Naar de inhoud
Inloggen

Natuurkunde havo

Begrippenlijst

havo

138 begrippen die je bij Natuurkunde op havo moet kennen, elk met een paar zinnen uitleg. Staat er een les bij, dan wordt het begrip daar gebruikt en geoefend.

Overhoor jezelf op deze begrippen

A 11

achtergrondstraling B2
De straling die er altijd is, uit de bodem, de lucht en het heelal. Elke meting van een bron moet je daarvoor corrigeren. Naar de les
activiteit B2
Het aantal kernen dat per seconde vervalt, in becquerel. Hij neemt af met de halveringstijd. Naar de les
actuator G2
Het onderdeel dat de uitvoering doet, bijvoorbeeld een motor, een lamp of een verwarmingselement. Naar de les
afhankelijke variabele A5
De grootheid die je meet omdat hij verandert door wat je zelf instelt. Die zet je verticaal in de grafiek. Naar de les
albedo E2
Het deel van het invallende licht dat een oppervlak weerkaatst. Sneeuw heeft een hoge albedo en een donkere oceaan een lage. Naar de les
alfastraling B2
Straling van heliumkernen. Hij heeft een korte dracht en komt niet door papier, maar is binnen het lichaam juist gevaarlijk. Naar de les
amplitude B1
De grootste uitwijking vanuit de evenwichtsstand. Bij geluid hoor je een grotere amplitude als harder. Naar de les
antwoordzin A2
De laatste regel van je uitwerking, waarin de gevraagde grootheid, het getal en de eenheid staan. Daarmee is je antwoord pas af. Naar de les
arbeid C2
De energie die een kracht aan iets geeft door het over een afstand te verplaatsen. Alleen het stuk weg in de richting van de kracht telt mee, dus duwen zonder beweging is nul arbeid. Naar de les
arm C1
De kortste afstand van het draaipunt tot de werklijn van een kracht, loodrecht gemeten. Niet de afstand tot het aangrijpingspunt. Naar de les
atoomnummer B2
Het aantal protonen in een kern. Het staat linksonder bij het symbool en bepaalt welk element het is. Naar de les

B 12

baansnelheid E1
De snelheid waarmee een satelliet zijn baan rondgaat, gelijk aan de omtrek van de baan gedeeld door de omlooptijd. Naar de les
becquerel B2
De eenheid van activiteit, één verval per seconde. Naar de les
behoud van energie C2
De regel dat de totale energie in een afgesloten systeem gelijk blijft. Energie verdwijnt dus nooit, hij gaat van de ene vorm naar de andere. Naar de les
bereik A8
De grootste waarde die een meter kan aanwijzen. Een te groot bereik kost nauwkeurigheid en een te klein bereik geeft geen uitslag. Naar de les
betastraling B2
Straling van elektronen uit een kern. Hij komt verder dan alfastraling en wordt tegengehouden door een paar millimeter aluminium. Naar de les
binas A1
Het tabellenboek dat je op het examen mag gebruiken, met formules, constanten en stofgegevens. Weten waar iets staat is net zo belangrijk als de formule kennen. Naar de les
bloeddruk F
De druk van het bloed op de vaatwand, meestal in millimeter kwikdruk. Hij wisselt tussen de bovendruk bij het samentrekken en de onderdruk daartussen. Naar de les
boventoon B1
Een hogere toon die ook in dezelfde snaar of buis past, met er een halve golflengte bij. De eerste boventoon van een snaar heeft de dubbele frequentie van de grondtoon. Naar de les
brandpunt B3
Het punt waar een positieve lens stralen die parallel binnenkomen samenbrengt. De afstand daarheen heet de brandpuntsafstand. Naar de les
breukspanning D1
De spanning waarbij een materiaal breekt. Een constructie wordt altijd ruim daaronder ontworpen. Naar de les
broeikaseffect E2
Het vasthouden van warmtestraling door gassen in de atmosfeer. Zonder dat natuurlijke effect zou het op aarde veel te koud zijn. Naar de les
buik B1
Een punt in een staande golf met de grootste uitwijking. Aan een open uiteinde zit een buik. Naar de les

