Naar de inhoud
Inloggen

Wiskunde A vwo

Begrippenlijst

vwo

85 begrippen die je bij Wiskunde A op vwo moet kennen, elk met een paar zinnen uitleg. Staat er een les bij, dan wordt het begrip daar gebruikt en geoefend.

A 5

absolute verandering B1
Het verschil in de eenheid zelf, dus gewoon nieuw min oud. Een relatieve verandering zet dat verschil af tegen de oude waarde. Naar de les
afgeleide D3
De functie die bij elk punt de helling van de oorspronkelijke grafiek geeft. Waar de afgeleide nul is, ligt een top of een dal. Naar de les
afronden A3
Een getal korter maken op de gevraagde nauwkeurigheid. Let op wat er gevraagd wordt: op gehelen, op één decimaal, of naar boven omdat het om hele bussen gaat. Naar de les
aselect E6
Zo getrokken dat iedereen uit de populatie evenveel kans had om erin te komen. Dat is de enige manier om systematische vertekening te voorkomen. Naar de les
asymptoot C1
Een lijn waar een grafiek steeds dichter naartoe kruipt zonder hem te raken. Hij zegt wat er op lange termijn gebeurt. Naar de les

B 3

betrouwbaarheidsinterval E6
Het gebied waarbinnen de echte waarde van de populatie waarschijnlijk ligt. Een grotere steekproef maakt dat gebied smaller. Naar de les
binomiale verdeling E5
De verdeling van het aantal successen bij een vast aantal onafhankelijke pogingen met steeds dezelfde kans, zoals het aantal keer kop bij twintig worpen. Naar de les
boxplot E3
Een diagram met vier gebieden die elk een kwart van de gegevens bevatten. Een breed deel betekent veel spreiding, niet veel waarnemingen. Naar de les

C 5

causaal verband E6
Het ene veroorzaakt echt het andere. Om dat te mogen zeggen heb je meer nodig dan een puntenwolk: een verklaring en bij voorkeur een proef. Naar de les
combinatie B2
Een keuze waarbij de volgorde juist niet uitmaakt, zoals drie mensen kiezen uit tien. Daarom vallen de permutaties van die drie tegen elkaar weg. Naar de les
complementregel E4
De kans dat iets niet gebeurt is 1 min de kans dat het wel gebeurt. Vaak is de omweg via het tegenovergestelde veel korter. Naar de les
correlatie E6
Samenhang tussen twee variabelen: ze lopen samen op of juist tegen elkaar in. Correlatie zegt niets over oorzaak. Naar de les
cumulatieve frequentie E2
De aantallen bij elkaar opgeteld tot en met die klasse. Hiermee beantwoord je vragen als: hoeveel zitten er onder de 40? Naar de les

D 4

derde factor E6
Iets wat twee variabelen allebei beïnvloedt en daarmee hun samenhang verklaart, zonder dat de een de ander veroorzaakt. Naar de les
differentiequotiënt D2
De gemiddelde verandering over een interval: hoeveel y verandert gedeeld door hoeveel x verandert. Het is de helling van de lijn tussen twee punten op de grafiek. Naar de les
directe formule D1
Een formule die de term meteen uit zijn nummer berekent. Daarmee spring je in één keer naar de honderdste term, zonder de 99 ervoor. Naar de les
domein C2
De waarden van x die je in mag vullen. In een praktijkvraag ligt dat vaak vast door de situatie: een tijd kan niet negatief zijn. Naar de les

E 3

eenheid A2
Waarin een getal wordt uitgedrukt. Een antwoord zonder eenheid is zelden een volledig antwoord, en het omrekenen van eenheden is een klassieke valkuil. Naar de les
exponentieel verband C1
Een verband waarbij er per stap steeds met hetzelfde getal wordt vermenigvuldigd. De grafiek loopt eerst vlak en daarna heel steil. Naar de les
extrapoleren E6
Een lijn doortrekken buiten het gebied waarin je gemeten hebt. Dat is altijd een aanname, want je weet niet of het verband daar nog geldt. Naar de les

