Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

101 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. onvolledige verbranding

    Verbranden met te weinig zuurstof. Er blijft roet achter, er komt minder warmte vrij en er ontstaat koolstofmono-oxide.

    Naar de les over Van brandstof naar warmte

  2. achtergrondstraling

    De straling waar je altijd aan blootstaat, uit de bodem, uit de ruimte en uit je eigen lichaam.

    Naar de les over Waar straling vandaan komt

  3. geluidssnelheid

    De snelheid waarmee geluid zich voortplant, in lucht ongeveer 340 meter per seconde.

    Naar de les over Wat geluid is

  4. decibel

    De eenheid van geluidssterkte. Tien decibel erbij klinkt ongeveer twee keer zo hard.

    Naar de les over Geluid meten en dempen

  5. sectorwerkstuk

    Een eigen werkstuk over een onderwerp uit je sector, waarbij je zelf informatie zoekt, verwerkt en presenteert.

    Naar de les over Je sectorwerkstuk over een natuurkundig onderwerp

  6. aardlekschakelaar

    Een beveiliging die uitschakelt als er stroom weglekt, bij een verschil van 30 milliampère. Die beschermt mensen.

    Naar de les over Zekering, aarding en kortsluiting

  7. zwaartekracht

    De kracht waarmee de aarde aan iets trekt, in newton. Je rekent hem uit met massa keer 9,8.

    Naar de les over Krachten en zwaartekracht

  8. waterdamp

    Water als gas, en dat is onzichtbaar. Wat je bij een wolk ziet zijn al druppeltjes.

    Naar de les over Wolken, neerslag en onweer

  9. geleiding

    Warmtetransport doordat de deeltjes hun trilling aan elkaar doorgeven. Metalen doen dat goed, lucht slecht.

    Naar de les over Warmte die wegloopt

  10. stopafstand

    De reactieafstand plus de remweg, dus de hele afstand tot stilstand.

    Naar de les over Reactieafstand en remweg

  11. brandpunt

    Het punt waar een bolle lens evenwijdig invallend licht samenbrengt.

    Naar de les over Spiegels en lenzen

  12. verziend

    Het beeld zou achter het netvlies vallen. Een bolle lens met een plussterkte helpt.

    Naar de les over Hoe je oog scherpstelt

  13. weerstand

    Hoe moeilijk de stroom ergens doorheen komt, gemeten in ohm. Volgt uit U gedeeld door I.

    Naar de les over Serie of parallel

  14. serieschakeling

    Een schakeling met maar één weg. De stroom is overal gelijk en de spanningen tellen op tot de bronspanning.

    Naar de les over Serie of parallel

  15. traagheid

    De eigenschap dat iets zijn beweging houdt zolang er geen kracht op werkt. Daarom schiet je bij een botsing naar voren.

    Naar de les over Snelheid, traagheid en de gordel

  16. reactieafstand

    De afstand die je aflegt voordat je begint te remmen. Die groeit recht evenredig met je snelheid.

    Naar de les over Reactieafstand en remweg

  17. hefboomwet

    Bij evenwicht is kracht keer arm aan de ene kant gelijk aan kracht keer arm aan de andere kant.

    Naar de les over De hefboomwet

  18. bewegingsenergie

    De energie die iets heeft doordat het beweegt. Hij hangt af van de massa en van de snelheid in het kwadraat, dus twee keer zo hard geeft vier keer zo veel.

    Naar de les over Arbeid en energie berekenen

  19. nettokracht

    Wat er van alle krachten op een voorwerp samen overblijft. Is de nettokracht nul, dan blijft de snelheid gelijk; is hij niet nul, dan verandert de snelheid.

    Naar de les over Versnelling en nettokracht

  20. hypothese

    Je verwachting vooraf, met een reden erbij. Achteraf zeg je of hij klopte.

    Naar de les over Van onderzoeksvraag tot conclusie

  21. atoomkern

    Het kleine midden van een atoom met de protonen en neutronen. Daar zit bijna alle massa.

    Naar de les over De bouw van een atoom

  22. voorvoegsel

    Een woordje voor de eenheid dat een factor aangeeft. Kilo is duizend keer, milli is duizend keer zo klein.

    Naar de les over Grootheid, eenheid en symbool

  23. onderzoeksvraag

    De vraag waar je onderzoek antwoord op moet geven. Die zet je bovenaan en alles wat je doet moet die vraag dienen.

    Naar de les over Van onderzoeksvraag tot conclusie

  24. faseovergang

    De overgang tussen vast, vloeibaar en gas. Tijdens zo een overgang blijft de temperatuur gelijk.

    Naar de les over Moleculen in drie fasen

  25. generator

    De draaiende machine die in bijna elke centrale de elektrische energie opwekt.