C 2

constante van Planck B2
De constante waarmee je van de frequentie van straling naar de energie van een foton rekent. Hij staat in de tabel. Naar de les
context H
Het verhaal of apparaat waarin een examenvraag is verpakt. De context mag nieuw zijn, de natuurkunde erin niet. Naar de les

D 5

decibel B1
De eenheid van geluidsniveau. De schaal is logaritmisch, dus je mag decibellen niet bij elkaar optellen. Naar de les
derde wet van Newton C1
Oefent A een kracht uit op B, dan oefent B een even grote kracht in de tegengestelde richting uit op A. Die twee krachten grijpen op verschillende voorwerpen aan. Naar de les
dichtheid D1
De massa per volume-eenheid, in kilogram per kubieke meter. Hij bepaalt samen met de sterkte of een materiaal geschikt is voor een licht ontwerp. Naar de les
doorsnede G1
Het oppervlak van de dwarsdoorsnede van een draad, in vierkante meter. Bij een ronde draad is dat pi keer de straal in het kwadraat. Naar de les
druk F
De kracht per oppervlak, in pascal. Dezelfde kracht op een kleiner oppervlak geeft een hogere druk. Naar de les

E 10

eenheid A2
Waarin je een grootheid uitdrukt, zoals meter, seconde of newton. Een antwoord zonder eenheid is op een examen niet goed. Naar de les
eerste wet van Newton C1
Werkt er geen resulterende kracht, dan blijft een voorwerp stilstaan of met dezelfde snelheid in dezelfde richting doorgaan. Naar de les
eigenfrequentie B1
De frequentie waarop een voorwerp van zichzelf trilt. Hij volgt uit de massa en de stijfheid, en elk voorwerp heeft er een. Naar de les
eindsnelheid C1
De snelheid waarbij de luchtwrijving even groot is als de zwaartekracht, zodat de resulterende kracht nul wordt en de snelheid niet meer groeit. Naar de les
elasticiteitsmodulus D1
De steilheid van het rechte stuk in het spanning-rekdiagram. Hoe groter hij is, hoe stijver het materiaal. Naar de les
elastisch gebied D1
Het stuk waarin een materiaal na belasting weer helemaal terugveert. De spanning en de rek zijn daar recht evenredig. Naar de les
elektromagnetisch spectrum B2
De hele reeks straling van radiogolven met een lange golflengte tot gammastraling met een heel korte. Alles erin gaat in vacuum even snel. Naar de les
elektronvolt B2
Een eenheid van energie die handig is bij fotonen en deeltjes. Het is de energie die een elektron krijgt bij een spanningsverschil van een volt. Naar de les
emissie C2
Hoe goed een oppervlak warmtestraling uitzendt. Een spiegelende laag heeft een lage emissie en houdt warmte daarom binnen. Naar de les
equivalente dosis B2
De geabsorbeerde dosis keer een weegfactor voor de soort straling, in sievert. Die factor is voor alfastraling veel hoger dan voor gammastraling. Naar de les

F 2

foton B2
Een pakketje elektromagnetische straling. De energie ervan is de constante van Planck keer de frequentie, dus een kortere golflengte geeft een energieker foton. Naar de les
frequentie B1
Het aantal trillingen per seconde, in hertz. Hoger betekent bij geluid een hogere toon. Naar de les