F 1

formule C2
Een afspraak die zegt hoe je uit de ene grootheid de andere berekent. Bij een woordformule schrijf je de namen voluit, en dat helpt tegen fouten. Naar de les

G 3

gemiddelde E3
Alles bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal. Gevoelig voor uitschieters: één extreem getal trekt het gemiddelde mee. Naar de les
grafiek E2
Een tekening van een verband, met op elke as een grootheid. Lees eerst de assen, want daar zit de meeste informatie en de meeste misleiding. Naar de les
groeifactor B1
Het getal waarmee je vermenigvuldigt om van de oude naar de nieuwe waarde te gaan. Plus 20 procent is keer 1,2 en min 20 procent is keer 0,8. Naar de les

H 5

halveringstijd C1
De tijd waarin er nog de helft over is. Hetzelfde idee als verdubbelingstijd, maar dan bij afname. Naar de les
helling D2
Hoe snel de grafiek verandert. Over een stuk bereken je hem als het verschil in y gedeeld door het verschil in x. Naar de les
hellingsgetal C1
Het getal voor de x in een lineaire formule: hoeveel y verandert als x met 1 toeneemt. Het is de steilheid van de lijn. Naar de les
herleiden B1
Een formule omschrijven tot hij eenvoudiger is of tot een andere letter alleen staat. Wat het laatst om de letter heen zit, haal je er als eerste af. Naar de les
histogram E2
Een staafdiagram voor gegevens die je in klassen hebt ingedeeld. De staven raken elkaar, want de schaal loopt door. Naar de les

I 2

index B1
Een getal dat een waarde vergelijkt met een gekozen startjaar, dat op 100 wordt gezet. Een index van 112 betekent 12 procent meer dan in het startjaar. Naar de les
interpoleren E6
Een waarde schatten tussen twee metingen in. Dat is veel veiliger dan extrapoleren, want je blijft binnen je gegevens. Naar de les

K 5

kansverdeling E5
Een overzicht van welke waarden een toevalsvariabele kan aannemen en met welke kans. De kansen samen zijn altijd 1. Naar de les
kwalitatieve variabele E1
Een variabele met categorieën als waarde, zoals merk of kleur. Daar kun je tellen en percentages van maken, maar geen gemiddelde. Naar de les
kwantitatieve variabele E1
Een variabele met getallen als waarde. Discreet als je kunt tellen, zoals aantal kinderen, en continu als elke tussenwaarde kan, zoals lengte. Naar de les
kwartiel E3
Een van de drie waarden die de gegevens in vier even grote delen verdelen. Het tweede kwartiel is de mediaan. Naar de les
kwartielafstand E3
Het verschil tussen het derde en het eerste kwartiel: de breedte van de doos in een boxplot. Hierin zit de middelste helft van de gegevens. Naar de les

L 3

lineair verband C1
Een verband waarbij er per stap steeds hetzelfde bij komt. De grafiek is een rechte lijn en de formule is van de vorm y is a maal x plus b. Naar de les
logaritme C1
De vraag: tot welke macht moet ik dit grondtal verheffen om dat getal te krijgen? Je gebruikt hem om de exponent naar beneden te halen bij exponentiële groei. Naar de les
logaritmische functie C1
De omgekeerde van een exponentiële functie. Hij groeit steeds langzamer, en je gebruikt hem om een exponent naar beneden te halen bij het oplossen. Naar de les

M 6

macht C1
Een getal een aantal keer met zichzelf vermenigvuldigen. Let op het verschil tussen 2 tot de macht 3 en 2 maal 3; dat is 8 tegenover 6. Naar de les
machtsfunctie C1
Een functie waarin de variabele tot een vaste macht staat, zoals y is x tot de derde. De macht bepaalt de vorm van de grafiek en of hij door de oorsprong gaat. Naar de les
maximum D2
Het hoogste punt van een grafiek. Daar draait stijgen om in dalen, dus de helling is er nul. Naar de les
mediaan E3
Het middelste getal als je alles op volgorde zet. Ongevoelig voor uitschieters, en daarom bij inkomens vaak eerlijker dan het gemiddelde. Naar de les
meetkundige rij D1
Een rij waarbij er elke stap met hetzelfde getal wordt vermenigvuldigd. De directe formule is exponentieel. Naar de les
modus E3
De waarde die het vaakst voorkomt. Handig bij gegevens die je niet kunt optellen, zoals kleur of merk. Naar de les

