Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
20 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
logaritme
De vraag: tot welke macht moet ik dit grondtal verheffen om dat getal te krijgen? Je gebruikt hem om de exponent naar beneden te halen bij exponentiële groei.
-
steekproef
Een deel van de populatie dat je onderzoekt. Hoe je hem trekt bepaalt of je conclusie klopt; een grote scheve steekproef blijft scheef.
-
spreiding
Hoe ver de waarden uit elkaar liggen. Twee groepen met hetzelfde gemiddelde kunnen heel verschillend zijn, en dat zie je pas aan de spreiding.
-
procentuele verandering
Hoeveel iets veranderd is ten opzichte van de oude waarde, in procenten. Je rekent: verschil gedeeld door oud, maal honderd.
-
procentpunt
Het verschil tussen twee percentages. Van 4 procent naar 6 procent is 2 procentpunt erbij, maar wel een stijging van 50 procent.
-
toelichten
Opschrijven hoe je aan je antwoord komt. Een kaal getal kan alleen goed of fout zijn; met je stappen erbij kun je ook deelpunten krijgen.
-
representatief
Of de steekproef dezelfde samenstelling heeft als de populatie. Een enquête onder alleen jongeren zegt niets over alle inwoners.
-
betrouwbaarheidsinterval
Het gebied waarbinnen de echte waarde van de populatie waarschijnlijk ligt. Een grotere steekproef maakt dat gebied smaller.
-
modus
De waarde die het vaakst voorkomt. Handig bij gegevens die je niet kunt optellen, zoals kleur of merk.
-
hellingsgetal
Het getal voor de x in een lineaire formule: hoeveel y verandert als x met 1 toeneemt. Het is de steilheid van de lijn.
-
correlatie
Samenhang tussen twee variabelen: ze lopen samen op of juist tegen elkaar in. Correlatie zegt niets over oorzaak.
-
permutatie
Een volgorde waarin je dingen kunt zetten, waarbij de volgorde ertoe doet. Vier mensen op vier stoelen kan op 4 maal 3 maal 2 maal 1 manieren.
-
verdubbelingstijd
De tijd waarin iets twee keer zo groot wordt. Bij exponentiële groei is die altijd even lang, waar je ook begint.
-
boxplot
Een diagram met vier gebieden die elk een kwart van de gegevens bevatten. Een breed deel betekent veel spreiding, niet veel waarnemingen.
-
mediaan
Het middelste getal als je alles op volgorde zet. Ongevoelig voor uitschieters, en daarom bij inkomens vaak eerlijker dan het gemiddelde.
-
halveringstijd
De tijd waarin er nog de helft over is. Hetzelfde idee als verdubbelingstijd, maar dan bij afname.
-
histogram
Een staafdiagram voor gegevens die je in klassen hebt ingedeeld. De staven raken elkaar, want de schaal loopt door.
-
kwantitatieve variabele
Een variabele met getallen als waarde. Discreet als je kunt tellen, zoals aantal kinderen, en continu als elke tussenwaarde kan, zoals lengte.
-
differentiequotiënt
De gemiddelde verandering over een interval: hoeveel y verandert gedeeld door hoeveel x verandert. Het is de helling van de lijn tussen twee punten op de grafiek.
-
extrapoleren
Een lijn doortrekken buiten het gebied waarin je gemeten hebt. Dat is altijd een aanname, want je weet niet of het verband daar nog geldt.