G 11

gammastraling B2
Straling zonder massa en zonder lading, met de grootste dracht. Je houdt hem alleen tegen met dik lood of beton. Naar de les
geabsorbeerde dosis B2
De stralingsenergie die een kilogram weefsel opneemt, in gray. Hij zegt nog niets over de schade. Naar de les
geleider G1
Een materiaal dat stroom goed doorlaat, dus met een lage soortelijke weerstand. Metalen zijn goede geleiders. Naar de les
geleiding C2
Warmtetransport waarbij deeltjes hun beweging aan hun buren doorgeven, zonder dat de stof zelf meeverhuist. Metalen doen dat goed, lucht slecht. Naar de les
geluidsniveau B1
Hoe hard geluid klinkt, in decibel. Tien decibel erbij voelt ongeveer twee keer zo hard maar is tien keer zo veel intensiteit. Naar de les
geostationaire baan E1
Een baan waarin een satelliet precies zo snel rondgaat als de aarde draait, zodat hij boven hetzelfde punt blijft staan. Hij ligt op ongeveer 36000 kilometer hoogte. Naar de les
golflengte B1
De afstand tussen twee punten in een golf die hetzelfde doen, bijvoorbeeld van top tot top. Naar de les
golfsnelheid B1
Hoe snel een golf zich voortplant, gelijk aan de frequentie keer de golflengte. In lucht is geluid ongeveer 340 meter per seconde. Naar de les
gravitatiekracht E1
De aantrekkende kracht tussen twee voorwerpen met massa. Hij wordt kleiner met het kwadraat van de afstand ertussen. Naar de les
grondtoon B1
De laagste toon die in een snaar of luchtkolom past. Bij een snaar is de golflengte dan twee keer de lengte. Naar de les
grootheid A1
Iets dat je kunt meten, zoals lengte, tijd of kracht. Bij elke grootheid horen een symbool en een eenheid. Naar de les

H 4

halveringsdikte B2
De dikte van een afschermend materiaal waarbij de helft van de straling doorkomt. Twee van die diktes laat een kwart door. Naar de les
halveringstijd B2
De tijd waarin de helft van de kernen is vervallen. Na twee halveringstijden is er een kwart over. Naar de les
hefboom F
Een stijf voorwerp dat om een draaipunt kan draaien. In het lichaam zijn de botten de hefbomen en de spieren de krachten. Naar de les
helling C1
De steilheid van een grafiek, uitgerekend als het verschil verticaal gedeeld door het verschil horizontaal. Welke grootheid eruit komt hangt af van wat er op de assen staat. Naar de les

I 3

intensiteit B1
Het geluidsvermogen per vierkante meter, in watt per vierkante meter. Twee keer zo ver weg geeft vier keer zo weinig intensiteit. Naar de les
ioniserende straling B2
Straling met genoeg energie om elektronen uit atomen te slaan. Daardoor kan hij cellen beschadigen. Naar de les
isotoop B2
Een atoomsoort met een vast aantal protonen en een vast aantal neutronen. Isotopen van hetzelfde element verschillen alleen in het aantal neutronen. Naar de les

J 1

joule C2
De eenheid van energie en van arbeid, met symbool J. Een kilowattuur is 3,6 miljoen joule. Naar de les

K 5

kilowattuur G1
De eenheid waarin je energierekening rekent. Het is het verbruik van duizend watt gedurende een uur. Naar de les
kinetische energie C2
De energie die iets heeft doordat het beweegt. Hij groeit met het kwadraat van de snelheid, dus twee keer zo hard geeft vier keer zo veel. Naar de les
knoop B1
Een punt in een staande golf dat niet beweegt. Aan een vast uiteinde zit altijd een knoop. Naar de les
kortgolvige straling E2
De straling die de aarde van de zon ontvangt, met een korte golflengte. Hij komt grotendeels door de atmosfeer heen. Naar de les
kwadratisch verband A15
Een verband waarin de ene grootheid met het kwadraat van de andere groeit. Twee keer zo veel geeft dan vier keer zo veel. Naar de les

