Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

20 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. boxplot

    Een diagram met vier gebieden die elk een kwart van de gegevens bevatten. Een breed deel betekent veel spreiding, niet veel waarnemingen.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  2. derde factor

    Iets wat twee variabelen allebei beïnvloedt en daarmee hun samenhang verklaart, zonder dat de een de ander veroorzaakt.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  3. variabele

    Een letter die staat voor een grootheid die kan veranderen. Benoem bij elke formule eerst wat elke letter betekent en in welke eenheid.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  4. binomiale verdeling

    De verdeling van het aantal successen bij een vast aantal onafhankelijke pogingen met steeds dezelfde kans, zoals het aantal keer kop bij twintig worpen.

    Naar de les over Kansverdelingen

  5. vuistregels bij de normale verdeling

    Ongeveer 68 procent van de waarden ligt binnen één standaardafwijking van het gemiddelde, 95 procent binnen twee en bijna alles binnen drie.

    Naar de les over Kansverdelingen

  6. formule

    Een afspraak die zegt hoe je uit de ene grootheid de andere berekent. Bij een woordformule schrijf je de namen voluit, en dat helpt tegen fouten.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  7. kwartiel

    Een van de drie waarden die de gegevens in vier even grote delen verdelen. Het tweede kwartiel is de mediaan.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  8. toevalsvariabele

    Een grootheid waarvan de waarde van toeval afhangt, zoals het aantal keer kop bij tien worpen. Je beschrijft hem met een kansverdeling.

    Naar de les over Kansen uitrekenen

  9. machtsfunctie

    Een functie waarin de variabele tot een vaste macht staat, zoals y is x tot de derde. De macht bepaalt de vorm van de grafiek en of hij door de oorsprong gaat.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  10. kansverdeling

    Een overzicht van welke waarden een toevalsvariabele kan aannemen en met welke kans. De kansen samen zijn altijd 1.

    Naar de les over Kansverdelingen

  11. uitschieter

    Een waarneming die ver van de rest ligt. Noem hem apart: hij kan een fout zijn, maar ook het interessantste geval.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  12. spreiding

    Hoe ver de waarden uit elkaar liggen. Twee groepen met hetzelfde gemiddelde kunnen heel verschillend zijn, en dat zie je pas aan de spreiding.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  13. significante cijfers

    De cijfers in een uitkomst die echt iets zeggen. Rond pas aan het eind af, en neem de nauwkeurigheid van je gegevens over.

    Naar de les over Algebra die je moet kunnen

  14. maximum

    Het hoogste punt van een grafiek. Daar draait stijgen om in dalen, dus de helling is er nul.

    Naar de les over Helling en toename

  15. exponentieel verband

    Een verband waarbij er per stap steeds met hetzelfde getal wordt vermenigvuldigd. De grafiek loopt eerst vlak en daarna heel steil.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  16. verwachtingswaarde

    Het gemiddelde dat je op de lange duur verwacht. Je berekent hem door elke uitkomst te vermenigvuldigen met zijn kans en alles op te tellen.

    Naar de les over Kansen uitrekenen

  17. significant

    Zo onwaarschijnlijk onder de nulhypothese dat je die verwerpt. De grens kies je vooraf, meestal 5 procent, en dat is een afspraak en geen natuurwet.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  18. vergelijking oplossen

    De waarde van de onbekende zoeken waarvoor links en rechts gelijk zijn. Dat kan algebraïsch, met een grafiek of met je rekenmachine.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  19. cumulatieve frequentie

    De aantallen bij elkaar opgeteld tot en met die klasse. Hiermee beantwoord je vragen als: hoeveel zitten er onder de 40?

    Naar de les over Data in beeld brengen

  20. relatieve frequentie

    Hoe vaak iets voorkomt gedeeld door het totaal, vaak als percentage. Hiermee vergelijk je groepen van verschillende grootte eerlijk.

    Naar de les over Data in beeld brengen

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 85 begrippen.

4 onderwerpen
5 onderwerpen
2 onderwerpen
3 onderwerpen
3 onderwerpen
Begin opnieuw