N 2

normale verdeling E7
Een klokvormige verdeling waarbij de meeste waarden rond het gemiddelde liggen en de uitersten zeldzaam zijn. Gemiddelde, mediaan en modus vallen samen. Naar de les
nulhypothese E6
De aanname dat er niets aan de hand is, bijvoorbeeld dat een munt zuiver is. Je verwerpt hem pas als je uitkomst onder die aanname heel onwaarschijnlijk is. Naar de les

O 3

onafhankelijke gebeurtenissen E4
Gebeurtenissen die elkaars kans niet beïnvloeden. Alleen dan mag je de kansen vermenigvuldigen. Naar de les
ongelijkheid C2
Een vergelijking met kleiner dan of groter dan. De oplossing is geen getal maar een gebied, en bij delen door een negatief getal draait het teken om. Naar de les
overschrijdingskans E6
De kans om onder de nulhypothese een uitkomst te krijgen die minstens zo extreem is als die van jou. Is die kleiner dan je grens, dan verwerp je de nulhypothese. Naar de les

P 5

permutatie B2
Een volgorde waarin je dingen kunt zetten, waarbij de volgorde ertoe doet. Vier mensen op vier stoelen kan op 4 maal 3 maal 2 maal 1 manieren. Naar de les
populatie E6
De hele groep waar je iets over wilt zeggen. De steekproef is het deel dat je echt onderzoekt. Naar de les
probleemstelling E1
De vraag die je onderzoek moet beantwoorden, scherp genoeg om te meten. Hij bepaalt welke variabelen je kiest en welke groep je onderzoekt. Naar de les
procentpunt B1
Het verschil tussen twee percentages. Van 4 procent naar 6 procent is 2 procentpunt erbij, maar wel een stijging van 50 procent. Naar de les
procentuele verandering B1
Hoeveel iets veranderd is ten opzichte van de oude waarde, in procenten. Je rekent: verschil gedeeld door oud, maal honderd. Naar de les

R 4

recursieve formule D1
Een formule die de volgende term uitdrukt in de vorige, zoals u(n+1) is u(n) plus 3. Handig om stap voor stap verder te rekenen, lastig om in één keer de honderdste term te vinden. Naar de les
rekenkundige rij D1
Een rij waarbij er elke stap hetzelfde bij komt. De directe formule is lineair in het nummer van de term. Naar de les
relatieve frequentie E2
Hoe vaak iets voorkomt gedeeld door het totaal, vaak als percentage. Hiermee vergelijk je groepen van verschillende grootte eerlijk. Naar de les
representatief E6
Of de steekproef dezelfde samenstelling heeft als de populatie. Een enquête onder alleen jongeren zegt niets over alle inwoners. Naar de les

