Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

85 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. formule

    Een afspraak die zegt hoe je uit de ene grootheid de andere berekent. Bij een woordformule schrijf je de namen voluit, en dat helpt tegen fouten.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  2. histogram

    Een staafdiagram voor gegevens die je in klassen hebt ingedeeld. De staven raken elkaar, want de schaal loopt door.

    Naar de les over Data in beeld brengen

  3. vermenigvuldigregel

    Als je eerst het ene kiest en daarna het andere, vermenigvuldig je het aantal mogelijkheden. Bij het ene of het andere tel je op.

    Naar de les over Tellen zonder te tellen

  4. toelichten

    Opschrijven hoe je aan je antwoord komt. Een kaal getal kan alleen goed of fout zijn; met je stappen erbij kun je ook deelpunten krijgen.

    Naar de les over Algebra die je moet kunnen

  5. causaal verband

    Het ene veroorzaakt echt het andere. Om dat te mogen zeggen heb je meer nodig dan een puntenwolk: een verklaring en bij voorkeur een proef.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  6. snijpunt

    Het punt waar twee grafieken elkaar kruisen. De x-waarde daarvan is de oplossing van de vergelijking waarin de twee formules gelijk zijn.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  7. differentiequotiënt

    De gemiddelde verandering over een interval: hoeveel y verandert gedeeld door hoeveel x verandert. Het is de helling van de lijn tussen twee punten op de grafiek.

    Naar de les over Helling en toename

  8. normale verdeling

    Een klokvormige verdeling waarbij de meeste waarden rond het gemiddelde liggen en de uitersten zeldzaam zijn. Gemiddelde, mediaan en modus vallen samen.

    Naar de les over Statistiek met de computer

  9. spreidingsdiagram

    Een diagram waarin elk punt een meting met twee waarden is. Je leest er richting, sterkte en vorm van het verband uit af.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  10. kansverdeling

    Een overzicht van welke waarden een toevalsvariabele kan aannemen en met welke kans. De kansen samen zijn altijd 1.

    Naar de les over Kansverdelingen

  11. absolute verandering

    Het verschil in de eenheid zelf, dus gewoon nieuw min oud. Een relatieve verandering zet dat verschil af tegen de oude waarde.

    Naar de les over Rekenen met letters

  12. startwaarde

    De waarde van y als x nul is, dus waar de grafiek de verticale as snijdt. In de formule is het het losse getal.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  13. halveringstijd

    De tijd waarin er nog de helft over is. Hetzelfde idee als verdubbelingstijd, maar dan bij afname.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  14. directe formule

    Een formule die de term meteen uit zijn nummer berekent. Daarmee spring je in één keer naar de honderdste term, zonder de 99 ervoor.

    Naar de les over Rijen herkennen en doorrekenen

  15. afronden

    Een getal korter maken op de gevraagde nauwkeurigheid. Let op wat er gevraagd wordt: op gehelen, op één decimaal, of naar boven omdat het om hele bussen gaat.

    Naar de les over Algebra die je moet kunnen

  16. vuistregels bij de normale verdeling

    Ongeveer 68 procent van de waarden ligt binnen één standaardafwijking van het gemiddelde, 95 procent binnen twee en bijna alles binnen drie.

    Naar de les over Kansverdelingen

  17. recursieve formule

    Een formule die de volgende term uitdrukt in de vorige, zoals u(n+1) is u(n) plus 3. Handig om stap voor stap verder te rekenen, lastig om in één keer de honderdste term te vinden.

    Naar de les over Rijen herkennen en doorrekenen

  18. maximum

    Het hoogste punt van een grafiek. Daar draait stijgen om in dalen, dus de helling is er nul.

    Naar de les over Helling en toename

  19. macht

    Een getal een aantal keer met zichzelf vermenigvuldigen. Let op het verschil tussen 2 tot de macht 3 en 2 maal 3; dat is 8 tegenover 6.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  20. standaardafwijking

    Een maat voor de gemiddelde afstand tot het gemiddelde. Hoe groter, hoe meer de waarden uiteenlopen.