L 6

langgolvige straling E2
De warmtestraling die de aarde zelf uitzendt, met een lange golflengte. Broeikasgassen houden juist die straling vast. Naar de les
ldr G2
Een weerstand die bij meer licht een lagere waarde heeft. Je gebruikt hem als lichtsensor in een spanningsdeler. Naar de les
lenssterkte B3
Eén gedeeld door de brandpuntsafstand in meter, in dioptrie. Een sterkere lens buigt het licht meer. Naar de les
lenzenformule B3
Het verband tussen de voorwerpsafstand, de beeldafstand en de brandpuntsafstand van een lens. Daarmee reken je uit waar het beeld komt. Naar de les
lichtjaar E1
De afstand die licht in een jaar aflegt. Het is een maat voor afstand en niet voor tijd. Naar de les
longitudinale golf B1
Een golf waarin de deeltjes heen en weer bewegen in de richting van de voortplanting, zoals geluid in lucht. Naar de les

M 8

macht van tien A12
Een getal geschreven als een getal tussen 1 en 10 keer een macht van tien. Daarmee blijven heel grote en heel kleine getallen leesbaar. Naar de les
massa C1
Hoeveel stof er in een voorwerp zit, in kilogram. Hij verandert niet als je ergens anders bent, in tegenstelling tot het gewicht. Naar de les
massagetal B2
Het aantal protonen en neutronen samen in een kern. Het staat linksboven bij het symbool en blijft bij betaverval gelijk. Naar de les
mechanische spanning D1
De kracht per oppervlak in een materiaal, in newton per vierkante meter. Een dunne staaf staat bij dezelfde kracht onder meer spanning dan een dikke. Naar de les
meetonzekerheid A5
De marge waarbinnen de echte waarde ligt. Je schrijft die bij je meting, want zonder marge zegt een meetwaarde te veel. Naar de les
middelpuntzoekende kracht E1
De kracht die nodig is om iets in een cirkelbaan te houden, altijd naar het middelpunt gericht. Bij een satelliet is dat de gravitatiekracht. Naar de les
moment C1
De kracht keer de arm ten opzichte van een draaipunt, in newtonmeter. Gaat de werklijn door het draaipunt, dan is het moment nul. Naar de les
momentenwet C1
Bij evenwicht is de som van de momenten linksom gelijk aan de som rechtsom, gerekend om hetzelfde draaipunt. Naar de les

N 3

newton C1
De eenheid van kracht, met symbool N. Eén newton is de kracht die een massa van één kilogram één meter per seconde per seconde laat versnellen. Naar de les
normaalkracht C1
De kracht waarmee een oppervlak terugduwt, altijd loodrecht op dat oppervlak. Naar de les
ntc G2
Een weerstand die bij een hogere temperatuur een lagere waarde heeft. Je gebruikt hem als temperatuursensor. Naar de les

O 5

omgekeerd evenredig A15
Twee grootheden waarvan het product gelijk blijft, dus de ene wordt half zo groot als de andere verdubbelt. Naar de les
omlooptijd E1
De tijd van één hele rondgang om het middelpunt. Verder weg betekent een langere omlooptijd. Naar de les
onafhankelijke variabele A5
De grootheid die je in een proef zelf verandert. Die zet je horizontaal in de grafiek. Naar de les
ontbinden C1
Eén kracht vervangen door twee krachten die samen hetzelfde doen, meestal langs en loodrecht op de beweging. Bij een helling is dat de handigste splitsing. Naar de les
oppervlak onder de grafiek C1
De som van hoogte keer breedte over het hele stuk. In een snelheid-tijddiagram is dat de afgelegde weg. Naar de les

P 4

parallellogrammethode C1
Twee krachtpijlen samenstellen door ze als zijden van een parallellogram te tekenen. De diagonaal vanuit het aangrijpingspunt is de resultante. Naar de les
parallelschakeling G1
Onderdelen naast elkaar tussen dezelfde twee punten. De spanning is over alle takken gelijk en de stromen tellen op. Naar de les
plaats-tijddiagram C1
Een grafiek met de afgelegde weg verticaal en de tijd horizontaal. De helling is de snelheid. Naar de les
positieve lens B3
Een lens die dikker is in het midden en lichtstralen bij elkaar brengt. Hij maakt een beeld op een scherm. Naar de les

