Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
10 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
toevalsvariabele
Een grootheid waarvan de waarde van toeval afhangt, zoals het aantal keer kop bij tien worpen. Je beschrijft hem met een kansverdeling.
-
standaardafwijking
Een maat voor de gemiddelde afstand tot het gemiddelde. Hoe groter, hoe meer de waarden uiteenlopen.
-
lineair verband
Een verband waarbij er per stap steeds hetzelfde bij komt. De grafiek is een rechte lijn en de formule is van de vorm y is a maal x plus b.
-
eenheid
Waarin een getal wordt uitgedrukt. Een antwoord zonder eenheid is zelden een volledig antwoord, en het omrekenen van eenheden is een klassieke valkuil.
-
wortel
Het omgekeerde van machtsverheffen. De twaalfdemachtswortel gebruik je om een jaarlijkse groeifactor om te rekenen naar een maandelijkse.
-
relatieve frequentie
Hoe vaak iets voorkomt gedeeld door het totaal, vaak als percentage. Hiermee vergelijk je groepen van verschillende grootte eerlijk.
-
derde factor
Iets wat twee variabelen allebei beïnvloedt en daarmee hun samenhang verklaart, zonder dat de een de ander veroorzaakt.
-
index
Een getal dat een waarde vergelijkt met een gekozen startjaar, dat op 100 wordt gezet. Een index van 112 betekent 12 procent meer dan in het startjaar.
-
onafhankelijke gebeurtenissen
Gebeurtenissen die elkaars kans niet beïnvloeden. Alleen dan mag je de kansen vermenigvuldigen.
-
significante cijfers
De cijfers in een uitkomst die echt iets zeggen. Rond pas aan het eind af, en neem de nauwkeurigheid van je gegevens over.