    Naar de les over Statistiek met de computer

  21. nulhypothese

    De aanname dat er niets aan de hand is, bijvoorbeeld dat een munt zuiver is. Je verwerpt hem pas als je uitkomst onder die aanname heel onwaarschijnlijk is.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  22. toenemende stijging

    De grafiek gaat omhoog en wordt daarbij steeds steiler. Bij afnemende stijging gaat hij nog steeds omhoog, maar steeds minder hard.

    Naar de les over Helling en toename

  23. asymptoot

    Een lijn waar een grafiek steeds dichter naartoe kruipt zonder hem te raken. Hij zegt wat er op lange termijn gebeurt.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  24. kwalitatieve variabele

    Een variabele met categorieën als waarde, zoals merk of kleur. Daar kun je tellen en percentages van maken, maar geen gemiddelde.

    Naar de les over Een onderzoek opzetten

  25. kwartiel

    Een van de drie waarden die de gegevens in vier even grote delen verdelen. Het tweede kwartiel is de mediaan.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  26. extrapoleren

    Een lijn doortrekken buiten het gebied waarin je gemeten hebt. Dat is altijd een aanname, want je weet niet of het verband daar nog geldt.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  27. gemiddelde

    Alles bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal. Gevoelig voor uitschieters: één extreem getal trekt het gemiddelde mee.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  28. cumulatieve frequentie

    De aantallen bij elkaar opgeteld tot en met die klasse. Hiermee beantwoord je vragen als: hoeveel zitten er onder de 40?

    Naar de les over Data in beeld brengen

  29. exponentieel verband

    Een verband waarbij er per stap steeds met hetzelfde getal wordt vermenigvuldigd. De grafiek loopt eerst vlak en daarna heel steil.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  30. wortel

    Het omgekeerde van machtsverheffen. De twaalfdemachtswortel gebruik je om een jaarlijkse groeifactor om te rekenen naar een maandelijkse.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  31. procentpunt

    Het verschil tussen twee percentages. Van 4 procent naar 6 procent is 2 procentpunt erbij, maar wel een stijging van 50 procent.

    Naar de les over Rekenen met letters

  32. rekenkundige rij

    Een rij waarbij er elke stap hetzelfde bij komt. De directe formule is lineair in het nummer van de term.

    Naar de les over Rijen herkennen en doorrekenen

  33. meetkundige rij

    Een rij waarbij er elke stap met hetzelfde getal wordt vermenigvuldigd. De directe formule is exponentieel.

    Naar de les over Rijen herkennen en doorrekenen

  34. onafhankelijke gebeurtenissen

    Gebeurtenissen die elkaars kans niet beïnvloeden. Alleen dan mag je de kansen vermenigvuldigen.

    Naar de les over Kansen uitrekenen

  35. overschrijdingskans

    De kans om onder de nulhypothese een uitkomst te krijgen die minstens zo extreem is als die van jou. Is die kleiner dan je grens, dan verwerp je de nulhypothese.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  36. grafiek

    Een tekening van een verband, met op elke as een grootheid. Lees eerst de assen, want daar zit de meeste informatie en de meeste misleiding.

    Naar de les over Data in beeld brengen

  37. procentuele verandering

    Hoeveel iets veranderd is ten opzichte van de oude waarde, in procenten. Je rekent: verschil gedeeld door oud, maal honderd.

    Naar de les over Rekenen met letters

  38. interpoleren

    Een waarde schatten tussen twee metingen in. Dat is veel veiliger dan extrapoleren, want je blijft binnen je gegevens.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  39. logaritme

    De vraag: tot welke macht moet ik dit grondtal verheffen om dat getal te krijgen? Je gebruikt hem om de exponent naar beneden te halen bij exponentiële groei.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  40. schatten

    Een snelle berekening met ronde getallen om te zien of je uitkomst kan kloppen. Doe dit voordat je de rekenmachine gelooft.

    Naar de les over Wiskunde in het nieuws

  41. binomiale verdeling

    De verdeling van het aantal successen bij een vast aantal onafhankelijke pogingen met steeds dezelfde kans, zoals het aantal keer kop bij twintig worpen.

