Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
20 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
boxplot
Een diagram met vier gebieden die elk een kwart van de gegevens bevatten. Een breed deel betekent veel spreiding, niet veel waarnemingen.
-
derde factor
Iets wat twee variabelen allebei beïnvloedt en daarmee hun samenhang verklaart, zonder dat de een de ander veroorzaakt.
-
variabele
Een letter die staat voor een grootheid die kan veranderen. Benoem bij elke formule eerst wat elke letter betekent en in welke eenheid.
-
binomiale verdeling
De verdeling van het aantal successen bij een vast aantal onafhankelijke pogingen met steeds dezelfde kans, zoals het aantal keer kop bij twintig worpen.
-
vuistregels bij de normale verdeling
Ongeveer 68 procent van de waarden ligt binnen één standaardafwijking van het gemiddelde, 95 procent binnen twee en bijna alles binnen drie.
-
formule
Een afspraak die zegt hoe je uit de ene grootheid de andere berekent. Bij een woordformule schrijf je de namen voluit, en dat helpt tegen fouten.
-
kwartiel
Een van de drie waarden die de gegevens in vier even grote delen verdelen. Het tweede kwartiel is de mediaan.
-
toevalsvariabele
Een grootheid waarvan de waarde van toeval afhangt, zoals het aantal keer kop bij tien worpen. Je beschrijft hem met een kansverdeling.
-
machtsfunctie
Een functie waarin de variabele tot een vaste macht staat, zoals y is x tot de derde. De macht bepaalt de vorm van de grafiek en of hij door de oorsprong gaat.
-
kansverdeling
Een overzicht van welke waarden een toevalsvariabele kan aannemen en met welke kans. De kansen samen zijn altijd 1.
-
uitschieter
Een waarneming die ver van de rest ligt. Noem hem apart: hij kan een fout zijn, maar ook het interessantste geval.
-
spreiding
Hoe ver de waarden uit elkaar liggen. Twee groepen met hetzelfde gemiddelde kunnen heel verschillend zijn, en dat zie je pas aan de spreiding.
-
significante cijfers
De cijfers in een uitkomst die echt iets zeggen. Rond pas aan het eind af, en neem de nauwkeurigheid van je gegevens over.
-
maximum
Het hoogste punt van een grafiek. Daar draait stijgen om in dalen, dus de helling is er nul.
-
exponentieel verband
Een verband waarbij er per stap steeds met hetzelfde getal wordt vermenigvuldigd. De grafiek loopt eerst vlak en daarna heel steil.
-
verwachtingswaarde
Het gemiddelde dat je op de lange duur verwacht. Je berekent hem door elke uitkomst te vermenigvuldigen met zijn kans en alles op te tellen.
-
significant
Zo onwaarschijnlijk onder de nulhypothese dat je die verwerpt. De grens kies je vooraf, meestal 5 procent, en dat is een afspraak en geen natuurwet.
-
vergelijking oplossen
De waarde van de onbekende zoeken waarvoor links en rechts gelijk zijn. Dat kan algebraïsch, met een grafiek of met je rekenmachine.
-
cumulatieve frequentie
De aantallen bij elkaar opgeteld tot en met die klasse. Hiermee beantwoord je vragen als: hoeveel zitten er onder de 40?
-
relatieve frequentie
Hoe vaak iets voorkomt gedeeld door het totaal, vaak als percentage. Hiermee vergelijk je groepen van verschillende grootte eerlijk.