S 13

schatten A1
Een snelle berekening met ronde getallen om te zien of je uitkomst kan kloppen. Doe dit voordat je de rekenmachine gelooft. Naar de les
significant E6
Zo onwaarschijnlijk onder de nulhypothese dat je die verwerpt. De grens kies je vooraf, meestal 5 procent, en dat is een afspraak en geen natuurwet. Naar de les
significante cijfers A3
De cijfers in een uitkomst die echt iets zeggen. Rond pas aan het eind af, en neem de nauwkeurigheid van je gegevens over. Naar de les
snijpunt C2
Het punt waar twee grafieken elkaar kruisen. De x-waarde daarvan is de oplossing van de vergelijking waarin de twee formules gelijk zijn. Naar de les
spreiding E3
Hoe ver de waarden uit elkaar liggen. Twee groepen met hetzelfde gemiddelde kunnen heel verschillend zijn, en dat zie je pas aan de spreiding. Naar de les
spreidingsdiagram E6
Een diagram waarin elk punt een meting met twee waarden is. Je leest er richting, sterkte en vorm van het verband uit af. Naar de les
staafdiagram E2
Een diagram voor losse categorieën, met ruimte tussen de staven. Begin de as bij nul, anders overdrijft het verschil. Naar de les
standaardafwijking E7
Een maat voor de gemiddelde afstand tot het gemiddelde. Hoe groter, hoe meer de waarden uiteenlopen. Naar de les
startwaarde C1
De waarde van y als x nul is, dus waar de grafiek de verticale as snijdt. In de formule is het het losse getal. Naar de les
steekproef E6
Een deel van de populatie dat je onderzoekt. Hoe je hem trekt bepaalt of je conclusie klopt; een grote scheve steekproef blijft scheef. Naar de les
steekproefgrootte E6
Het aantal waarnemingen in je steekproef. Een grotere steekproef maakt je schatting preciezer, maar repareert een scheve trekking niet. Naar de les
stijgen en dalen D2
Of de grafiek omhooggaat of omlaag als je van links naar rechts leest. Dat zegt iets anders dan of de waarde hoog of laag is. Naar de les
substitueren C2
Een waarde of een hele uitdrukking invullen op de plek van een letter. Zet er haakjes omheen, anders gaat de volgorde van bewerkingen mis. Naar de les

T 3

toelichten A3
Opschrijven hoe je aan je antwoord komt. Een kaal getal kan alleen goed of fout zijn; met je stappen erbij kun je ook deelpunten krijgen. Naar de les
toenemende stijging D2
De grafiek gaat omhoog en wordt daarbij steeds steiler. Bij afnemende stijging gaat hij nog steeds omhoog, maar steeds minder hard. Naar de les
toevalsvariabele E4
Een grootheid waarvan de waarde van toeval afhangt, zoals het aantal keer kop bij tien worpen. Je beschrijft hem met een kansverdeling. Naar de les

U 1

uitschieter E3
Een waarneming die ver van de rest ligt. Noem hem apart: hij kan een fout zijn, maar ook het interessantste geval. Naar de les

V 6

variabele C2
Een letter die staat voor een grootheid die kan veranderen. Benoem bij elke formule eerst wat elke letter betekent en in welke eenheid. Naar de les
verdubbelingstijd C1
De tijd waarin iets twee keer zo groot wordt. Bij exponentiële groei is die altijd even lang, waar je ook begint. Naar de les
vergelijking oplossen C2
De waarde van de onbekende zoeken waarvoor links en rechts gelijk zijn. Dat kan algebraïsch, met een grafiek of met je rekenmachine. Naar de les
vermenigvuldigregel B2
Als je eerst het ene kiest en daarna het andere, vermenigvuldig je het aantal mogelijkheden. Bij het ene of het andere tel je op. Naar de les
verwachtingswaarde E4
Het gemiddelde dat je op de lange duur verwacht. Je berekent hem door elke uitkomst te vermenigvuldigen met zijn kans en alles op te tellen. Naar de les
vuistregels bij de normale verdeling E5
Ongeveer 68 procent van de waarden ligt binnen één standaardafwijking van het gemiddelde, 95 procent binnen twee en bijna alles binnen drie. Naar de les

W 3

wegendiagram B2
Een boompje waarin je elke keuze als een aftakking tekent. Het helpt je zien of je moet vermenigvuldigen of optellen. Naar de les
wiskundig model A2
Een formule of grafiek die een stuk werkelijkheid beschrijft. Het geldt binnen bepaalde grenzen; benoem die grenzen in je antwoord. Naar de les
wortel C1
Het omgekeerde van machtsverheffen. De twaalfdemachtswortel gebruik je om een jaarlijkse groeifactor om te rekenen naar een maandelijkse. Naar de les

Alle onderwerpen