Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

40 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. producent

    Een organisme dat zijn eigen voedsel maakt met fotosynthese, dus een plant of alg. Elk voedselweb begint hier.

    Naar de les over Een voedselweb lezen

  2. biodiversiteit

    De verscheidenheid aan leven, op drie niveaus: verschillen binnen een soort, het aantal soorten, en het aantal ecosystemen.

    Naar de les over Wat biodiversiteit is

  3. aangeboren gedrag

    Gedrag dat er van begin af aan is en niet geleerd hoeft te worden, zoals zuigen bij een baby. Het ligt vast en gaat snel.

    Naar de les over Aangeboren en aangeleerd gedrag

  4. insuline

    Het hormoon dat je bloedsuiker verlaagt: glucose gaat de cellen in en de lever slaat het overschot op als glycogeen.

    Naar de les over Je bloedsuiker op peil

  5. indicatorsoort

    Een soort die alleen voorkomt onder bepaalde omstandigheden. Vind je hem, dan weet je iets over het water of de bodem zonder te meten.

    Naar de les over Eén soort weg, en dan?

  6. meiose

    De deling die geslachtscellen maakt. Het aantal chromosomen wordt gehalveerd en de paren worden door elkaar gehusseld, dus elke geslachtscel is anders.

    Naar de les over Mitose en meiose

  7. betrouwbaar

    Of je bij herhaling hetzelfde uitkomt. Je verhoogt het door vaker te meten en met meer proefdieren of proefpersonen te werken.

    Naar de les over Een proef die iets bewijst

  8. draagkracht

    Het aantal individuen van een soort dat een gebied kan onderhouden. Boven die grens daalt de populatie weer, door voedselgebrek of ziekte.

    Naar de les over Evenwicht in een ecosysteem

  9. genenpoel

    Alle allelen die in een populatie voorkomen. Evolutie is op de lange termijn een verschuiving in die genenpoel.

    Naar de les over Hoe een nieuwe soort ontstaat

  10. actief transport

    Een stof juist tegen de stroom in door een membraan duwen, van weinig naar veel. Dat kost de cel energie en gebeurt met eiwitten in het membraan.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  11. dominant

    Een allel dat het kenmerk laat zien ook als er maar één van is. Het overstemt het andere allel.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  12. valide

    Of je meet wat je wilde meten. Een heel nauwkeurige meting van het verkeerde ding is niet valide.

    Naar de les over Een proef die iets bewijst

  13. ongeslachtelijke voortplanting

    Nageslacht uit één ouder, genetisch identiek. Snel en zeker, maar zonder variatie, en dus kwetsbaar als de omstandigheden veranderen.

    Naar de les over Voortplanting met of zonder partner

  14. consument

    Een organisme dat andere organismen eet. Een planteneter is eerste orde, wie die planteneter eet is tweede orde.

    Naar de les over Een voedselweb lezen

  15. accommodatie

    Het scherpstellen van je oog door de lens boller of platter te maken. Voor dichtbij spant de kringspier aan en wordt de lens bol.

    Naar de les over Hoe je oog scherpstelt

  16. controlegroep

    De groep waarbij je de behandeling juist weglaat, met al het andere hetzelfde. Zonder controlegroep weet je niet waardoor je resultaat komt.

    Naar de les over Een proef die iets bewijst

  17. programma van eisen

    De meetbare eisen die je vooraf opschrijft voor een ontwerp. Daarmee kun je achteraf beoordelen of het gelukt is.

    Naar de les over Van probleem naar ontwerp

  18. abiotische factor

    Een invloed uit de niet-levende omgeving: temperatuur, licht, water, bodem, zuurgraad.

    Naar de les over Evenwicht in een ecosysteem

  19. denatureren

    Het verliezen van de vorm van een eiwit door hitte, zuur of zout, waardoor het niet meer werkt. Een gekookt ei komt niet meer terug.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  20. substraat

    De stof waar een enzym op past en mee werkt. Het enzym en het substraat passen op elkaar als een sleutel in een slot; daarom werkt een enzym maar voor één soort reactie.

    Naar de les over Assimilatie en dissimilatie

  21. uitscheiding

    Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam, vooral door de nieren en de longen. Dat is iets anders dan ontlasting: die is nooit in je bloed geweest.