R 7

recht evenredig A15
Twee grootheden waarbij de ene twee keer zo groot wordt als de andere twee keer zo groot wordt. De grafiek is een rechte lijn door de oorsprong. Naar de les
referentiewaarde G2
De waarde waarmee een regelsysteem de meting vergelijkt, bijvoorbeeld de ingestelde temperatuur op een thermostaat. Naar de les
rek D1
De verlenging gedeeld door de oorspronkelijke lengte, zonder eenheid of in procenten. Naar de les
rendement C2
Het deel van de toegevoerde energie dat nuttig terechtkomt, meestal in procenten. Wat niet nuttig is wordt vrijwel altijd warmte. Naar de les
resonantie B1
Meetrillen van iets dat je op zijn eigen frequentie aanstoot, waardoor de uitwijking sterk groeit. Daarom klinkt een snaar luider met een klankkast. Naar de les
resultante C1
De ene kracht die hetzelfde doet als twee of meer krachten samen. Je vindt hem met de parallellogrammethode of door op te tellen. Naar de les
resulterende kracht C1
Wat er van alle krachten op een voorwerp samen overblijft. Is hij nul, dan blijft de snelheid gelijk. Naar de les

S 17

schaalverdeling A8
De afstand tussen twee streepjes op een meter, uitgedrukt in de gemeten grootheid. Die bepaalt hoe nauwkeurig je kunt aflezen. Naar de les
schuifmaat A8
Een meetinstrument voor kleine lengtes, nauwkeuriger dan een lineaal. Je leest de hoofdschaal en de nonius samen af. Naar de les
sensor G2
Een onderdeel dat een grootheid uit de omgeving omzet in een elektrisch signaal, bijvoorbeeld een lichtgevoelige weerstand. Naar de les
serieschakeling G1
Onderdelen achter elkaar in één kring. De stroom is overal gelijk en de spanningen tellen op. Naar de les
significante cijfers A12
De cijfers in een getal die werkelijk gemeten zijn. Bij vermenigvuldigen houdt je antwoord er zo veel als het minst nauwkeurige gegeven. Naar de les
snelheid-tijddiagram C1
Een grafiek met de snelheid verticaal en de tijd horizontaal. De helling is de versnelling en het oppervlak onder de lijn is de afgelegde weg. Naar de les
soortelijke warmte F
De energie die nodig is om één kilogram van een stof één graad warmer te maken. Water heeft een hoge soortelijke warmte. Naar de les
soortelijke weerstand G1
Een stofeigenschap die zegt hoe sterk een materiaal de stroom tegenhoudt, in ohm meter. Koper heeft een lage waarde en nichroom een hoge. Naar de les
spanning G1
Het energieverschil per eenheid lading tussen twee punten, in volt. Hij is wat de stroom door een kring duwt. Naar de les
spanningsdeler G2
Twee weerstanden in serie waarmee je een deel van de spanning afneemt. Verandert de ene weerstand, dan verandert de afgenomen spanning mee. Naar de les
spanningsmeter A8
Een meter die je parallel aansluit om de spanning over een onderdeel te meten. Hij heeft zelf een heel grote weerstand. Naar de les
staande golf B1
Een golf die in een snaar of luchtkolom heen en weer loopt en zichzelf versterkt. Alleen bepaalde frequenties passen erin. Naar de les
stralingsbalans E2
Het evenwicht tussen de energie die de aarde van de zon opneemt en de energie die ze weer uitstraalt. Raakt die balans uit het lood, dan verandert de temperatuur. Naar de les
stroming C2
Warmtetransport waarbij warme lucht of warm water de warmte zelf meeneemt. Een gesloten ruimte houdt dat tegen. Naar de les
stroommeter A8
Een meter die je in serie opneemt om de stroomsterkte te meten. Hij heeft zelf een heel kleine weerstand. Naar de les
stroomsterkte G1
De hoeveelheid lading die per seconde voorbijkomt, in ampère. Naar de les
systematische fout A5
Een fout die elke meting dezelfde kant op verschuift, bijvoorbeeld een meter die niet op nul staat. Vaker meten helpt daar niet tegen. Naar de les

