Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
20 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
startwaarde
De waarde van y als x nul is, dus waar de grafiek de verticale as snijdt. In de formule is het het losse getal.
-
probleemstelling
De vraag die je onderzoek moet beantwoorden, scherp genoeg om te meten. Hij bepaalt welke variabelen je kiest en welke groep je onderzoekt.
-
normale verdeling
Een klokvormige verdeling waarbij de meeste waarden rond het gemiddelde liggen en de uitersten zeldzaam zijn. Gemiddelde, mediaan en modus vallen samen.
-
formule
Een afspraak die zegt hoe je uit de ene grootheid de andere berekent. Bij een woordformule schrijf je de namen voluit, en dat helpt tegen fouten.
-
extrapoleren
Een lijn doortrekken buiten het gebied waarin je gemeten hebt. Dat is altijd een aanname, want je weet niet of het verband daar nog geldt.
-
logaritme
De vraag: tot welke macht moet ik dit grondtal verheffen om dat getal te krijgen? Je gebruikt hem om de exponent naar beneden te halen bij exponentiële groei.
-
uitschieter
Een waarneming die ver van de rest ligt. Noem hem apart: hij kan een fout zijn, maar ook het interessantste geval.
-
representatief
Of de steekproef dezelfde samenstelling heeft als de populatie. Een enquête onder alleen jongeren zegt niets over alle inwoners.
-
spreiding
Hoe ver de waarden uit elkaar liggen. Twee groepen met hetzelfde gemiddelde kunnen heel verschillend zijn, en dat zie je pas aan de spreiding.
-
ongelijkheid
Een vergelijking met kleiner dan of groter dan. De oplossing is geen getal maar een gebied, en bij delen door een negatief getal draait het teken om.
-
kwartiel
Een van de drie waarden die de gegevens in vier even grote delen verdelen. Het tweede kwartiel is de mediaan.
-
kwartielafstand
Het verschil tussen het derde en het eerste kwartiel: de breedte van de doos in een boxplot. Hierin zit de middelste helft van de gegevens.
-
groeifactor
Het getal waarmee je vermenigvuldigt om van de oude naar de nieuwe waarde te gaan. Plus 20 procent is keer 1,2 en min 20 procent is keer 0,8.
-
vermenigvuldigregel
Als je eerst het ene kiest en daarna het andere, vermenigvuldig je het aantal mogelijkheden. Bij het ene of het andere tel je op.
-
populatie
De hele groep waar je iets over wilt zeggen. De steekproef is het deel dat je echt onderzoekt.
-
relatieve frequentie
Hoe vaak iets voorkomt gedeeld door het totaal, vaak als percentage. Hiermee vergelijk je groepen van verschillende grootte eerlijk.
-
hellingsgetal
Het getal voor de x in een lineaire formule: hoeveel y verandert als x met 1 toeneemt. Het is de steilheid van de lijn.
-
index
Een getal dat een waarde vergelijkt met een gekozen startjaar, dat op 100 wordt gezet. Een index van 112 betekent 12 procent meer dan in het startjaar.
-
procentpunt
Het verschil tussen twee percentages. Van 4 procent naar 6 procent is 2 procentpunt erbij, maar wel een stijging van 50 procent.
-
modus
De waarde die het vaakst voorkomt. Handig bij gegevens die je niet kunt optellen, zoals kleur of merk.