Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
40 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
significant
Zo onwaarschijnlijk onder de nulhypothese dat je die verwerpt. De grens kies je vooraf, meestal 5 procent, en dat is een afspraak en geen natuurwet.
-
vermenigvuldigregel
Als je eerst het ene kiest en daarna het andere, vermenigvuldig je het aantal mogelijkheden. Bij het ene of het andere tel je op.
-
vergelijking oplossen
De waarde van de onbekende zoeken waarvoor links en rechts gelijk zijn. Dat kan algebraïsch, met een grafiek of met je rekenmachine.
-
verdubbelingstijd
De tijd waarin iets twee keer zo groot wordt. Bij exponentiële groei is die altijd even lang, waar je ook begint.
-
rekenkundige rij
Een rij waarbij er elke stap hetzelfde bij komt. De directe formule is lineair in het nummer van de term.
-
overschrijdingskans
De kans om onder de nulhypothese een uitkomst te krijgen die minstens zo extreem is als die van jou. Is die kleiner dan je grens, dan verwerp je de nulhypothese.
-
eenheid
Waarin een getal wordt uitgedrukt. Een antwoord zonder eenheid is zelden een volledig antwoord, en het omrekenen van eenheden is een klassieke valkuil.
-
toevalsvariabele
Een grootheid waarvan de waarde van toeval afhangt, zoals het aantal keer kop bij tien worpen. Je beschrijft hem met een kansverdeling.
-
aselect
Zo getrokken dat iedereen uit de populatie evenveel kans had om erin te komen. Dat is de enige manier om systematische vertekening te voorkomen.
-
macht
Een getal een aantal keer met zichzelf vermenigvuldigen. Let op het verschil tussen 2 tot de macht 3 en 2 maal 3; dat is 8 tegenover 6.
-
procentpunt
Het verschil tussen twee percentages. Van 4 procent naar 6 procent is 2 procentpunt erbij, maar wel een stijging van 50 procent.
-
domein
De waarden van x die je in mag vullen. In een praktijkvraag ligt dat vaak vast door de situatie: een tijd kan niet negatief zijn.
-
toenemende stijging
De grafiek gaat omhoog en wordt daarbij steeds steiler. Bij afnemende stijging gaat hij nog steeds omhoog, maar steeds minder hard.
-
kwartielafstand
Het verschil tussen het derde en het eerste kwartiel: de breedte van de doos in een boxplot. Hierin zit de middelste helft van de gegevens.
-
representatief
Of de steekproef dezelfde samenstelling heeft als de populatie. Een enquête onder alleen jongeren zegt niets over alle inwoners.
-
cumulatieve frequentie
De aantallen bij elkaar opgeteld tot en met die klasse. Hiermee beantwoord je vragen als: hoeveel zitten er onder de 40?
-
staafdiagram
Een diagram voor losse categorieën, met ruimte tussen de staven. Begin de as bij nul, anders overdrijft het verschil.
-
kwartiel
Een van de drie waarden die de gegevens in vier even grote delen verdelen. Het tweede kwartiel is de mediaan.
-
helling
Hoe snel de grafiek verandert. Over een stuk bereken je hem als het verschil in y gedeeld door het verschil in x.
-
nulhypothese
De aanname dat er niets aan de hand is, bijvoorbeeld dat een munt zuiver is. Je verwerpt hem pas als je uitkomst onder die aanname heel onwaarschijnlijk is.
-
schatten
Een snelle berekening met ronde getallen om te zien of je uitkomst kan kloppen. Doe dit voordat je de rekenmachine gelooft.
-
spreidingsdiagram
Een diagram waarin elk punt een meting met twee waarden is. Je leest er richting, sterkte en vorm van het verband uit af.
-
exponentieel verband
Een verband waarbij er per stap steeds met hetzelfde getal wordt vermenigvuldigd. De grafiek loopt eerst vlak en daarna heel steil.
-
relatieve frequentie
Hoe vaak iets voorkomt gedeeld door het totaal, vaak als percentage. Hiermee vergelijk je groepen van verschillende grootte eerlijk.
-
snijpunt
Het punt waar twee grafieken elkaar kruisen. De x-waarde daarvan is de oplossing van de vergelijking waarin de twee formules gelijk zijn.
-
permutatie
Een volgorde waarin je dingen kunt zetten, waarbij de volgorde ertoe doet. Vier mensen op vier stoelen kan op 4 maal 3 maal 2 maal 1 manieren.
-
asymptoot
Een lijn waar een grafiek steeds dichter naartoe kruipt zonder hem te raken. Hij zegt wat er op lange termijn gebeurt.
-
boxplot
Een diagram met vier gebieden die elk een kwart van de gegevens bevatten. Een breed deel betekent veel spreiding, niet veel waarnemingen.
-
steekproefgrootte
Het aantal waarnemingen in je steekproef. Een grotere steekproef maakt je schatting preciezer, maar repareert een scheve trekking niet.
-
grafiek
Een tekening van een verband, met op elke as een grootheid. Lees eerst de assen, want daar zit de meeste informatie en de meeste misleiding.
-
formule
Een afspraak die zegt hoe je uit de ene grootheid de andere berekent. Bij een woordformule schrijf je de namen voluit, en dat helpt tegen fouten.
-
afgeleide
De functie die bij elk punt de helling van de oorspronkelijke grafiek geeft. Waar de afgeleide nul is, ligt een top of een dal.
-
maximum
Het hoogste punt van een grafiek. Daar draait stijgen om in dalen, dus de helling is er nul.
-
modus
De waarde die het vaakst voorkomt. Handig bij gegevens die je niet kunt optellen, zoals kleur of merk.
-
probleemstelling
De vraag die je onderzoek moet beantwoorden, scherp genoeg om te meten. Hij bepaalt welke variabelen je kiest en welke groep je onderzoekt.
-
combinatie
Een keuze waarbij de volgorde juist niet uitmaakt, zoals drie mensen kiezen uit tien. Daarom vallen de permutaties van die drie tegen elkaar weg.
-
stijgen en dalen
Of de grafiek omhooggaat of omlaag als je van links naar rechts leest. Dat zegt iets anders dan of de waarde hoog of laag is.
-
ongelijkheid
Een vergelijking met kleiner dan of groter dan. De oplossing is geen getal maar een gebied, en bij delen door een negatief getal draait het teken om.
-
wortel
Het omgekeerde van machtsverheffen. De twaalfdemachtswortel gebruik je om een jaarlijkse groeifactor om te rekenen naar een maandelijkse.
-
derde factor
Iets wat twee variabelen allebei beïnvloedt en daarmee hun samenhang verklaart, zonder dat de een de ander veroorzaakt.