Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
10 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
wegendiagram
Een boompje waarin je elke keuze als een aftakking tekent. Het helpt je zien of je moet vermenigvuldigen of optellen.
-
stijgen en dalen
Of de grafiek omhooggaat of omlaag als je van links naar rechts leest. Dat zegt iets anders dan of de waarde hoog of laag is.
-
macht
Een getal een aantal keer met zichzelf vermenigvuldigen. Let op het verschil tussen 2 tot de macht 3 en 2 maal 3; dat is 8 tegenover 6.
-
histogram
Een staafdiagram voor gegevens die je in klassen hebt ingedeeld. De staven raken elkaar, want de schaal loopt door.
-
normale verdeling
Een klokvormige verdeling waarbij de meeste waarden rond het gemiddelde liggen en de uitersten zeldzaam zijn. Gemiddelde, mediaan en modus vallen samen.
-
staafdiagram
Een diagram voor losse categorieën, met ruimte tussen de staven. Begin de as bij nul, anders overdrijft het verschil.
Naar de les over Een grafiek die je op het verkeerde been zet
-
wortel
Het omgekeerde van machtsverheffen. De twaalfdemachtswortel gebruik je om een jaarlijkse groeifactor om te rekenen naar een maandelijkse.
-
formule
Een afspraak die zegt hoe je uit de ene grootheid de andere berekent. Bij een woordformule schrijf je de namen voluit, en dat helpt tegen fouten.
-
index
Een getal dat een waarde vergelijkt met een gekozen startjaar, dat op 100 wordt gezet. Een index van 112 betekent 12 procent meer dan in het startjaar.
-
startwaarde
De waarde van y als x nul is, dus waar de grafiek de verticale as snijdt. In de formule is het het losse getal.