Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

66 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. boxplot

    Een diagram met vier gebieden die elk een kwart van de gegevens bevatten. Een breed deel betekent veel spreiding, niet veel waarnemingen.

    Naar de les over Een boxplot lezen

  2. procentpunt

    Het verschil tussen twee percentages. Van 4 procent naar 6 procent is 2 procentpunt erbij, maar wel een stijging van 50 procent.

    Naar de les over Procenten en de groeifactor

  3. schatten

    Een snelle berekening met ronde getallen om te zien of je uitkomst kan kloppen. Doe dit voordat je de rekenmachine gelooft.

    Naar de les over Wiskunde in het nieuws

  4. ongelijkheid

    Een vergelijking met kleiner dan of groter dan. De oplossing is geen getal maar een gebied, en bij delen door een negatief getal draait het teken om.

    Naar de les over Een vergelijking oplossen met een grafiek

  5. grafiek

    Een tekening van een verband, met op elke as een grootheid. Lees eerst de assen, want daar zit de meeste informatie en de meeste misleiding.

    Naar de les over Een grafiek die je op het verkeerde been zet

  6. startwaarde

    De waarde van y als x nul is, dus waar de grafiek de verticale as snijdt. In de formule is het het losse getal.

    Naar de les over Een lineair verband herkennen

  7. halveringstijd

    De tijd waarin er nog de helft over is. Hetzelfde idee als verdubbelingstijd, maar dan bij afname.

    Naar de les over Verdubbelingstijd en halveringstijd

  8. wiskundig model

    Een formule of grafiek die een stuk werkelijkheid beschrijft. Het geldt binnen bepaalde grenzen; benoem die grenzen in je antwoord.

    Naar de les over Van verhaal naar som en terug

  9. correlatie

    Samenhang tussen twee variabelen: ze lopen samen op of juist tegen elkaar in. Correlatie zegt niets over oorzaak.

    Naar de les over Verband is geen oorzaak

  10. exponentieel verband

    Een verband waarbij er per stap steeds met hetzelfde getal wordt vermenigvuldigd. De grafiek loopt eerst vlak en daarna heel steil.

    Naar de les over Exponentiële groei

  11. causaal verband

    Het ene veroorzaakt echt het andere. Om dat te mogen zeggen heb je meer nodig dan een puntenwolk: een verklaring en bij voorkeur een proef.

    Naar de les over Verband is geen oorzaak

  12. standaardafwijking

    Een maat voor de gemiddelde afstand tot het gemiddelde. Hoe groter, hoe meer de waarden uiteenlopen.

    Naar de les over Statistiek met je rekenmachine

  13. kwantitatieve variabele

    Een variabele met getallen als waarde. Discreet als je kunt tellen, zoals aantal kinderen, en continu als elke tussenwaarde kan, zoals lengte.

    Naar de les over Welk diagram kies je?

  14. mediaan

    Het middelste getal als je alles op volgorde zet. Ongevoelig voor uitschieters, en daarom bij inkomens vaak eerlijker dan het gemiddelde.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en spreiding

  15. wortel

    Het omgekeerde van machtsverheffen. De twaalfdemachtswortel gebruik je om een jaarlijkse groeifactor om te rekenen naar een maandelijkse.

    Naar de les over Verdubbelingstijd en halveringstijd

  16. betrouwbaarheidsinterval

    Het gebied waarbinnen de echte waarde van de populatie waarschijnlijk ligt. Een grotere steekproef maakt dat gebied smaller.

    Naar de les over Steekproef en betrouwbaarheid

  17. verdubbelingstijd

    De tijd waarin iets twee keer zo groot wordt. Bij exponentiële groei is die altijd even lang, waar je ook begint.

    Naar de les over Verdubbelingstijd en halveringstijd

  18. kwalitatieve variabele

    Een variabele met categorieën als waarde, zoals merk of kleur. Daar kun je tellen en percentages van maken, maar geen gemiddelde.

    Naar de les over Welk diagram kies je?

  19. groeifactor

    Het getal waarmee je vermenigvuldigt om van de oude naar de nieuwe waarde te gaan. Plus 20 procent is keer 1,2 en min 20 procent is keer 0,8.

    Naar de les over Procenten en de groeifactor

  20. permutatie

    Een volgorde waarin je dingen kunt zetten, waarbij de volgorde ertoe doet. Vier mensen op vier stoelen kan op 4 maal 3 maal 2 maal 1 manieren.

    Naar de les over Telproblemen aanpakken

  21. extrapoleren

    Een lijn doortrekken buiten het gebied waarin je gemeten hebt. Dat is altijd een aanname, want je weet niet of het verband daar nog geldt.

    Naar de les over Verband is geen oorzaak

  22. index

    Een getal dat een waarde vergelijkt met een gekozen startjaar, dat op 100 wordt gezet. Een index van 112 betekent 12 procent meer dan in het startjaar.

