Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

138 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. frequentie

    Het aantal trillingen per seconde, in hertz. Hoger betekent bij geluid een hogere toon.

    Naar de les over Trillingen en golven

  2. zwaarte-energie

    De energie die iets heeft doordat het hoog staat. Hij hangt af van de massa, de valversnelling en de hoogte, en wordt kinetische energie zodra het valt.

    Naar de les over Arbeid, energie en rendement

  3. weerstand

    Hoe sterk een onderdeel de stroom tegenhoudt, in ohm. Hij is de spanning gedeeld door de stroomsterkte.

    Naar de les over Stroomkringen doorrekenen

  4. rendement

    Het deel van de toegevoerde energie dat nuttig terechtkomt, meestal in procenten. Wat niet nuttig is wordt vrijwel altijd warmte.

    Naar de les over Arbeid, energie en rendement

  5. onafhankelijke variabele

    De grootheid die je in een proef zelf verandert. Die zet je horizontaal in de grafiek.

    Naar de les over Een proef die iets aantoont

  6. meetonzekerheid

    De marge waarbinnen de echte waarde ligt. Je schrijft die bij je meting, want zonder marge zegt een meetwaarde te veel.

    Naar de les over Een proef die iets aantoont

  7. brandpunt

    Het punt waar een positieve lens stralen die parallel binnenkomen samenbrengt. De afstand daarheen heet de brandpuntsafstand.

    Naar de les over Lenzen en beeldvorming

  8. newton

    De eenheid van kracht, met symbool N. Eén newton is de kracht die een massa van één kilogram één meter per seconde per seconde laat versnellen.

    Naar de les over De wetten van Newton

  9. trillingstijd

    De tijd van één hele trilling, in seconden. Hij is één gedeeld door de frequentie.

    Naar de les over Trillingen en golven

  10. elastisch gebied

    Het stuk waarin een materiaal na belasting weer helemaal terugveert. De spanning en de rek zijn daar recht evenredig.

    Naar de les over Spanning, rek en materiaalkeuze

  11. baansnelheid

    De snelheid waarmee een satelliet zijn baan rondgaat, gelijk aan de omtrek van de baan gedeeld door de omlooptijd.

    Naar de les over Gravitatie en banen

  12. grondtoon

    De laagste toon die in een snaar of luchtkolom past. Bij een snaar is de golflengte dan twee keer de lengte.

    Naar de les over Staande golven en boventonen

  13. stroommeter

    Een meter die je in serie opneemt om de stroomsterkte te meten. Hij heeft zelf een heel kleine weerstand.

    Naar de les over Meten met de juiste meter

  14. wrijvingskracht

    De kracht die tegen de beweging in werkt, van de lucht of van het oppervlak. Bij hogere snelheid wordt de luchtwrijving snel groter.

    Naar de les over De wetten van Newton

  15. resonantie

    Meetrillen van iets dat je op zijn eigen frequentie aanstoot, waardoor de uitwijking sterk groeit. Daarom klinkt een snaar luider met een klankkast.

    Naar de les over Veren, resonantie en eigenfrequentie

  16. stroomsterkte

    De hoeveelheid lading die per seconde voorbijkomt, in ampère.

    Naar de les over Stroomkringen doorrekenen

  17. plaats-tijddiagram

    Een grafiek met de afgelegde weg verticaal en de tijd horizontaal. De helling is de snelheid.

    Naar de les over Bewegingsdiagrammen lezen

  18. golflengte

    De afstand tussen twee punten in een golf die hetzelfde doen, bijvoorbeeld van top tot top.

    Naar de les over Trillingen en golven

  19. vloeigrens

    De spanning waarboven een materiaal blijvend vervormt. Daarna komt het niet meer in zijn oude vorm terug.

    Naar de les over Spanning, rek en materiaalkeuze

  20. spanningsdeler

    Twee weerstanden in serie waarmee je een deel van de spanning afneemt. Verandert de ene weerstand, dan verandert de afgenomen spanning mee.

    Naar de les over Meten, sturen en regelen

  21. antwoordzin

    De laatste regel van je uitwerking, waarin de gevraagde grootheid, het getal en de eenheid staan. Daarmee is je antwoord pas af.

