Statistiek met de computer
Ongeveer 9 minuten. De machine rekent. Jij kiest wat je uitrekent en legt uit wat eruit komt.
Wat je zelf moet doen
Je kiest de verdeling. Een binomiale functie invullen bij een situatie die niet binomiaal is, levert netjes een getal op dat nergens over gaat.
Je kiest tussen de kans op precies een waarde en de kans op hoogstens die waarde. Dat zijn twee verschillende functies, en het woord in de vraag beslist.
Bij grote datasets laat je de machine de maten uitrekenen, maar jij kijkt eerst naar het diagram. Een gemiddelde van gegevens met twee pieken erin beschrijft niets.
En je schrijft op wat je hebt ingevoerd. Een antwoord met alleen een uitkomst is bij een ICT-opgave niet na te kijken en levert daarom weinig punten op.
Wie doet wat
Een getal uit de machine zonder uitleg is geen antwoord op een examenvraag.
Zo werk je netjes
Kijk eerst naar het beeld
Een diagram van de data laat zien of je maat zinnig is.
Kies de functie bewust
Precies of hoogstens, binomiaal of normaal.
Noteer je invoer
Welke functie, welke getallen. Dat hoort in je uitwerking.
Rond pas op het eind af
Laat de machine met alle cijfers rekenen.
Schrijf de betekenis op
In de taal van de vraag, met de eenheid erbij.
De fout die bijna iedereen maakt
De machine geeft 0,2743. Is dat je antwoord?
Bij een statistiekvraag gaat het om de uitspraak, niet om het getal. "De kans dat er minstens vijf afkeuringen zijn is ongeveer 27 procent, dus dat gebeurt ruwweg bij één op de vier zendingen" is een antwoord; 0,2743 is een tussenstap.
Noteer altijd welke functie je gebruikte
Twee uitkomsten die dicht bij elkaar liggen kunnen van verschillende functies komen. Door je invoer op te schrijven kan de nakijker zien waar het misging, en dat scheelt deelpunten.
Check jezelf
Wat kiest de machine niet voor je?
Waarom kijk je eerst naar een diagram?
Wat hoort er bij een uitkomst uit de machine?
Vakinhoudelijk gecontroleerd door Jasper Mulders op 9-10-2026.