Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

40 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. kwalitatieve variabele

    Een variabele met categorieën als waarde, zoals merk of kleur. Daar kun je tellen en percentages van maken, maar geen gemiddelde.

    Naar de les over Welk diagram kies je?

  2. spreiding

    Hoe ver de waarden uit elkaar liggen. Twee groepen met hetzelfde gemiddelde kunnen heel verschillend zijn, en dat zie je pas aan de spreiding.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en spreiding

  3. index

    Een getal dat een waarde vergelijkt met een gekozen startjaar, dat op 100 wordt gezet. Een index van 112 betekent 12 procent meer dan in het startjaar.

    Naar de les over Procenten en de groeifactor

  4. wegendiagram

    Een boompje waarin je elke keuze als een aftakking tekent. Het helpt je zien of je moet vermenigvuldigen of optellen.

    Naar de les over Telproblemen aanpakken

  5. snijpunt

    Het punt waar twee grafieken elkaar kruisen. De x-waarde daarvan is de oplossing van de vergelijking waarin de twee formules gelijk zijn.

    Naar de les over Een vergelijking oplossen met een grafiek

  6. herleiden

    Een formule omschrijven tot hij eenvoudiger is of tot een andere letter alleen staat. Wat het laatst om de letter heen zit, haal je er als eerste af.

    Naar de les over Een formule herleiden

  7. interpoleren

    Een waarde schatten tussen twee metingen in. Dat is veel veiliger dan extrapoleren, want je blijft binnen je gegevens.

    Naar de les over Verband is geen oorzaak

  8. normale verdeling

    Een klokvormige verdeling waarbij de meeste waarden rond het gemiddelde liggen en de uitersten zeldzaam zijn. Gemiddelde, mediaan en modus vallen samen.

    Naar de les over Statistiek met je rekenmachine

  9. significante cijfers

    De cijfers in een uitkomst die echt iets zeggen. Rond pas aan het eind af, en neem de nauwkeurigheid van je gegevens over.

    Naar de les over Opschrijven telt mee

  10. aselect

    Zo getrokken dat iedereen uit de populatie evenveel kans had om erin te komen. Dat is de enige manier om systematische vertekening te voorkomen.

    Naar de les over Steekproef en betrouwbaarheid

  11. exponentieel verband

    Een verband waarbij er per stap steeds met hetzelfde getal wordt vermenigvuldigd. De grafiek loopt eerst vlak en daarna heel steil.

    Naar de les over Exponentiële groei

  12. verdubbelingstijd

    De tijd waarin iets twee keer zo groot wordt. Bij exponentiële groei is die altijd even lang, waar je ook begint.

    Naar de les over Verdubbelingstijd en halveringstijd

  13. kwartiel

    Een van de drie waarden die de gegevens in vier even grote delen verdelen. Het tweede kwartiel is de mediaan.

    Naar de les over Een boxplot lezen

  14. groeifactor

    Het getal waarmee je vermenigvuldigt om van de oude naar de nieuwe waarde te gaan. Plus 20 procent is keer 1,2 en min 20 procent is keer 0,8.

    Naar de les over Procenten en de groeifactor

  15. helling

    Hoe snel de grafiek verandert. Over een stuk bereken je hem als het verschil in y gedeeld door het verschil in x.

    Naar de les over Stijgen, dalen en hellingen

  16. correlatie

    Samenhang tussen twee variabelen: ze lopen samen op of juist tegen elkaar in. Correlatie zegt niets over oorzaak.

    Naar de les over Verband is geen oorzaak

  17. ongelijkheid

    Een vergelijking met kleiner dan of groter dan. De oplossing is geen getal maar een gebied, en bij delen door een negatief getal draait het teken om.

    Naar de les over Een vergelijking oplossen met een grafiek

  18. relatieve frequentie

    Hoe vaak iets voorkomt gedeeld door het totaal, vaak als percentage. Hiermee vergelijk je groepen van verschillende grootte eerlijk.

    Naar de les over Een tabel maken en lezen

  19. boxplot

    Een diagram met vier gebieden die elk een kwart van de gegevens bevatten. Een breed deel betekent veel spreiding, niet veel waarnemingen.

    Naar de les over Een boxplot lezen

  20. kwartielafstand

    Het verschil tussen het derde en het eerste kwartiel: de breedte van de doos in een boxplot. Hierin zit de middelste helft van de gegevens.

    Naar de les over Een boxplot lezen

  21. derde factor

    Iets wat twee variabelen allebei beïnvloedt en daarmee hun samenhang verklaart, zonder dat de een de ander veroorzaakt.