    Naar de les over Een natuurkundig antwoord opschrijven

  22. verplaatsing

    Het verschil tussen begin- en eindpositie, met een richting erbij. Hij is niet hetzelfde als de afgelegde afstand, want heen en terug geeft nul verplaatsing.

    Naar de les over Bewegingsdiagrammen lezen

  23. kwadratisch verband

    Een verband waarin de ene grootheid met het kwadraat van de andere groeit. Twee keer zo veel geeft dan vier keer zo veel.

    Naar de les over Welk verband zie je

  24. actuator

    Het onderdeel dat de uitvoering doet, bijvoorbeeld een motor, een lamp of een verwarmingselement.

    Naar de les over Meten, sturen en regelen

  25. halveringstijd

    De tijd waarin de helft van de kernen is vervallen. Na twee halveringstijden is er een kwart over.

    Naar de les over Ioniserende straling en dosis

  26. stroming

    Warmtetransport waarbij warme lucht of warm water de warmte zelf meeneemt. Een gesloten ruimte houdt dat tegen.

    Naar de les over Warmtetransport en isolatie

  27. longitudinale golf

    Een golf waarin de deeltjes heen en weer bewegen in de richting van de voortplanting, zoals geluid in lucht.

    Naar de les over Trillingen en golven

  28. knoop

    Een punt in een staande golf dat niet beweegt. Aan een vast uiteinde zit altijd een knoop.

    Naar de les over Staande golven en boventonen

  29. joule

    De eenheid van energie en van arbeid, met symbool J. Een kilowattuur is 3,6 miljoen joule.

    Naar de les over Arbeid, energie en rendement

  30. stralingsbalans

    Het evenwicht tussen de energie die de aarde van de zon opneemt en de energie die ze weer uitstraalt. Raakt die balans uit het lood, dan verandert de temperatuur.

    Naar de les over Stralingsbalans en broeikaseffect

  31. ioniserende straling

    Straling met genoeg energie om elektronen uit atomen te slaan. Daardoor kan hij cellen beschadigen.

    Naar de les over Ioniserende straling en dosis

  32. context

    Het verhaal of apparaat waarin een examenvraag is verpakt. De context mag nieuw zijn, de natuurkunde erin niet.

    Naar de les over Natuurkunde in een apparaat herkennen

  33. lenssterkte

    Eén gedeeld door de brandpuntsafstand in meter, in dioptrie. Een sterkere lens buigt het licht meer.

    Naar de les over Lenzen en beeldvorming

  34. eenheid

    Waarin je een grootheid uitdrukt, zoals meter, seconde of newton. Een antwoord zonder eenheid is op een examen niet goed.

    Naar de les over Een natuurkundig antwoord opschrijven

  35. bloeddruk

    De druk van het bloed op de vaatwand, meestal in millimeter kwikdruk. Hij wisselt tussen de bovendruk bij het samentrekken en de onderdruk daartussen.

    Naar de les over Natuurkunde van het lichaam

  36. druk

    De kracht per oppervlak, in pascal. Dezelfde kracht op een kleiner oppervlak geeft een hogere druk.

    Naar de les over Natuurkunde van het lichaam

  37. achtergrondstraling

    De straling die er altijd is, uit de bodem, de lucht en het heelal. Elke meting van een bron moet je daarvoor corrigeren.

    Naar de les over Ioniserende straling en dosis

  38. vergroting

    Hoeveel keer groter het beeld is dan het voorwerp, te vinden uit de beeldafstand gedeeld door de voorwerpsafstand.

    Naar de les over Lenzen en beeldvorming

  39. eerste wet van Newton

    Werkt er geen resulterende kracht, dan blijft een voorwerp stilstaan of met dezelfde snelheid in dezelfde richting doorgaan.

    Naar de les over De wetten van Newton

  40. elektromagnetisch spectrum

    De hele reeks straling van radiogolven met een lange golflengte tot gammastraling met een heel korte. Alles erin gaat in vacuum even snel.

    Naar de les over Fotonen en het spectrum

  41. lenzenformule

    Het verband tussen de voorwerpsafstand, de beeldafstand en de brandpuntsafstand van een lens. Daarmee reken je uit waar het beeld komt.