T 5

terugkoppeling G2
Het terugsturen van de uitkomst naar de ingang, zodat het systeem zichzelf bijstelt. Daardoor blijft een thermostaat rond de ingestelde waarde. Naar de les
toevallige fout A5
Een fout die per meting wisselt, bijvoorbeeld bij het aflezen. Vaker meten en gemiddelden nemen maakt die kleiner. Naar de les
transversale golf B1
Een golf waarin de deeltjes dwars op de voortplantingsrichting bewegen, zoals een golf in een touw. Naar de les
trillingstijd B1
De tijd van één hele trilling, in seconden. Hij is één gedeeld door de frequentie. Naar de les
tweede wet van Newton C1
De resulterende kracht is de massa keer de versnelling. Meer massa vraagt dus meer kracht voor dezelfde versnelling. Naar de les

V 9

veerconstante B1
Hoeveel newton je nodig hebt per meter uitrekking, in newton per meter. Het is de helling van de kracht-uitrekkingsgrafiek. Naar de les
vergroting B3
Hoeveel keer groter het beeld is dan het voorwerp, te vinden uit de beeldafstand gedeeld door de voorwerpsafstand. Naar de les
vermogen G1
Het aantal joule per seconde, in watt. Je rekent het uit met de energie gedeeld door de tijd. Naar de les
verplaatsing C1
Het verschil tussen begin- en eindpositie, met een richting erbij. Hij is niet hetzelfde als de afgelegde afstand, want heen en terug geeft nul verplaatsing. Naar de les
versnelling C1
Hoeveel de snelheid per seconde verandert, in meter per seconde per seconde. Bij afremmen is hij negatief. Naar de les
vervalreactie B2
De vergelijking van een kern die vervalt. Massagetal en atoomnummer moeten links en rechts van de pijl gelijk zijn. Naar de les
vervangingsweerstand G1
De ene weerstand die hetzelfde doet als een hele schakeling. In serie tel je de weerstanden op, parallel wordt hij kleiner dan de kleinste. Naar de les
verwerker G2
Het deel tussen sensor en actuator dat beslist wat er moet gebeuren, meestal met een vergelijking tegen een referentiewaarde. Naar de les
vloeigrens D1
De spanning waarboven een materiaal blijvend vervormt. Daarna komt het niet meer in zijn oude vorm terug. Naar de les

W 6

warmteafgifte F
De energie die het lichaam per seconde aan de omgeving verliest, door straling, geleiding, stroming en verdamping. Naar de les
watt G1
De eenheid van vermogen, met symbool W. Een apparaat van 1000 watt gebruikt duizend joule per seconde. Naar de les
weerstand G1
Hoe sterk een onderdeel de stroom tegenhoudt, in ohm. Hij is de spanning gedeeld door de stroomsterkte. Naar de les
werklijn C1
De lijn waarop een kracht werkt, de krachtpijl naar beide kanten verlengd. Daarop meet je de arm loodrecht. Naar de les
wet van Ohm G1
Het verband dat de spanning gelijk is aan de stroomsterkte keer de weerstand. Hij geldt alleen als de weerstand niet van de stroom afhangt. Naar de les
wrijvingskracht C1
De kracht die tegen de beweging in werkt, van de lucht of van het oppervlak. Bij hogere snelheid wordt de luchtwrijving snel groter. Naar de les

Z 2

zwaarte-energie C2
De energie die iets heeft doordat het hoog staat. Hij hangt af van de massa, de valversnelling en de hoogte, en wordt kinetische energie zodra het valt. Naar de les
zwaartekracht C1
De kracht waarmee de aarde aan een voorwerp trekt. Je rekent hem uit met de massa keer de valversnelling. Naar de les

Alle onderwerpen