Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

20 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. startwaarde

    De waarde van y als x nul is, dus waar de grafiek de verticale as snijdt. In de formule is het het losse getal.

    Naar de les over Een lineair verband herkennen

  2. probleemstelling

    De vraag die je onderzoek moet beantwoorden, scherp genoeg om te meten. Hij bepaalt welke variabelen je kiest en welke groep je onderzoekt.

    Naar de les over Welk diagram kies je?

  3. normale verdeling

    Een klokvormige verdeling waarbij de meeste waarden rond het gemiddelde liggen en de uitersten zeldzaam zijn. Gemiddelde, mediaan en modus vallen samen.

    Naar de les over Statistiek met je rekenmachine

  4. formule

    Een afspraak die zegt hoe je uit de ene grootheid de andere berekent. Bij een woordformule schrijf je de namen voluit, en dat helpt tegen fouten.

    Naar de les over Formules met meerdere letters

  5. extrapoleren

    Een lijn doortrekken buiten het gebied waarin je gemeten hebt. Dat is altijd een aanname, want je weet niet of het verband daar nog geldt.

    Naar de les over Verband is geen oorzaak

  6. logaritme

    De vraag: tot welke macht moet ik dit grondtal verheffen om dat getal te krijgen? Je gebruikt hem om de exponent naar beneden te halen bij exponentiële groei.

    Naar de les over Verdubbelingstijd en halveringstijd

  7. uitschieter

    Een waarneming die ver van de rest ligt. Noem hem apart: hij kan een fout zijn, maar ook het interessantste geval.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en spreiding

  8. representatief

    Of de steekproef dezelfde samenstelling heeft als de populatie. Een enquête onder alleen jongeren zegt niets over alle inwoners.

    Naar de les over Steekproef en betrouwbaarheid

  9. spreiding

    Hoe ver de waarden uit elkaar liggen. Twee groepen met hetzelfde gemiddelde kunnen heel verschillend zijn, en dat zie je pas aan de spreiding.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en spreiding

  10. ongelijkheid

    Een vergelijking met kleiner dan of groter dan. De oplossing is geen getal maar een gebied, en bij delen door een negatief getal draait het teken om.

    Naar de les over Een vergelijking oplossen met een grafiek

  11. kwartiel

    Een van de drie waarden die de gegevens in vier even grote delen verdelen. Het tweede kwartiel is de mediaan.

    Naar de les over Een boxplot lezen

  12. kwartielafstand

    Het verschil tussen het derde en het eerste kwartiel: de breedte van de doos in een boxplot. Hierin zit de middelste helft van de gegevens.

    Naar de les over Een boxplot lezen

  13. groeifactor

    Het getal waarmee je vermenigvuldigt om van de oude naar de nieuwe waarde te gaan. Plus 20 procent is keer 1,2 en min 20 procent is keer 0,8.

    Naar de les over Procenten en de groeifactor

  14. vermenigvuldigregel

    Als je eerst het ene kiest en daarna het andere, vermenigvuldig je het aantal mogelijkheden. Bij het ene of het andere tel je op.

    Naar de les over Telproblemen aanpakken

  15. populatie

    De hele groep waar je iets over wilt zeggen. De steekproef is het deel dat je echt onderzoekt.

    Naar de les over Steekproef en betrouwbaarheid

  16. relatieve frequentie

    Hoe vaak iets voorkomt gedeeld door het totaal, vaak als percentage. Hiermee vergelijk je groepen van verschillende grootte eerlijk.

    Naar de les over Een tabel maken en lezen

  17. hellingsgetal

    Het getal voor de x in een lineaire formule: hoeveel y verandert als x met 1 toeneemt. Het is de steilheid van de lijn.

    Naar de les over Een lineair verband herkennen

  18. index

    Een getal dat een waarde vergelijkt met een gekozen startjaar, dat op 100 wordt gezet. Een index van 112 betekent 12 procent meer dan in het startjaar.

    Naar de les over Procenten en de groeifactor

  19. procentpunt

    Het verschil tussen twee percentages. Van 4 procent naar 6 procent is 2 procentpunt erbij, maar wel een stijging van 50 procent.

    Naar de les over Procenten en de groeifactor

  20. modus

    De waarde die het vaakst voorkomt. Handig bij gegevens die je niet kunt optellen, zoals kleur of merk.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en spreiding

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 66 begrippen.

7 onderwerpen
8 onderwerpen
3 onderwerpen
1 onderwerp
1 onderwerp
Begin opnieuw