    Naar de les over Lenzen en beeldvorming

  42. macht van tien

    Een getal geschreven als een getal tussen 1 en 10 keer een macht van tien. Daarmee blijven heel grote en heel kleine getallen leesbaar.

    Naar de les over Significante cijfers en machten van tien

  43. doorsnede

    Het oppervlak van de dwarsdoorsnede van een draad, in vierkante meter. Bij een ronde draad is dat pi keer de straal in het kwadraat.

    Naar de les over Soortelijke weerstand en geleiders

  44. atoomnummer

    Het aantal protonen in een kern. Het staat linksonder bij het symbool en bepaalt welk element het is.

    Naar de les over Vervalreacties en isotopen

  45. rek

    De verlenging gedeeld door de oorspronkelijke lengte, zonder eenheid of in procenten.

    Naar de les over Spanning, rek en materiaalkeuze

  46. decibel

    De eenheid van geluidsniveau. De schaal is logaritmisch, dus je mag decibellen niet bij elkaar optellen.

    Naar de les over Geluid, toonhoogte en geluidsniveau

  47. foton

    Een pakketje elektromagnetische straling. De energie ervan is de constante van Planck keer de frequentie, dus een kortere golflengte geeft een energieker foton.

    Naar de les over Fotonen en het spectrum

  48. halveringsdikte

    De dikte van een afschermend materiaal waarbij de helft van de straling doorkomt. Twee van die diktes laat een kwart door.

    Naar de les over Ioniserende straling en dosis

  49. binas

    Het tabellenboek dat je op het examen mag gebruiken, met formules, constanten en stofgegevens. Weten waar iets staat is net zo belangrijk als de formule kennen.

    Naar de les over Opzoeken in Binas

  50. betastraling

    Straling van elektronen uit een kern. Hij komt verder dan alfastraling en wordt tegengehouden door een paar millimeter aluminium.

    Naar de les over Ioniserende straling en dosis

  51. eigenfrequentie

    De frequentie waarop een voorwerp van zichzelf trilt. Hij volgt uit de massa en de stijfheid, en elk voorwerp heeft er een.

    Naar de les over Veren, resonantie en eigenfrequentie

  52. amplitude

    De grootste uitwijking vanuit de evenwichtsstand. Bij geluid hoor je een grotere amplitude als harder.

    Naar de les over Trillingen en golven

  53. verwerker

    Het deel tussen sensor en actuator dat beslist wat er moet gebeuren, meestal met een vergelijking tegen een referentiewaarde.

    Naar de les over Meten, sturen en regelen

  54. oppervlak onder de grafiek

    De som van hoogte keer breedte over het hele stuk. In een snelheid-tijddiagram is dat de afgelegde weg.

    Naar de les over Bewegingsdiagrammen lezen

  55. resultante

    De ene kracht die hetzelfde doet als twee of meer krachten samen. Je vindt hem met de parallellogrammethode of door op te tellen.

    Naar de les over Krachten ontbinden en samenstellen

  56. recht evenredig

    Twee grootheden waarbij de ene twee keer zo groot wordt als de andere twee keer zo groot wordt. De grafiek is een rechte lijn door de oorsprong.

    Naar de les over Welk verband zie je

  57. tweede wet van Newton

    De resulterende kracht is de massa keer de versnelling. Meer massa vraagt dus meer kracht voor dezelfde versnelling.

    Naar de les over De wetten van Newton

  58. behoud van energie

    De regel dat de totale energie in een afgesloten systeem gelijk blijft. Energie verdwijnt dus nooit, hij gaat van de ene vorm naar de andere.

    Naar de les over Arbeid, energie en rendement

  59. soortelijke warmte

    De energie die nodig is om één kilogram van een stof één graad warmer te maken. Water heeft een hoge soortelijke warmte.

    Naar de les over Natuurkunde van het lichaam

  60. resulterende kracht

    Wat er van alle krachten op een voorwerp samen overblijft. Is hij nul, dan blijft de snelheid gelijk.

    Naar de les over De wetten van Newton

  61. vervangingsweerstand

    De ene weerstand die hetzelfde doet als een hele schakeling. In serie tel je de weerstanden op, parallel wordt hij kleiner dan de kleinste.