    Naar de les over Hoe stroom wordt opgewekt

  26. geleider

    Een stof die warmte of stroom goed doorlaat. Metalen zijn goede geleiders.

    Naar de les over Stofeigenschappen herkennen

  27. neutron

    Een deeltje in de kern zonder lading. Het aantal kan per isotoop verschillen.

    Naar de les over De bouw van een atoom

  28. spanning

    Het verschil dat de stroom aandrijft, gemeten in volt. Je meet hem altijd over een onderdeel.

    Naar de les over Serie of parallel

  29. bestraling

    Straling die op je valt. Die stopt zodra je bij de bron weggaat en je neemt niets mee.

    Naar de les over Je beschermen tegen straling

  30. frequentie

    Het aantal trillingen per seconde, in hertz. Meer hertz betekent een hogere toon.

    Naar de les over Wat geluid is

  31. parallelschakeling

    Een schakeling met meer takken. Over elke tak staat dezelfde spanning en de stromen tellen op.

    Naar de les over Serie of parallel

  32. arbeid

    De energie die je aan iets geeft door het met een kracht over een afstand te verplaatsen. Je rekent hem uit met de kracht keer de afstand, en de uitkomst staat in joule.

    Naar de les over Arbeid en energie berekenen

  33. zwaartepunt

    Het punt waarin je de hele zwaartekracht van een voorwerp mag denken.

    Naar de les over Krachten in een constructie

  34. stofeigenschap

    Een eigenschap die bij de stof hoort en niet bij het voorwerp, zoals het smeltpunt of de geleiding.

    Naar de les over Stofeigenschappen herkennen

  35. lagedrukgebied

    Een gebied waar de lucht opstijgt. Stijgende lucht koelt af en geeft wolken en neerslag.

    Naar de les over Temperatuur en luchtdruk meten

  36. resultante

    De kracht die overblijft als je alle krachten bij elkaar neemt. Bij evenwicht is die nul.

    Naar de les over Krachten en zwaartekracht

  37. arm

    De afstand van het draaipunt tot de plek waar een kracht aangrijpt, loodrecht gemeten.

    Naar de les over De hefboomwet

  38. stroomsterkte

    Hoeveel lading er per seconde langskomt, gemeten in ampère. Je meet hem in de kring.

    Naar de les over Serie of parallel

  39. hogedrukgebied

    Een gebied waar de lucht daalt. Dalende lucht wordt warmer en de wolken lossen op.

    Naar de les over Temperatuur en luchtdruk meten

  40. ioniserende straling

    Straling die vrijkomt bij het vervallen van een onstabiele kern en die atomen kan ioniseren.

    Naar de les over Waar straling vandaan komt

  41. bijziend

    Het beeld valt voor het netvlies, dus de verte is wazig. Een holle lens met een minsterkte helpt.

    Naar de les over Hoe je oog scherpstelt

  42. warmtestraling

    Warmtetransport zonder stof ertussen. Zo bereikt de warmte van de zon de aarde.

    Naar de les over Warmte die wegloopt

  43. isolator

    Een stof die warmte of stroom slecht doorlaat, zoals kunststof, glas, hout en rubber.

    Naar de les over Stofeigenschappen herkennen

  44. dichtheid

    De massa van een kubieke centimeter, dus massa gedeeld door volume. Water heeft 1,0 gram per kubieke centimeter.

    Naar de les over Dichtheid, drijven en zinken

  45. bètastraling

    Snelle elektronen die door papier gaan maar door enkele millimeters aluminium worden tegengehouden.

    Naar de les over Waar straling vandaan komt

  46. eenheid

    Waarin je een grootheid meet, bijvoorbeeld newton, kilogram of volt. Een getal zonder eenheid zegt niets.

    Naar de les over Grootheid, eenheid en symbool

  47. dynamo

    Een apparaat dat door beweging spanning opwekt. Stilstaan betekent geen licht.

    Naar de les over Dynamo en transformator

  48. inductie

    Het ontstaan van spanning doordat een magnetisch veld verandert. Zonder verandering is er geen spanning.

    Naar de les over Dynamo en transformator

  49. kookpunt

    De temperatuur waarbij een vloeistof gaat koken. Bij water is dat 100 graden.

    Naar de les over Moleculen in drie fasen

  50. holle lens

    Een lens die in het midden dunner is en het licht spreidt. Zit in een bril bij bijziend.

    Naar de les over Spiegels en lenzen

  51. transformator

    Twee spoelen om één ijzeren kern. De verhouding van de windingen is de verhouding van de spanning.

    Naar de les over Dynamo en transformator

  52. condenseren

    De overgang van gas naar vloeistof, zoals damp die op een koude ruit neerslaat.

