Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

40 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. significant

    Zo onwaarschijnlijk onder de nulhypothese dat je die verwerpt. De grens kies je vooraf, meestal 5 procent, en dat is een afspraak en geen natuurwet.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  2. vermenigvuldigregel

    Als je eerst het ene kiest en daarna het andere, vermenigvuldig je het aantal mogelijkheden. Bij het ene of het andere tel je op.

    Naar de les over Tellen zonder te tellen

  3. vergelijking oplossen

    De waarde van de onbekende zoeken waarvoor links en rechts gelijk zijn. Dat kan algebraïsch, met een grafiek of met je rekenmachine.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  4. verdubbelingstijd

    De tijd waarin iets twee keer zo groot wordt. Bij exponentiële groei is die altijd even lang, waar je ook begint.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  5. rekenkundige rij

    Een rij waarbij er elke stap hetzelfde bij komt. De directe formule is lineair in het nummer van de term.

    Naar de les over Rijen herkennen en doorrekenen

  6. overschrijdingskans

    De kans om onder de nulhypothese een uitkomst te krijgen die minstens zo extreem is als die van jou. Is die kleiner dan je grens, dan verwerp je de nulhypothese.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  7. eenheid

    Waarin een getal wordt uitgedrukt. Een antwoord zonder eenheid is zelden een volledig antwoord, en het omrekenen van eenheden is een klassieke valkuil.

    Naar de les over Van verhaal naar model

  8. toevalsvariabele

    Een grootheid waarvan de waarde van toeval afhangt, zoals het aantal keer kop bij tien worpen. Je beschrijft hem met een kansverdeling.

    Naar de les over Kansen uitrekenen

  9. aselect

    Zo getrokken dat iedereen uit de populatie evenveel kans had om erin te komen. Dat is de enige manier om systematische vertekening te voorkomen.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  10. macht

    Een getal een aantal keer met zichzelf vermenigvuldigen. Let op het verschil tussen 2 tot de macht 3 en 2 maal 3; dat is 8 tegenover 6.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  11. procentpunt

    Het verschil tussen twee percentages. Van 4 procent naar 6 procent is 2 procentpunt erbij, maar wel een stijging van 50 procent.

    Naar de les over Rekenen met letters

  12. domein

    De waarden van x die je in mag vullen. In een praktijkvraag ligt dat vaak vast door de situatie: een tijd kan niet negatief zijn.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  13. toenemende stijging

    De grafiek gaat omhoog en wordt daarbij steeds steiler. Bij afnemende stijging gaat hij nog steeds omhoog, maar steeds minder hard.

    Naar de les over Helling en toename

  14. kwartielafstand

    Het verschil tussen het derde en het eerste kwartiel: de breedte van de doos in een boxplot. Hierin zit de middelste helft van de gegevens.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  15. representatief

    Of de steekproef dezelfde samenstelling heeft als de populatie. Een enquête onder alleen jongeren zegt niets over alle inwoners.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  16. cumulatieve frequentie

    De aantallen bij elkaar opgeteld tot en met die klasse. Hiermee beantwoord je vragen als: hoeveel zitten er onder de 40?

    Naar de les over Data in beeld brengen

  17. staafdiagram

    Een diagram voor losse categorieën, met ruimte tussen de staven. Begin de as bij nul, anders overdrijft het verschil.

    Naar de les over Data in beeld brengen

  18. kwartiel

    Een van de drie waarden die de gegevens in vier even grote delen verdelen. Het tweede kwartiel is de mediaan.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  19. helling

    Hoe snel de grafiek verandert. Over een stuk bereken je hem als het verschil in y gedeeld door het verschil in x.

    Naar de les over Helling en toename

  20. nulhypothese

    De aanname dat er niets aan de hand is, bijvoorbeeld dat een munt zuiver is. Je verwerpt hem pas als je uitkomst onder die aanname heel onwaarschijnlijk is.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  21. schatten

    Een snelle berekening met ronde getallen om te zien of je uitkomst kan kloppen. Doe dit voordat je de rekenmachine gelooft.