    Naar de les over Stroomkringen doorrekenen

  62. golfsnelheid

    Hoe snel een golf zich voortplant, gelijk aan de frequentie keer de golflengte. In lucht is geluid ongeveer 340 meter per seconde.

    Naar de les over Trillingen en golven

  63. sensor

    Een onderdeel dat een grootheid uit de omgeving omzet in een elektrisch signaal, bijvoorbeeld een lichtgevoelige weerstand.

    Naar de les over Meten, sturen en regelen

  64. zwaartekracht

    De kracht waarmee de aarde aan een voorwerp trekt. Je rekent hem uit met de massa keer de valversnelling.

    Naar de les over Krachten ontbinden en samenstellen

  65. parallellogrammethode

    Twee krachtpijlen samenstellen door ze als zijden van een parallellogram te tekenen. De diagonaal vanuit het aangrijpingspunt is de resultante.

    Naar de les over Krachten ontbinden en samenstellen

  66. versnelling

    Hoeveel de snelheid per seconde verandert, in meter per seconde per seconde. Bij afremmen is hij negatief.

    Naar de les over De wetten van Newton

  67. mechanische spanning

    De kracht per oppervlak in een materiaal, in newton per vierkante meter. Een dunne staaf staat bij dezelfde kracht onder meer spanning dan een dikke.

    Naar de les over Spanning, rek en materiaalkeuze

  68. middelpuntzoekende kracht

    De kracht die nodig is om iets in een cirkelbaan te houden, altijd naar het middelpunt gericht. Bij een satelliet is dat de gravitatiekracht.

    Naar de les over Gravitatie en banen

  69. geostationaire baan

    Een baan waarin een satelliet precies zo snel rondgaat als de aarde draait, zodat hij boven hetzelfde punt blijft staan. Hij ligt op ongeveer 36000 kilometer hoogte.

    Naar de les over Gravitatie en banen

  70. spanning

    Het energieverschil per eenheid lading tussen twee punten, in volt. Hij is wat de stroom door een kring duwt.

    Naar de les over Stroomkringen doorrekenen

  71. boventoon

    Een hogere toon die ook in dezelfde snaar of buis past, met er een halve golflengte bij. De eerste boventoon van een snaar heeft de dubbele frequentie van de grondtoon.

    Naar de les over Staande golven en boventonen

  72. bereik

    De grootste waarde die een meter kan aanwijzen. Een te groot bereik kost nauwkeurigheid en een te klein bereik geeft geen uitslag.

    Naar de les over Meten met de juiste meter

  73. omlooptijd

    De tijd van één hele rondgang om het middelpunt. Verder weg betekent een langere omlooptijd.

    Naar de les over Gravitatie en banen

  74. wet van Ohm

    Het verband dat de spanning gelijk is aan de stroomsterkte keer de weerstand. Hij geldt alleen als de weerstand niet van de stroom afhangt.

    Naar de les over Stroomkringen doorrekenen

  75. arbeid

    De energie die een kracht aan iets geeft door het over een afstand te verplaatsen. Alleen het stuk weg in de richting van de kracht telt mee, dus duwen zonder beweging is nul arbeid.

    Naar de les over Arbeid, energie en rendement

  76. geabsorbeerde dosis

    De stralingsenergie die een kilogram weefsel opneemt, in gray. Hij zegt nog niets over de schade.

    Naar de les over Ioniserende straling en dosis

  77. veerconstante

    Hoeveel newton je nodig hebt per meter uitrekking, in newton per meter. Het is de helling van de kracht-uitrekkingsgrafiek.

    Naar de les over Veren, resonantie en eigenfrequentie

  78. isotoop

    Een atoomsoort met een vast aantal protonen en een vast aantal neutronen. Isotopen van hetzelfde element verschillen alleen in het aantal neutronen.

    Naar de les over Vervalreacties en isotopen

  79. lichtjaar

    De afstand die licht in een jaar aflegt. Het is een maat voor afstand en niet voor tijd.

    Naar de les over Gravitatie en banen

  80. equivalente dosis

    De geabsorbeerde dosis keer een weegfactor voor de soort straling, in sievert. Die factor is voor alfastraling veel hoger dan voor gammastraling.

