Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
40 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
producent
Een organisme dat zijn eigen voedsel maakt met fotosynthese, dus een plant of alg. Elk voedselweb begint hier.
-
biodiversiteit
De verscheidenheid aan leven, op drie niveaus: verschillen binnen een soort, het aantal soorten, en het aantal ecosystemen.
-
aangeboren gedrag
Gedrag dat er van begin af aan is en niet geleerd hoeft te worden, zoals zuigen bij een baby. Het ligt vast en gaat snel.
-
insuline
Het hormoon dat je bloedsuiker verlaagt: glucose gaat de cellen in en de lever slaat het overschot op als glycogeen.
-
indicatorsoort
Een soort die alleen voorkomt onder bepaalde omstandigheden. Vind je hem, dan weet je iets over het water of de bodem zonder te meten.
-
meiose
De deling die geslachtscellen maakt. Het aantal chromosomen wordt gehalveerd en de paren worden door elkaar gehusseld, dus elke geslachtscel is anders.
-
betrouwbaar
Of je bij herhaling hetzelfde uitkomt. Je verhoogt het door vaker te meten en met meer proefdieren of proefpersonen te werken.
-
draagkracht
Het aantal individuen van een soort dat een gebied kan onderhouden. Boven die grens daalt de populatie weer, door voedselgebrek of ziekte.
-
genenpoel
Alle allelen die in een populatie voorkomen. Evolutie is op de lange termijn een verschuiving in die genenpoel.
-
actief transport
Een stof juist tegen de stroom in door een membraan duwen, van weinig naar veel. Dat kost de cel energie en gebeurt met eiwitten in het membraan.
-
dominant
Een allel dat het kenmerk laat zien ook als er maar één van is. Het overstemt het andere allel.
-
valide
Of je meet wat je wilde meten. Een heel nauwkeurige meting van het verkeerde ding is niet valide.
-
ongeslachtelijke voortplanting
Nageslacht uit één ouder, genetisch identiek. Snel en zeker, maar zonder variatie, en dus kwetsbaar als de omstandigheden veranderen.
-
consument
Een organisme dat andere organismen eet. Een planteneter is eerste orde, wie die planteneter eet is tweede orde.
-
accommodatie
Het scherpstellen van je oog door de lens boller of platter te maken. Voor dichtbij spant de kringspier aan en wordt de lens bol.
-
controlegroep
De groep waarbij je de behandeling juist weglaat, met al het andere hetzelfde. Zonder controlegroep weet je niet waardoor je resultaat komt.
-
programma van eisen
De meetbare eisen die je vooraf opschrijft voor een ontwerp. Daarmee kun je achteraf beoordelen of het gelukt is.
-
abiotische factor
Een invloed uit de niet-levende omgeving: temperatuur, licht, water, bodem, zuurgraad.
-
denatureren
Het verliezen van de vorm van een eiwit door hitte, zuur of zout, waardoor het niet meer werkt. Een gekookt ei komt niet meer terug.
-
substraat
De stof waar een enzym op past en mee werkt. Het enzym en het substraat passen op elkaar als een sleutel in een slot; daarom werkt een enzym maar voor één soort reactie.
-
uitscheiding
Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam, vooral door de nieren en de longen. Dat is iets anders dan ontlasting: die is nooit in je bloed geweest.
-
passieve immuniteit
Bescherming door antistoffen die je van buiten krijgt, bijvoorbeeld van je moeder of via een injectie. Werkt meteen, maar is na weken weg.
-
kringloop
De weg die stoffen in een ecosysteem steeds opnieuw afleggen, zoals koolstof en stikstof. Stoffen gaan rond, energie gaat er doorheen en verdwijnt.
-
vertering
Het knippen van grote moleculen uit je eten tot bouwstenen die klein genoeg zijn om door de darmwand te gaan. Verteren is nog niet opnemen.
-
negatieve terugkoppeling
Een regeling waarbij het antwoord de verstoring tegengaat en zichzelf daarmee uitzet. Bijna alle regelsystemen in je lichaam werken zo.
-
afweer
Alles wat je lichaam doet om ziekteverwekkers buiten te houden en op te ruimen. De niet-specifieke afweer werkt tegen alles, de specifieke afweer werkt op maat.
-
organisatieniveau
De schaal waarop je kijkt: molecuul, cel, weefsel, orgaan, organisme, populatie, ecosysteem. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.
-
preparaat
Het stukje materiaal onder de microscoop, vaak dun gesneden en gekleurd zodat je de structuren kunt onderscheiden.
-
translatie
De tweede stap: het mRNA wordt buiten de kern per drie basen gelezen en omgezet in aminozuren, die aan elkaar geregen worden tot een eiwit.
-
hormoon
Een stof die door een klier aan het bloed wordt afgegeven en ergens anders in het lichaam iets in gang zet. Hormonen werken traag maar bereiken alles tegelijk.
-
X-gebonden
Een gen dat op het X-chromosoom ligt. Een recessieve X-gebonden aandoening komt veel vaker bij jongens voor, want zij hebben maar één X.
-
eiwitsynthese
Het maken van een eiwit naar het voorbeeld van een gen: eerst wordt het gen overgeschreven in RNA, daarna wordt dat RNA buiten de kern vertaald in een rij aminozuren.
-
hypothese
Een verwachting die je vooraf opschrijft en die te toetsen is. Hij moet onjuist kunnen blijken, anders valt er niets mee te onderzoeken.
-
antistof
Een eiwit dat precies op het oppervlak van één ziekteverwekker past en hem onschadelijk maakt of markeert voor opruiming.
-
selectiedruk
Iets in de omgeving waardoor niet iedereen even goed overleeft of zich voortplant, zoals kou, een roofdier of een bestrijdingsmiddel.
-
mitose
De gewone celdeling, waarbij twee cellen ontstaan met precies hetzelfde DNA. Dit is de deling voor groei en herstel.
-
recessief
Een allel dat het kenmerk alleen laat zien als er geen dominant allel naast staat, dus bij twee dezelfde.
-
homozygoot
Met twee dezelfde allelen voor een kenmerk. Iemand met een recessieve aandoening is altijd homozygoot.
-
allel
Een van de varianten van een gen. Je hebt er twee van, één van elke ouder, en samen bepalen ze het kenmerk.
-
DNA-replicatie
Het kopiëren van DNA voor een celdeling. De dubbele helix gaat open en bij elke streng wordt een nieuwe passende streng gemaakt, dus elke kopie bevat een oude helft.