    Naar de les over Moleculen in drie fasen

  53. alfastraling

    Zware deeltjes die niet ver komen. Papier houdt ze tegen, maar binnen in je lichaam zijn ze juist gevaarlijk.

    Naar de les over Waar straling vandaan komt

  54. gammastraling

    Straling die het verst komt en waar lood of dik beton voor nodig is.

    Naar de les over Waar straling vandaan komt

  55. kilowattuur

    De eenheid van energie op je energierekening. Eén kilowattuur is 3,6 megajoule.

    Naar de les over Energie omzetten en rendement

  56. typeplaatje

    Het plaatje op een apparaat met het vermogen en de spanning erop. Dat komt van de fabrikant en is betrouwbaarder dan een webwinkel.

    Naar de les over Je sectorwerkstuk over een natuurkundig onderwerp

  57. snelheid-tijddiagram

    Een grafiek met de snelheid verticaal. Een horizontale lijn betekent een gelijkblijvende snelheid.

    Naar de les over Een bewegingsdiagram aflezen

  58. stookwaarde

    Hoeveel energie er per kubieke meter of per kilogram brandstof vrijkomt. Voor aardgas ongeveer 32 megajoule per kubieke meter.

    Naar de les over Van brandstof naar warmte

  59. kreukelzone

    Het deel van een auto dat mag vervormen, zodat het stoppen langer duurt en de kracht kleiner wordt.

    Naar de les over Snelheid, traagheid en de gordel

  60. variabele

    Iets dat je in een proef verandert of juist gelijk houdt. Je verandert er maar één tegelijk.

    Naar de les over Van onderzoeksvraag tot conclusie

  61. draaipunt

    Het punt waar een hefboom om draait. Alle armen meet je vanaf dat punt.

    Naar de les over De hefboomwet

  62. remweg

    De afstand die je nodig hebt om tot stilstand te komen. Die groeit met het kwadraat van je snelheid.

    Naar de les over Reactieafstand en remweg

  63. atoomnummer

    Het aantal protonen in de kern. Elk atoom met zes protonen is koolstof.

    Naar de les over De bouw van een atoom

  64. bolle lens

    Een lens die in het midden dikker is en het licht bundelt in het brandpunt.

    Naar de les over Spiegels en lenzen

  65. proton

    Een positief geladen deeltje in de kern. Het aantal protonen bepaalt welke stof het is.

    Naar de les over De bouw van een atoom

  66. meetwaarde

    Een getal met een eenheid dat je hebt gemeten, met de plek waar je mat erbij. Je schrijft hem op tijdens het meten.

    Naar de les over Veilig en netjes meten

  67. luchtdruk

    De druk van de lucht boven je, gemeten in hectopascal. Rond 1013 is gemiddeld.

    Naar de les over Temperatuur en luchtdruk meten

  68. zwaarte-energie

    De energie die iets heeft doordat het omhoog staat. Hij hangt af van de massa, de valversnelling en de hoogte, en wordt bewegingsenergie zodra het valt.

    Naar de les over Arbeid en energie berekenen

  69. gemiddelde snelheid

    De hele afgelegde afstand gedeeld door de hele tijd, ook de tijd dat er werd stilgestaan.

    Naar de les over Een bewegingsdiagram aflezen

  70. afleesfout

    Een fout doordat je scheef op een schaal of een wijzer kijkt. Recht van voren aflezen voorkomt hem.

    Naar de les over Veilig en netjes meten

  71. rendement

    De nuttige energie gedeeld door de toegevoerde energie, in procent. Het kan nooit boven de honderd komen.

    Naar de les over Energie omzetten en rendement

  72. normaal

    De lijn loodrecht op een spiegel of lens. Hoeken meet je altijd ten opzichte van die lijn.

    Naar de les over Spiegels en lenzen

  73. halveringstijd

    De tijd waarin de helft van de kernen vervalt. Na drie halveringstijden is er nog een achtste over.

    Naar de les over Waar straling vandaan komt

  74. steunvlak

    Het vlak tussen de steunpunten. Komt het zwaartepunt daarbuiten, dan valt het voorwerp om.

    Naar de les over Krachten in een constructie

  75. oscilloscoop

    Een apparaat dat een trilling als een golf op een scherm laat zien, zodat je de trillingstijd kunt aflezen.

    Naar de les over Geluid meten en dempen

  76. netvlies

    De achterwand van je oog waar het beeld op moet vallen.

    Naar de les over Hoe je oog scherpstelt

  77. dauwpunt

    De temperatuur waarbij waterdamp gaat condenseren. Daar begint een wolk.