    Naar de les over Ioniserende straling en dosis

  81. broeikaseffect

    Het vasthouden van warmtestraling door gassen in de atmosfeer. Zonder dat natuurlijke effect zou het op aarde veel te koud zijn.

    Naar de les over Stralingsbalans en broeikaseffect

  82. helling

    De steilheid van een grafiek, uitgerekend als het verschil verticaal gedeeld door het verschil horizontaal. Welke grootheid eruit komt hangt af van wat er op de assen staat.

    Naar de les over Bewegingsdiagrammen lezen

  83. massagetal

    Het aantal protonen en neutronen samen in een kern. Het staat linksboven bij het symbool en blijft bij betaverval gelijk.

    Naar de les over Vervalreacties en isotopen

  84. werklijn

    De lijn waarop een kracht werkt, de krachtpijl naar beide kanten verlengd. Daarop meet je de arm loodrecht.

    Naar de les over Momenten en evenwicht

  85. momentenwet

    Bij evenwicht is de som van de momenten linksom gelijk aan de som rechtsom, gerekend om hetzelfde draaipunt.

    Naar de les over Momenten en evenwicht

  86. staande golf

    Een golf die in een snaar of luchtkolom heen en weer loopt en zichzelf versterkt. Alleen bepaalde frequenties passen erin.

    Naar de les over Staande golven en boventonen

  87. arm

    De kortste afstand van het draaipunt tot de werklijn van een kracht, loodrecht gemeten. Niet de afstand tot het aangrijpingspunt.

    Naar de les over Momenten en evenwicht

  88. terugkoppeling

    Het terugsturen van de uitkomst naar de ingang, zodat het systeem zichzelf bijstelt. Daardoor blijft een thermostaat rond de ingestelde waarde.

    Naar de les over Meten, sturen en regelen

  89. geluidsniveau

    Hoe hard geluid klinkt, in decibel. Tien decibel erbij voelt ongeveer twee keer zo hard maar is tien keer zo veel intensiteit.

    Naar de les over Geluid, toonhoogte en geluidsniveau

  90. referentiewaarde

    De waarde waarmee een regelsysteem de meting vergelijkt, bijvoorbeeld de ingestelde temperatuur op een thermostaat.

    Naar de les over Meten, sturen en regelen

  91. intensiteit

    Het geluidsvermogen per vierkante meter, in watt per vierkante meter. Twee keer zo ver weg geeft vier keer zo weinig intensiteit.

    Naar de les over Geluid, toonhoogte en geluidsniveau

  92. moment

    De kracht keer de arm ten opzichte van een draaipunt, in newtonmeter. Gaat de werklijn door het draaipunt, dan is het moment nul.

    Naar de les over Momenten en evenwicht

  93. warmteafgifte

    De energie die het lichaam per seconde aan de omgeving verliest, door straling, geleiding, stroming en verdamping.

    Naar de les over Natuurkunde van het lichaam

  94. massa

    Hoeveel stof er in een voorwerp zit, in kilogram. Hij verandert niet als je ergens anders bent, in tegenstelling tot het gewicht.

    Naar de les over De wetten van Newton

  95. ntc

    Een weerstand die bij een hogere temperatuur een lagere waarde heeft. Je gebruikt hem als temperatuursensor.

    Naar de les over Meten, sturen en regelen

  96. derde wet van Newton

    Oefent A een kracht uit op B, dan oefent B een even grote kracht in de tegengestelde richting uit op A. Die twee krachten grijpen op verschillende voorwerpen aan.

    Naar de les over De wetten van Newton

  97. vermogen

    Het aantal joule per seconde, in watt. Je rekent het uit met de energie gedeeld door de tijd.

    Naar de les over Vermogen, energie en je rekening

  98. becquerel

    De eenheid van activiteit, één verval per seconde.

    Naar de les over Ioniserende straling en dosis

  99. kinetische energie

    De energie die iets heeft doordat het beweegt. Hij groeit met het kwadraat van de snelheid, dus twee keer zo hard geeft vier keer zo veel.

