Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

20 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. hellingsgetal

    Het getal voor de x in een lineaire formule: hoeveel y verandert als x met 1 toeneemt. Het is de steilheid van de lijn.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  2. kwantitatieve variabele

    Een variabele met getallen als waarde. Discreet als je kunt tellen, zoals aantal kinderen, en continu als elke tussenwaarde kan, zoals lengte.

    Naar de les over Een onderzoek opzetten

  3. lineair verband

    Een verband waarbij er per stap steeds hetzelfde bij komt. De grafiek is een rechte lijn en de formule is van de vorm y is a maal x plus b.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  4. toenemende stijging

    De grafiek gaat omhoog en wordt daarbij steeds steiler. Bij afnemende stijging gaat hij nog steeds omhoog, maar steeds minder hard.

    Naar de les over Helling en toename

  5. logaritme

    De vraag: tot welke macht moet ik dit grondtal verheffen om dat getal te krijgen? Je gebruikt hem om de exponent naar beneden te halen bij exponentiële groei.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  6. wortel

    Het omgekeerde van machtsverheffen. De twaalfdemachtswortel gebruik je om een jaarlijkse groeifactor om te rekenen naar een maandelijkse.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  7. permutatie

    Een volgorde waarin je dingen kunt zetten, waarbij de volgorde ertoe doet. Vier mensen op vier stoelen kan op 4 maal 3 maal 2 maal 1 manieren.

    Naar de les over Tellen zonder te tellen

  8. formule

    Een afspraak die zegt hoe je uit de ene grootheid de andere berekent. Bij een woordformule schrijf je de namen voluit, en dat helpt tegen fouten.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  9. substitueren

    Een waarde of een hele uitdrukking invullen op de plek van een letter. Zet er haakjes omheen, anders gaat de volgorde van bewerkingen mis.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  10. correlatie

    Samenhang tussen twee variabelen: ze lopen samen op of juist tegen elkaar in. Correlatie zegt niets over oorzaak.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  11. herleiden

    Een formule omschrijven tot hij eenvoudiger is of tot een andere letter alleen staat. Wat het laatst om de letter heen zit, haal je er als eerste af.

    Naar de les over Rekenen met letters

  12. startwaarde

    De waarde van y als x nul is, dus waar de grafiek de verticale as snijdt. In de formule is het het losse getal.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  13. directe formule

    Een formule die de term meteen uit zijn nummer berekent. Daarmee spring je in één keer naar de honderdste term, zonder de 99 ervoor.

    Naar de les over Rijen herkennen en doorrekenen

  14. absolute verandering

    Het verschil in de eenheid zelf, dus gewoon nieuw min oud. Een relatieve verandering zet dat verschil af tegen de oude waarde.

    Naar de les over Rekenen met letters

  15. eenheid

    Waarin een getal wordt uitgedrukt. Een antwoord zonder eenheid is zelden een volledig antwoord, en het omrekenen van eenheden is een klassieke valkuil.

    Naar de les over Van verhaal naar model

  16. causaal verband

    Het ene veroorzaakt echt het andere. Om dat te mogen zeggen heb je meer nodig dan een puntenwolk: een verklaring en bij voorkeur een proef.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  17. schatten

    Een snelle berekening met ronde getallen om te zien of je uitkomst kan kloppen. Doe dit voordat je de rekenmachine gelooft.

    Naar de les over Wiskunde in het nieuws

  18. vuistregels bij de normale verdeling

    Ongeveer 68 procent van de waarden ligt binnen één standaardafwijking van het gemiddelde, 95 procent binnen twee en bijna alles binnen drie.

    Naar de les over Kansverdelingen

  19. spreiding

    Hoe ver de waarden uit elkaar liggen. Twee groepen met hetzelfde gemiddelde kunnen heel verschillend zijn, en dat zie je pas aan de spreiding.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  20. kwalitatieve variabele

    Een variabele met categorieën als waarde, zoals merk of kleur. Daar kun je tellen en percentages van maken, maar geen gemiddelde.

    Naar de les over Een onderzoek opzetten

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 85 begrippen.

4 onderwerpen
5 onderwerpen
2 onderwerpen
3 onderwerpen
3 onderwerpen
Begin opnieuw