonen traag en breed.
-
variatie
De verschillen tussen individuen van dezelfde soort. Zonder variatie valt er niets te selecteren, dus hier begint elke evolutie-uitleg.
-
organisatieniveau
De schaal waarop je kijkt: molecuul, cel, weefsel, orgaan, organisme, populatie, ecosysteem. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.
-
soortvorming
Het ontstaan van een nieuwe soort, meestal doordat twee populaties gescheiden raken en los van elkaar veranderen tot ze zich niet meer met elkaar kunnen voortplanten.