    Naar de les over Wiskunde in het nieuws

  22. spreidingsdiagram

    Een diagram waarin elk punt een meting met twee waarden is. Je leest er richting, sterkte en vorm van het verband uit af.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  23. exponentieel verband

    Een verband waarbij er per stap steeds met hetzelfde getal wordt vermenigvuldigd. De grafiek loopt eerst vlak en daarna heel steil.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  24. relatieve frequentie

    Hoe vaak iets voorkomt gedeeld door het totaal, vaak als percentage. Hiermee vergelijk je groepen van verschillende grootte eerlijk.

    Naar de les over Data in beeld brengen

  25. snijpunt

    Het punt waar twee grafieken elkaar kruisen. De x-waarde daarvan is de oplossing van de vergelijking waarin de twee formules gelijk zijn.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  26. permutatie

    Een volgorde waarin je dingen kunt zetten, waarbij de volgorde ertoe doet. Vier mensen op vier stoelen kan op 4 maal 3 maal 2 maal 1 manieren.

    Naar de les over Tellen zonder te tellen

  27. asymptoot

    Een lijn waar een grafiek steeds dichter naartoe kruipt zonder hem te raken. Hij zegt wat er op lange termijn gebeurt.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  28. boxplot

    Een diagram met vier gebieden die elk een kwart van de gegevens bevatten. Een breed deel betekent veel spreiding, niet veel waarnemingen.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  29. steekproefgrootte

    Het aantal waarnemingen in je steekproef. Een grotere steekproef maakt je schatting preciezer, maar repareert een scheve trekking niet.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

  30. grafiek

    Een tekening van een verband, met op elke as een grootheid. Lees eerst de assen, want daar zit de meeste informatie en de meeste misleiding.

    Naar de les over Data in beeld brengen

  31. formule

    Een afspraak die zegt hoe je uit de ene grootheid de andere berekent. Bij een woordformule schrijf je de namen voluit, en dat helpt tegen fouten.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  32. afgeleide

    De functie die bij elk punt de helling van de oorspronkelijke grafiek geeft. Waar de afgeleide nul is, ligt een top of een dal.

    Naar de les over Differentiëren

  33. maximum

    Het hoogste punt van een grafiek. Daar draait stijgen om in dalen, dus de helling is er nul.

    Naar de les over Helling en toename

  34. modus

    De waarde die het vaakst voorkomt. Handig bij gegevens die je niet kunt optellen, zoals kleur of merk.

    Naar de les over Maten kiezen bij je data

  35. probleemstelling

    De vraag die je onderzoek moet beantwoorden, scherp genoeg om te meten. Hij bepaalt welke variabelen je kiest en welke groep je onderzoekt.

    Naar de les over Een onderzoek opzetten

  36. combinatie

    Een keuze waarbij de volgorde juist niet uitmaakt, zoals drie mensen kiezen uit tien. Daarom vallen de permutaties van die drie tegen elkaar weg.

    Naar de les over Tellen zonder te tellen

  37. stijgen en dalen

    Of de grafiek omhooggaat of omlaag als je van links naar rechts leest. Dat zegt iets anders dan of de waarde hoog of laag is.

    Naar de les over Helling en toename

  38. ongelijkheid

    Een vergelijking met kleiner dan of groter dan. De oplossing is geen getal maar een gebied, en bij delen door een negatief getal draait het teken om.

    Naar de les over Vergelijkingen met en zonder ICT

  39. wortel

    Het omgekeerde van machtsverheffen. De twaalfdemachtswortel gebruik je om een jaarlijkse groeifactor om te rekenen naar een maandelijkse.

    Naar de les over De standaardfuncties herkennen

  40. derde factor

    Iets wat twee variabelen allebei beïnvloedt en daarmee hun samenhang verklaart, zonder dat de een de ander veroorzaakt.

    Naar de les over Van steekproef naar uitspraak

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 85 begrippen.

4 onderwerpen
5 onderwerpen
2 onderwerpen
3 onderwerpen
3 onderwerpen
Begin opnieuw