    Naar de les over Arbeid, energie en rendement

  100. geleider

    Een materiaal dat stroom goed doorlaat, dus met een lage soortelijke weerstand. Metalen zijn goede geleiders.

    Naar de les over Soortelijke weerstand en geleiders

  101. gravitatiekracht

    De aantrekkende kracht tussen twee voorwerpen met massa. Hij wordt kleiner met het kwadraat van de afstand ertussen.

    Naar de les over Gravitatie en banen

  102. grootheid

    Iets dat je kunt meten, zoals lengte, tijd of kracht. Bij elke grootheid horen een symbool en een eenheid.

    Naar de les over Opzoeken in Binas

  103. langgolvige straling

    De warmtestraling die de aarde zelf uitzendt, met een lange golflengte. Broeikasgassen houden juist die straling vast.

    Naar de les over Stralingsbalans en broeikaseffect

  104. kortgolvige straling

    De straling die de aarde van de zon ontvangt, met een korte golflengte. Hij komt grotendeels door de atmosfeer heen.

    Naar de les over Stralingsbalans en broeikaseffect

  105. systematische fout

    Een fout die elke meting dezelfde kant op verschuift, bijvoorbeeld een meter die niet op nul staat. Vaker meten helpt daar niet tegen.

    Naar de les over Een proef die iets aantoont

  106. buik

    Een punt in een staande golf met de grootste uitwijking. Aan een open uiteinde zit een buik.

    Naar de les over Staande golven en boventonen

  107. afhankelijke variabele

    De grootheid die je meet omdat hij verandert door wat je zelf instelt. Die zet je verticaal in de grafiek.

    Naar de les over Een proef die iets aantoont

  108. soortelijke weerstand

    Een stofeigenschap die zegt hoe sterk een materiaal de stroom tegenhoudt, in ohm meter. Koper heeft een lage waarde en nichroom een hoge.

    Naar de les over Soortelijke weerstand en geleiders

  109. watt

    De eenheid van vermogen, met symbool W. Een apparaat van 1000 watt gebruikt duizend joule per seconde.

    Naar de les over Vermogen, energie en je rekening

  110. ldr

    Een weerstand die bij meer licht een lagere waarde heeft. Je gebruikt hem als lichtsensor in een spanningsdeler.

    Naar de les over Meten, sturen en regelen

  111. dichtheid

    De massa per volume-eenheid, in kilogram per kubieke meter. Hij bepaalt samen met de sterkte of een materiaal geschikt is voor een licht ontwerp.

    Naar de les over Spanning, rek en materiaalkeuze

  112. omgekeerd evenredig

    Twee grootheden waarvan het product gelijk blijft, dus de ene wordt half zo groot als de andere verdubbelt.

    Naar de les over Welk verband zie je

  113. emissie

    Hoe goed een oppervlak warmtestraling uitzendt. Een spiegelende laag heeft een lage emissie en houdt warmte daarom binnen.

    Naar de les over Warmtetransport en isolatie

  114. vervalreactie

    De vergelijking van een kern die vervalt. Massagetal en atoomnummer moeten links en rechts van de pijl gelijk zijn.

    Naar de les over Vervalreacties en isotopen

  115. activiteit

    Het aantal kernen dat per seconde vervalt, in becquerel. Hij neemt af met de halveringstijd.

    Naar de les over Ioniserende straling en dosis

  116. serieschakeling

    Onderdelen achter elkaar in één kring. De stroom is overal gelijk en de spanningen tellen op.

    Naar de les over Stroomkringen doorrekenen

  117. schuifmaat

    Een meetinstrument voor kleine lengtes, nauwkeuriger dan een lineaal. Je leest de hoofdschaal en de nonius samen af.

    Naar de les over Meten met de juiste meter

  118. schaalverdeling

    De afstand tussen twee streepjes op een meter, uitgedrukt in de gemeten grootheid. Die bepaalt hoe nauwkeurig je kunt aflezen.

    Naar de les over Meten met de juiste meter

  119. kilowattuur

    De eenheid waarin je energierekening rekent. Het is het verbruik van duizend watt gedurende een uur.

    Naar de les over Vermogen, energie en je rekening

  120. toevallige fout

    Een fout die per meting wisselt, bijvoorbeeld bij het aflezen. Vaker meten en gemiddelden nemen maakt die kleiner.