    Naar de les over Procenten en de groeifactor

  23. macht

    Een getal een aantal keer met zichzelf vermenigvuldigen. Let op het verschil tussen 2 tot de macht 3 en 2 maal 3; dat is 8 tegenover 6.

    Naar de les over Exponentiële groei

  24. combinatie

    Een keuze waarbij de volgorde juist niet uitmaakt, zoals drie mensen kiezen uit tien. Daarom vallen de permutaties van die drie tegen elkaar weg.

    Naar de les over Telproblemen aanpakken

  25. kwartiel

    Een van de drie waarden die de gegevens in vier even grote delen verdelen. Het tweede kwartiel is de mediaan.

    Naar de les over Een boxplot lezen

  26. probleemstelling

    De vraag die je onderzoek moet beantwoorden, scherp genoeg om te meten. Hij bepaalt welke variabelen je kiest en welke groep je onderzoekt.

    Naar de les over Welk diagram kies je?

  27. formule

    Een afspraak die zegt hoe je uit de ene grootheid de andere berekent. Bij een woordformule schrijf je de namen voluit, en dat helpt tegen fouten.

    Naar de les over Formules met meerdere letters

  28. relatieve frequentie

    Hoe vaak iets voorkomt gedeeld door het totaal, vaak als percentage. Hiermee vergelijk je groepen van verschillende grootte eerlijk.

    Naar de les over Een tabel maken en lezen

  29. domein

    De waarden van x die je in mag vullen. In een praktijkvraag ligt dat vaak vast door de situatie: een tijd kan niet negatief zijn.

    Naar de les over Formules met meerdere letters

  30. derde factor

    Iets wat twee variabelen allebei beïnvloedt en daarmee hun samenhang verklaart, zonder dat de een de ander veroorzaakt.

    Naar de les over Verband is geen oorzaak

  31. modus

    De waarde die het vaakst voorkomt. Handig bij gegevens die je niet kunt optellen, zoals kleur of merk.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en spreiding

  32. aselect

    Zo getrokken dat iedereen uit de populatie evenveel kans had om erin te komen. Dat is de enige manier om systematische vertekening te voorkomen.

    Naar de les over Steekproef en betrouwbaarheid

  33. interpoleren

    Een waarde schatten tussen twee metingen in. Dat is veel veiliger dan extrapoleren, want je blijft binnen je gegevens.

    Naar de les over Verband is geen oorzaak

  34. hellingsgetal

    Het getal voor de x in een lineaire formule: hoeveel y verandert als x met 1 toeneemt. Het is de steilheid van de lijn.

    Naar de les over Een lineair verband herkennen

  35. cumulatieve frequentie

    De aantallen bij elkaar opgeteld tot en met die klasse. Hiermee beantwoord je vragen als: hoeveel zitten er onder de 40?

    Naar de les over Een tabel maken en lezen

  36. representatief

    Of de steekproef dezelfde samenstelling heeft als de populatie. Een enquête onder alleen jongeren zegt niets over alle inwoners.

    Naar de les over Steekproef en betrouwbaarheid

  37. snijpunt

    Het punt waar twee grafieken elkaar kruisen. De x-waarde daarvan is de oplossing van de vergelijking waarin de twee formules gelijk zijn.

    Naar de les over Een vergelijking oplossen met een grafiek

  38. toelichten

    Opschrijven hoe je aan je antwoord komt. Een kaal getal kan alleen goed of fout zijn; met je stappen erbij kun je ook deelpunten krijgen.

    Naar de les over Opschrijven telt mee

  39. stijgen en dalen

    Of de grafiek omhooggaat of omlaag als je van links naar rechts leest. Dat zegt iets anders dan of de waarde hoog of laag is.

    Naar de les over Stijgen, dalen en hellingen

  40. variabele

    Een letter die staat voor een grootheid die kan veranderen. Benoem bij elke formule eerst wat elke letter betekent en in welke eenheid.

    Naar de les over Formules met meerdere letters

  41. populatie

    De hele groep waar je iets over wilt zeggen. De steekproef is het deel dat je echt onderzoekt.

    Naar de les over Steekproef en betrouwbaarheid

  42. steekproef

    Een deel van de populatie dat je onderzoekt. Hoe je hem trekt bepaalt of je conclusie klopt; een grote scheve steekproef blijft scheef.

    Naar de les over Steekproef en betrouwbaarheid

  43. logaritme

    De vraag: tot welke macht moet ik dit grondtal verheffen om dat getal te krijgen? Je gebruikt hem om de exponent naar beneden te halen bij exponentiële groei.

    Naar de les over Verdubbelingstijd en halveringstijd

  44. wegendiagram

    Een boompje waarin je elke keuze als een aftakking tekent. Het helpt je zien of je moet vermenigvuldigen of optellen.