    Naar de les over Hoe stoffen door je lichaam reizen

  22. passieve immuniteit

    Bescherming door antistoffen die je van buiten krijgt, bijvoorbeeld van je moeder of via een injectie. Werkt meteen, maar is na weken weg.

    Naar de les over Waarom een prik werkt

  23. kringloop

    De weg die stoffen in een ecosysteem steeds opnieuw afleggen, zoals koolstof en stikstof. Stoffen gaan rond, energie gaat er doorheen en verdwijnt.

    Naar de les over De koolstofkringloop

  24. vertering

    Het knippen van grote moleculen uit je eten tot bouwstenen die klein genoeg zijn om door de darmwand te gaan. Verteren is nog niet opnemen.

    Naar de les over Van hap tot bouwstof

  25. negatieve terugkoppeling

    Een regeling waarbij het antwoord de verstoring tegengaat en zichzelf daarmee uitzet. Bijna alle regelsystemen in je lichaam werken zo.

    Naar de les over Je bloedsuiker op peil

  26. afweer

    Alles wat je lichaam doet om ziekteverwekkers buiten te houden en op te ruimen. De niet-specifieke afweer werkt tegen alles, de specifieke afweer werkt op maat.

    Naar de les over Hoe je afweer werkt

  27. organisatieniveau

    De schaal waarop je kijkt: molecuul, cel, weefsel, orgaan, organisme, populatie, ecosysteem. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.

    Naar de les over Zoomen: van molecuul tot ecosysteem

  28. preparaat

    Het stukje materiaal onder de microscoop, vaak dun gesneden en gekleurd zodat je de structuren kunt onderscheiden.

    Naar de les over Meten in de biologie

  29. translatie

    De tweede stap: het mRNA wordt buiten de kern per drie basen gelezen en omgezet in aminozuren, die aan elkaar geregen worden tot een eiwit.

    Naar de les over Van DNA naar eiwit

  30. hormoon

    Een stof die door een klier aan het bloed wordt afgegeven en ergens anders in het lichaam iets in gang zet. Hormonen werken traag maar bereiken alles tegelijk.

    Naar de les over Je bloedsuiker op peil

  31. X-gebonden

    Een gen dat op het X-chromosoom ligt. Een recessieve X-gebonden aandoening komt veel vaker bij jongens voor, want zij hebben maar één X.

    Naar de les over Een stamboom lezen

  32. eiwitsynthese

    Het maken van een eiwit naar het voorbeeld van een gen: eerst wordt het gen overgeschreven in RNA, daarna wordt dat RNA buiten de kern vertaald in een rij aminozuren.

    Naar de les over Van DNA naar eiwit

  33. hypothese

    Een verwachting die je vooraf opschrijft en die te toetsen is. Hij moet onjuist kunnen blijken, anders valt er niets mee te onderzoeken.

    Naar de les over Een proef die iets bewijst

  34. antistof

    Een eiwit dat precies op het oppervlak van één ziekteverwekker past en hem onschadelijk maakt of markeert voor opruiming.

    Naar de les over Hoe je afweer werkt

  35. selectiedruk

    Iets in de omgeving waardoor niet iedereen even goed overleeft of zich voortplant, zoals kou, een roofdier of een bestrijdingsmiddel.

    Naar de les over Natuurlijke selectie in vier stappen

  36. mitose

    De gewone celdeling, waarbij twee cellen ontstaan met precies hetzelfde DNA. Dit is de deling voor groei en herstel.

    Naar de les over Mitose en meiose

  37. recessief

    Een allel dat het kenmerk alleen laat zien als er geen dominant allel naast staat, dus bij twee dezelfde.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  38. homozygoot

    Met twee dezelfde allelen voor een kenmerk. Iemand met een recessieve aandoening is altijd homozygoot.

    Naar de les over Een stamboom lezen

  39. allel

    Een van de varianten van een gen. Je hebt er twee van, één van elke ouder, en samen bepalen ze het kenmerk.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  40. DNA-replicatie

    Het kopiëren van DNA voor een celdeling. De dubbele helix gaat open en bij elke streng wordt een nieuwe passende streng gemaakt, dus elke kopie bevat een oude helft.

    Naar de les over DNA kopiëren

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 117 begrippen.

6 onderwerpen
5 onderwerpen
6 onderwerpen
4 onderwerpen
10 onderwerpen
11 onderwerpen
Begin opnieuw