    Naar de les over Kansverdelingen

  42. boxplot

    Een diagram met vier gebieden die elk een kwart van de gegevens bevatten. Een breed deel betekent veel spreiding, niet veel waarnemingen.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  43. correlatie

    Samenhang tussen twee variabelen: ze lopen samen op of juist tegen elkaar in. Correlatie zegt niets over oorzaak.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  44. relatieve frequentie

    Hoe vaak iets voorkomt gedeeld door het totaal, vaak als percentage. Hiermee vergelijk je groepen van verschillende grootte eerlijk.

    Naar de les over Data in beeld brengen

  45. uitschieter

    Een waarneming die ver van de rest ligt. Noem hem apart: hij kan een fout zijn, maar ook het interessantste geval.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  46. verdubbelingstijd

    De tijd waarin iets twee keer zo groot wordt. Bij exponentiële groei is die altijd even lang, waar je ook begint.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  47. ongelijkheid

    Een vergelijking met kleiner dan of groter dan. De oplossing is geen getal maar een gebied, en bij delen door een negatief getal draait het teken om.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  48. lineair verband

    Een verband waarbij er per stap steeds hetzelfde bij komt. De grafiek is een rechte lijn en de formule is van de vorm y is a maal x plus b.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  49. modus

    De waarde die het vaakst voorkomt. Handig bij gegevens die je niet kunt optellen, zoals kleur of merk.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  50. significante cijfers

    De cijfers in een uitkomst die echt iets zeggen. Rond pas aan het eind af, en neem de nauwkeurigheid van je gegevens over.

    Naar de les over Algebra die je moet kunnen

  51. helling

    Hoe snel de grafiek verandert. Over een stuk bereken je hem als het verschil in y gedeeld door het verschil in x.

    Naar de les over Helling en toename

  52. logaritmische functie

    De omgekeerde van een exponentiële functie. Hij groeit steeds langzamer, en je gebruikt hem om een exponent naar beneden te halen bij het oplossen.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  53. staafdiagram

    Een diagram voor losse categorieën, met ruimte tussen de staven. Begin de as bij nul, anders overdrijft het verschil.

    Naar de les over Data in beeld brengen

  54. substitueren

    Een waarde of een hele uitdrukking invullen op de plek van een letter. Zet er haakjes omheen, anders gaat de volgorde van bewerkingen mis.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  55. index

    Een getal dat een waarde vergelijkt met een gekozen startjaar, dat op 100 wordt gezet. Een index van 112 betekent 12 procent meer dan in het startjaar.

    Naar de les over Rekenen met letters

  56. verwachtingswaarde

    Het gemiddelde dat je op de lange duur verwacht. Je berekent hem door elke uitkomst te vermenigvuldigen met zijn kans en alles op te tellen.

    Naar de les over Kansen uitrekenen

  57. domein

    De waarden van x die je in mag vullen. In een praktijkvraag ligt dat vaak vast door de situatie: een tijd kan niet negatief zijn.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  58. hellingsgetal

    Het getal voor de x in een lineaire formule: hoeveel y verandert als x met 1 toeneemt. Het is de steilheid van de lijn.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  59. aselect

    Zo getrokken dat iedereen uit de populatie evenveel kans had om erin te komen. Dat is de enige manier om systematische vertekening te voorkomen.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  60. probleemstelling

    De vraag die je onderzoek moet beantwoorden, scherp genoeg om te meten. Hij bepaalt welke variabelen je kiest en welke groep je onderzoekt.

    Naar de les over Een onderzoek opzetten

  61. permutatie

    Een volgorde waarin je dingen kunt zetten, waarbij de volgorde ertoe doet. Vier mensen op vier stoelen kan op 4 maal 3 maal 2 maal 1 manieren.

    Naar de les over Tellen zonder te tellen

  62. complementregel

    De kans dat iets niet gebeurt is 1 min de kans dat het wel gebeurt. Vaak is de omweg via het tegenovergestelde veel korter.

    Naar de les over Kansen uitrekenen

  63. afgeleide

    De functie die bij elk punt de helling van de oorspronkelijke grafiek geeft. Waar de afgeleide nul is, ligt een top of een dal.