    Naar de les over Een proef die iets aantoont

  121. breukspanning

    De spanning waarbij een materiaal breekt. Een constructie wordt altijd ruim daaronder ontworpen.

    Naar de les over Spanning, rek en materiaalkeuze

  122. albedo

    Het deel van het invallende licht dat een oppervlak weerkaatst. Sneeuw heeft een hoge albedo en een donkere oceaan een lage.

    Naar de les over Stralingsbalans en broeikaseffect

  123. gammastraling

    Straling zonder massa en zonder lading, met de grootste dracht. Je houdt hem alleen tegen met dik lood of beton.

    Naar de les over Ioniserende straling en dosis

  124. parallelschakeling

    Onderdelen naast elkaar tussen dezelfde twee punten. De spanning is over alle takken gelijk en de stromen tellen op.

    Naar de les over Stroomkringen doorrekenen

  125. spanningsmeter

    Een meter die je parallel aansluit om de spanning over een onderdeel te meten. Hij heeft zelf een heel grote weerstand.

    Naar de les over Meten met de juiste meter

  126. positieve lens

    Een lens die dikker is in het midden en lichtstralen bij elkaar brengt. Hij maakt een beeld op een scherm.

    Naar de les over Lenzen en beeldvorming

  127. alfastraling

    Straling van heliumkernen. Hij heeft een korte dracht en komt niet door papier, maar is binnen het lichaam juist gevaarlijk.

    Naar de les over Ioniserende straling en dosis

  128. significante cijfers

    De cijfers in een getal die werkelijk gemeten zijn. Bij vermenigvuldigen houdt je antwoord er zo veel als het minst nauwkeurige gegeven.

    Naar de les over Significante cijfers en machten van tien

  129. elektronvolt

    Een eenheid van energie die handig is bij fotonen en deeltjes. Het is de energie die een elektron krijgt bij een spanningsverschil van een volt.

    Naar de les over Fotonen en het spectrum

  130. normaalkracht

    De kracht waarmee een oppervlak terugduwt, altijd loodrecht op dat oppervlak.

    Naar de les over Krachten ontbinden en samenstellen

  131. eindsnelheid

    De snelheid waarbij de luchtwrijving even groot is als de zwaartekracht, zodat de resulterende kracht nul wordt en de snelheid niet meer groeit.

    Naar de les over De wetten van Newton

  132. hefboom

    Een stijf voorwerp dat om een draaipunt kan draaien. In het lichaam zijn de botten de hefbomen en de spieren de krachten.

    Naar de les over Natuurkunde van het lichaam

  133. elasticiteitsmodulus

    De steilheid van het rechte stuk in het spanning-rekdiagram. Hoe groter hij is, hoe stijver het materiaal.

    Naar de les over Spanning, rek en materiaalkeuze

  134. ontbinden

    Eén kracht vervangen door twee krachten die samen hetzelfde doen, meestal langs en loodrecht op de beweging. Bij een helling is dat de handigste splitsing.

    Naar de les over Krachten ontbinden en samenstellen

  135. snelheid-tijddiagram

    Een grafiek met de snelheid verticaal en de tijd horizontaal. De helling is de versnelling en het oppervlak onder de lijn is de afgelegde weg.

    Naar de les over Bewegingsdiagrammen lezen

  136. geleiding

    Warmtetransport waarbij deeltjes hun beweging aan hun buren doorgeven, zonder dat de stof zelf meeverhuist. Metalen doen dat goed, lucht slecht.

    Naar de les over Warmtetransport en isolatie

  137. transversale golf

    Een golf waarin de deeltjes dwars op de voortplantingsrichting bewegen, zoals een golf in een touw.

    Naar de les over Trillingen en golven

  138. constante van Planck

    De constante waarmee je van de frequentie van straling naar de energie van een foton rekent. Hij staat in de tabel.

    Naar de les over Fotonen en het spectrum

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 138 begrippen.

2 onderwerpen
8 onderwerpen
7 onderwerpen
1 onderwerp
1 onderwerp
4 onderwerpen
1 onderwerp
5 onderwerpen
Begin opnieuw