    Naar de les over Telproblemen aanpakken

  45. kwartielafstand

    Het verschil tussen het derde en het eerste kwartiel: de breedte van de doos in een boxplot. Hierin zit de middelste helft van de gegevens.

    Naar de les over Een boxplot lezen

  46. afronden

    Een getal korter maken op de gevraagde nauwkeurigheid. Let op wat er gevraagd wordt: op gehelen, op één decimaal, of naar boven omdat het om hele bussen gaat.

    Naar de les over Opschrijven telt mee

  47. spreiding

    Hoe ver de waarden uit elkaar liggen. Twee groepen met hetzelfde gemiddelde kunnen heel verschillend zijn, en dat zie je pas aan de spreiding.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en spreiding

  48. procentuele verandering

    Hoeveel iets veranderd is ten opzichte van de oude waarde, in procenten. Je rekent: verschil gedeeld door oud, maal honderd.

    Naar de les over Procenten en de groeifactor

  49. staafdiagram

    Een diagram voor losse categorieën, met ruimte tussen de staven. Begin de as bij nul, anders overdrijft het verschil.

    Naar de les over Een grafiek die je op het verkeerde been zet

  50. gemiddelde

    Alles bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal. Gevoelig voor uitschieters: één extreem getal trekt het gemiddelde mee.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en spreiding

  51. spreidingsdiagram

    Een diagram waarin elk punt een meting met twee waarden is. Je leest er richting, sterkte en vorm van het verband uit af.

    Naar de les over Verband is geen oorzaak

  52. uitschieter

    Een waarneming die ver van de rest ligt. Noem hem apart: hij kan een fout zijn, maar ook het interessantste geval.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en spreiding

  53. differentiequotiënt

    De gemiddelde verandering over een interval: hoeveel y verandert gedeeld door hoeveel x verandert. Het is de helling van de lijn tussen twee punten op de grafiek.

    Naar de les over Stijgen, dalen en hellingen

  54. vergelijking oplossen

    De waarde van de onbekende zoeken waarvoor links en rechts gelijk zijn. Dat kan algebraïsch, met een grafiek of met je rekenmachine.

    Naar de les over Een vergelijking oplossen met een grafiek

  55. maximum

    Het hoogste punt van een grafiek. Daar draait stijgen om in dalen, dus de helling is er nul.

    Naar de les over Stijgen, dalen en hellingen

  56. lineair verband

    Een verband waarbij er per stap steeds hetzelfde bij komt. De grafiek is een rechte lijn en de formule is van de vorm y is a maal x plus b.

    Naar de les over Een lineair verband herkennen

  57. eenheid

    Waarin een getal wordt uitgedrukt. Een antwoord zonder eenheid is zelden een volledig antwoord, en het omrekenen van eenheden is een klassieke valkuil.

    Naar de les over Van verhaal naar som en terug

  58. significante cijfers

    De cijfers in een uitkomst die echt iets zeggen. Rond pas aan het eind af, en neem de nauwkeurigheid van je gegevens over.

    Naar de les over Opschrijven telt mee

  59. substitueren

    Een waarde of een hele uitdrukking invullen op de plek van een letter. Zet er haakjes omheen, anders gaat de volgorde van bewerkingen mis.

    Naar de les over Formules met meerdere letters

  60. histogram

    Een staafdiagram voor gegevens die je in klassen hebt ingedeeld. De staven raken elkaar, want de schaal loopt door.

    Naar de les over Welk diagram kies je?

  61. herleiden

    Een formule omschrijven tot hij eenvoudiger is of tot een andere letter alleen staat. Wat het laatst om de letter heen zit, haal je er als eerste af.

    Naar de les over Een formule herleiden

  62. helling

    Hoe snel de grafiek verandert. Over een stuk bereken je hem als het verschil in y gedeeld door het verschil in x.

    Naar de les over Stijgen, dalen en hellingen

  63. absolute verandering

    Het verschil in de eenheid zelf, dus gewoon nieuw min oud. Een relatieve verandering zet dat verschil af tegen de oude waarde.

    Naar de les over Procenten en de groeifactor

  64. vermenigvuldigregel

    Als je eerst het ene kiest en daarna het andere, vermenigvuldig je het aantal mogelijkheden. Bij het ene of het andere tel je op.

    Naar de les over Telproblemen aanpakken

  65. normale verdeling

    Een klokvormige verdeling waarbij de meeste waarden rond het gemiddelde liggen en de uitersten zeldzaam zijn. Gemiddelde, mediaan en modus vallen samen.

    Naar de les over Statistiek met je rekenmachine

  66. toenemende stijging

    De grafiek gaat omhoog en wordt daarbij steeds steiler. Bij afnemende stijging gaat hij nog steeds omhoog, maar steeds minder hard.

    Naar de les over Stijgen, dalen en hellingen

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 66 begrippen.

7 onderwerpen
8 onderwerpen
3 onderwerpen
1 onderwerp
1 onderwerp
Begin opnieuw