    Naar de les over Differentiëren

  64. betrouwbaarheidsinterval

    Het gebied waarbinnen de echte waarde van de populatie waarschijnlijk ligt. Een grotere steekproef maakt dat gebied smaller.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  65. representatief

    Of de steekproef dezelfde samenstelling heeft als de populatie. Een enquête onder alleen jongeren zegt niets over alle inwoners.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  66. steekproefgrootte

    Het aantal waarnemingen in je steekproef. Een grotere steekproef maakt je schatting preciezer, maar repareert een scheve trekking niet.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  67. eenheid

    Waarin een getal wordt uitgedrukt. Een antwoord zonder eenheid is zelden een volledig antwoord, en het omrekenen van eenheden is een klassieke valkuil.

    Naar de les over Van verhaal naar model

  68. combinatie

    Een keuze waarbij de volgorde juist niet uitmaakt, zoals drie mensen kiezen uit tien. Daarom vallen de permutaties van die drie tegen elkaar weg.

    Naar de les over Tellen zonder te tellen

  69. wegendiagram

    Een boompje waarin je elke keuze als een aftakking tekent. Het helpt je zien of je moet vermenigvuldigen of optellen.

    Naar de les over Tellen zonder te tellen

  70. toevalsvariabele

    Een grootheid waarvan de waarde van toeval afhangt, zoals het aantal keer kop bij tien worpen. Je beschrijft hem met een kansverdeling.

    Naar de les over Kansen uitrekenen

  71. kwantitatieve variabele

    Een variabele met getallen als waarde. Discreet als je kunt tellen, zoals aantal kinderen, en continu als elke tussenwaarde kan, zoals lengte.

    Naar de les over Een onderzoek opzetten

  72. vergelijking oplossen

    De waarde van de onbekende zoeken waarvoor links en rechts gelijk zijn. Dat kan algebraïsch, met een grafiek of met je rekenmachine.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  73. mediaan

    Het middelste getal als je alles op volgorde zet. Ongevoelig voor uitschieters, en daarom bij inkomens vaak eerlijker dan het gemiddelde.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  74. wiskundig model

    Een formule of grafiek die een stuk werkelijkheid beschrijft. Het geldt binnen bepaalde grenzen; benoem die grenzen in je antwoord.

    Naar de les over Van verhaal naar model

  75. stijgen en dalen

    Of de grafiek omhooggaat of omlaag als je van links naar rechts leest. Dat zegt iets anders dan of de waarde hoog of laag is.

    Naar de les over Helling en toename

  76. groeifactor

    Het getal waarmee je vermenigvuldigt om van de oude naar de nieuwe waarde te gaan. Plus 20 procent is keer 1,2 en min 20 procent is keer 0,8.

    Naar de les over Rekenen met letters

  77. derde factor

    Iets wat twee variabelen allebei beïnvloedt en daarmee hun samenhang verklaart, zonder dat de een de ander veroorzaakt.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  78. spreiding

    Hoe ver de waarden uit elkaar liggen. Twee groepen met hetzelfde gemiddelde kunnen heel verschillend zijn, en dat zie je pas aan de spreiding.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  79. machtsfunctie

    Een functie waarin de variabele tot een vaste macht staat, zoals y is x tot de derde. De macht bepaalt de vorm van de grafiek en of hij door de oorsprong gaat.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  80. steekproef

    Een deel van de populatie dat je onderzoekt. Hoe je hem trekt bepaalt of je conclusie klopt; een grote scheve steekproef blijft scheef.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  81. populatie

    De hele groep waar je iets over wilt zeggen. De steekproef is het deel dat je echt onderzoekt.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  82. variabele

    Een letter die staat voor een grootheid die kan veranderen. Benoem bij elke formule eerst wat elke letter betekent en in welke eenheid.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  83. significant

    Zo onwaarschijnlijk onder de nulhypothese dat je die verwerpt. De grens kies je vooraf, meestal 5 procent, en dat is een afspraak en geen natuurwet.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  84. kwartielafstand

    Het verschil tussen het derde en het eerste kwartiel: de breedte van de doos in een boxplot. Hierin zit de middelste helft van de gegevens.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  85. herleiden

    Een formule omschrijven tot hij eenvoudiger is of tot een andere letter alleen staat. Wat het laatst om de letter heen zit, haal je er als eerste af.

    Naar de les over Rekenen met letters

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 85 begrippen.

4 onderwerpen
5 onderwerpen
2 onderwerpen
3 onderwerpen
3 onderwerpen
Begin opnieuw