    Naar de les over Verband is geen oorzaak

  22. steekproef

    Een deel van de populatie dat je onderzoekt. Hoe je hem trekt bepaalt of je conclusie klopt; een grote scheve steekproef blijft scheef.

    Naar de les over Steekproef en betrouwbaarheid

  23. variabele

    Een letter die staat voor een grootheid die kan veranderen. Benoem bij elke formule eerst wat elke letter betekent en in welke eenheid.

    Naar de les over Formules met meerdere letters

  24. eenheid

    Waarin een getal wordt uitgedrukt. Een antwoord zonder eenheid is zelden een volledig antwoord, en het omrekenen van eenheden is een klassieke valkuil.

    Naar de les over Van verhaal naar som en terug

  25. afronden

    Een getal korter maken op de gevraagde nauwkeurigheid. Let op wat er gevraagd wordt: op gehelen, op één decimaal, of naar boven omdat het om hele bussen gaat.

    Naar de les over Opschrijven telt mee

  26. toelichten

    Opschrijven hoe je aan je antwoord komt. Een kaal getal kan alleen goed of fout zijn; met je stappen erbij kun je ook deelpunten krijgen.

    Naar de les over Opschrijven telt mee

  27. toenemende stijging

    De grafiek gaat omhoog en wordt daarbij steeds steiler. Bij afnemende stijging gaat hij nog steeds omhoog, maar steeds minder hard.

    Naar de les over Stijgen, dalen en hellingen

  28. maximum

    Het hoogste punt van een grafiek. Daar draait stijgen om in dalen, dus de helling is er nul.

    Naar de les over Stijgen, dalen en hellingen

  29. lineair verband

    Een verband waarbij er per stap steeds hetzelfde bij komt. De grafiek is een rechte lijn en de formule is van de vorm y is a maal x plus b.

    Naar de les over Een lineair verband herkennen

  30. combinatie

    Een keuze waarbij de volgorde juist niet uitmaakt, zoals drie mensen kiezen uit tien. Daarom vallen de permutaties van die drie tegen elkaar weg.

    Naar de les over Telproblemen aanpakken

  31. gemiddelde

    Alles bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal. Gevoelig voor uitschieters: één extreem getal trekt het gemiddelde mee.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en spreiding

  32. kwantitatieve variabele

    Een variabele met getallen als waarde. Discreet als je kunt tellen, zoals aantal kinderen, en continu als elke tussenwaarde kan, zoals lengte.

    Naar de les over Welk diagram kies je?

  33. permutatie

    Een volgorde waarin je dingen kunt zetten, waarbij de volgorde ertoe doet. Vier mensen op vier stoelen kan op 4 maal 3 maal 2 maal 1 manieren.

    Naar de les over Telproblemen aanpakken

  34. hellingsgetal

    Het getal voor de x in een lineaire formule: hoeveel y verandert als x met 1 toeneemt. Het is de steilheid van de lijn.

    Naar de les over Een lineair verband herkennen

  35. staafdiagram

    Een diagram voor losse categorieën, met ruimte tussen de staven. Begin de as bij nul, anders overdrijft het verschil.

    Naar de les over Een grafiek die je op het verkeerde been zet

  36. wortel

    Het omgekeerde van machtsverheffen. De twaalfdemachtswortel gebruik je om een jaarlijkse groeifactor om te rekenen naar een maandelijkse.

    Naar de les over Verdubbelingstijd en halveringstijd

  37. formule

    Een afspraak die zegt hoe je uit de ene grootheid de andere berekent. Bij een woordformule schrijf je de namen voluit, en dat helpt tegen fouten.

    Naar de les over Formules met meerdere letters

  38. modus

    De waarde die het vaakst voorkomt. Handig bij gegevens die je niet kunt optellen, zoals kleur of merk.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en spreiding

  39. stijgen en dalen

    Of de grafiek omhooggaat of omlaag als je van links naar rechts leest. Dat zegt iets anders dan of de waarde hoog of laag is.

    Naar de les over Stijgen, dalen en hellingen

  40. grafiek

    Een tekening van een verband, met op elke as een grootheid. Lees eerst de assen, want daar zit de meeste informatie en de meeste misleiding.

    Naar de les over Een grafiek die je op het verkeerde been zet

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 66 begrippen.

7 onderwerpen
8 onderwerpen
3 onderwerpen
1 onderwerp
1 onderwerp
Begin opnieuw