    Naar de les over Wolken, neerslag en onweer

  78. trillingstijd

    De tijd van één hele trilling. De frequentie is 1 gedeeld door die tijd.

    Naar de les over Geluid meten en dempen

  79. versnelling

    Hoeveel de snelheid per seconde verandert, in meter per seconde per seconde. Je rekent hem uit met de snelheidsverandering gedeeld door de tijd, en bij afremmen is hij negatief.

    Naar de les over Versnelling en nettokracht

  80. zekering

    Een beveiliging die de kring onderbreekt bij te veel stroom. Een gewone groep in huis is 16 ampère.

    Naar de les over Zekering, aarding en kortsluiting

  81. besmetting

    Radioactief materiaal op of in je lichaam. Dat gaat met je mee en blijft stralen.

    Naar de les over Je beschermen tegen straling

  82. joule

    De eenheid van energie en van arbeid, met als symbool J. Duizend joule is een kilojoule, en een kilowattuur is 3,6 miljoen joule.

    Naar de les over Arbeid en energie berekenen

  83. accommoderen

    Het boller maken van je ooglens om dichtbij scherp te zien.

    Naar de les over Hoe je oog scherpstelt

  84. elektron

    Een negatief geladen deeltje dat om de kern beweegt en bijna niets weegt.

    Naar de les over De bouw van een atoom

  85. omwerken

    Een formule zo veranderen dat de letter die je zoekt alleen staat. Wat je links doet, doe je ook rechts.

    Naar de les over Een formule invullen en omwerken

  86. massa

    Hoeveel stof er is, gemeten in kilogram. Die blijft overal gelijk, ook op de maan.

    Naar de les over Krachten en zwaartekracht

  87. vermogen

    Het aantal joule per seconde, gemeten in watt. Vermogen keer tijd geeft de energie.

    Naar de les over Energie omzetten en rendement

  88. aarddraad

    De geelgroene draad die stroom van een metalen kast naar de aarde leidt, zodat die kast niet onder spanning komt.

    Naar de les over Zekering, aarding en kortsluiting

  89. isolatie

    Materiaal dat warmte tegenhoudt door stilstaande lucht op te sluiten, zoals in dubbel glas of een dikke jas.

    Naar de les over Warmte die wegloopt

  90. grootheid

    Wat je meet, bijvoorbeeld kracht, massa of spanning. De eenheid is waarin je het meet.

    Naar de les over Grootheid, eenheid en symbool

  91. bijschaduw

    De lichtere rand om de kernschaduw, waar nog licht van een deel van de bron komt.

    Naar de les over Licht, schaduw en kleur

  92. pascal

    De eenheid van druk, gelijk aan één newton per vierkante meter.

    Naar de les over Druk op de ondergrond

  93. volume

    Hoeveel ruimte iets inneemt. Bij een blok is dat lengte keer breedte keer hoogte, bij een rare vorm meet je de stijging van het water.

    Naar de les over Dichtheid, drijven en zinken

  94. afstand-tijddiagram

    Een grafiek met de afgelegde afstand verticaal. Een horizontale lijn betekent stilstand.

    Naar de les over Een bewegingsdiagram aflezen

  95. wet van Ohm

    De spanning is de stroom keer de weerstand, U is I keer R. Daarmee reken je elk onderdeel van een schakeling door.

    Naar de les over Een formule invullen en omwerken

  96. stroming

    Warmtetransport doordat warme lucht of warm water opstijgt en de warmte meeneemt.

    Naar de les over Warmte die wegloopt

  97. druk

    De kracht per vierkante meter, in pascal. Dezelfde kracht op een kleiner vlak geeft meer druk.

    Naar de les over Druk op de ondergrond

  98. kernschaduw

    Het deel van de schaduw waar van geen enkel punt van de lichtbron licht komt.

    Naar de les over Licht, schaduw en kleur

  99. smeltpunt

    De temperatuur waarbij een stof van vast naar vloeibaar gaat. Lood smelt bij 327 graden, ijzer pas bij 1538.

    Naar de les over Stofeigenschappen herkennen

  100. amplitude

    De grootte van de uitwijking van een trilling. Een grotere amplitude klinkt harder.

    Naar de les over Wat geluid is

  101. kortsluiting

    Plus en min raken elkaar zonder apparaat ertussen. De weerstand is dan bijna nul en de stroom enorm.

    Naar de les over Zekering, aarding en kortsluiting

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 101 begrippen.

2 onderwerpen
1 onderwerp
3 onderwerpen
2 onderwerpen
2 onderwerpen
4 onderwerpen
3 onderwerpen
2 onderwerpen
2 onderwerpen
6 onderwerpen
2 onderwerpen
5 onderwerpen
Begin opnieuw