Naar de inhoud
Inloggen

Nask1 vmbo gl/tl

Begrippenlijst

vmbo gl/tl

95 begrippen die je bij Nask1 op vmbo gl/tl moet kennen, elk met een paar zinnen uitleg. Staat er een les bij, dan wordt het begrip daar gebruikt en geoefend.

Overhoor jezelf op deze begrippen

A 11

aarddraad NASK1/K/5
De geelgroene draad die stroom van een metalen kast naar de aarde leidt, zodat die kast niet onder spanning komt. Naar de les
aardlekschakelaar NASK1/K/5
Een beveiliging die uitschakelt als er stroom weglekt, bij een verschil van 30 milliampère. Die beschermt mensen. Naar de les
accommoderen NASK1/K/7
Het boller maken van je ooglens om dichtbij scherp te zien. Naar de les
achtergrondstraling NASK1/K/11
De straling waar je altijd aan blootstaat, uit de bodem, uit de ruimte en uit je eigen lichaam. Naar de les
afleesfout NASK1/K/2
Een fout doordat je scheef op een schaal of een wijzer kijkt. Recht van voren aflezen voorkomt hem. Naar de les
afstand-tijddiagram NASK1/K/3
Een grafiek met de afgelegde afstand verticaal. Een horizontale lijn betekent stilstand. Naar de les
alfastraling NASK1/K/11
Zware deeltjes die niet ver komen. Papier houdt ze tegen, maar binnen in je lichaam zijn ze juist gevaarlijk. Naar de les
amplitude NASK1/K/8
De grootte van de uitwijking van een trilling. Een grotere amplitude klinkt harder. Naar de les
arm NASK1/K/9
De afstand van het draaipunt tot de plek waar een kracht aangrijpt, loodrecht gemeten. Naar de les
atoomkern NASK1/K/10
Het kleine midden van een atoom met de protonen en neutronen. Daar zit bijna alle massa. Naar de les
atoomnummer NASK1/K/10
Het aantal protonen in de kern. Elk atoom met zes protonen is koolstof. Naar de les

B 7

besmetting NASK1/K/11
Radioactief materiaal op of in je lichaam. Dat gaat met je mee en blijft stralen. Naar de les
bestraling NASK1/K/11
Straling die op je valt. Die stopt zodra je bij de bron weggaat en je neemt niets mee. Naar de les
bètastraling NASK1/K/11
Snelle elektronen die door papier gaan maar door enkele millimeters aluminium worden tegengehouden. Naar de les
bijschaduw NASK1/K/7
De lichtere rand om de kernschaduw, waar nog licht van een deel van de bron komt. Naar de les
bijziend NASK1/K/7
Het beeld valt voor het netvlies, dus de verte is wazig. Een holle lens met een minsterkte helpt. Naar de les
bolle lens NASK1/K/7
Een lens die in het midden dikker is en het licht bundelt in het brandpunt. Naar de les
brandpunt NASK1/K/7
Het punt waar een bolle lens evenwijdig invallend licht samenbrengt. Naar de les

C 1

condenseren NASK1/K/10
De overgang van gas naar vloeistof, zoals damp die op een koude ruit neerslaat. Naar de les

D 6

dauwpunt NASK1/K/12
De temperatuur waarbij waterdamp gaat condenseren. Daar begint een wolk. Naar de les
decibel NASK1/K/8
De eenheid van geluidssterkte. Tien decibel erbij klinkt ongeveer twee keer zo hard. Naar de les
dichtheid NASK1/K/4
De massa van een kubieke centimeter, dus massa gedeeld door volume. Water heeft 1,0 gram per kubieke centimeter. Naar de les
draaipunt NASK1/K/9
Het punt waar een hefboom om draait. Alle armen meet je vanaf dat punt. Naar de les
druk NASK1/K/9
De kracht per vierkante meter, in pascal. Dezelfde kracht op een kleiner vlak geeft meer druk. Naar de les
dynamo NASK1/K/5
Een apparaat dat door beweging spanning opwekt. Stilstaan betekent geen licht. Naar de les

E 2

eenheid NASK1/K/3
Waarin je een grootheid meet, bijvoorbeeld newton, kilogram of volt. Een getal zonder eenheid zegt niets. Naar de les
elektron NASK1/K/10
Een negatief geladen deeltje dat om de kern beweegt en bijna niets weegt. Naar de les

F 2

faseovergang NASK1/K/10
De overgang tussen vast, vloeibaar en gas. Tijdens zo een overgang blijft de temperatuur gelijk. Naar de les
frequentie NASK1/K/8
Het aantal trillingen per seconde, in hertz. Meer hertz betekent een hogere toon. Naar de les

G 7

gammastraling NASK1/K/11
Straling die het verst komt en waar lood of dik beton voor nodig is. Naar de les
geleider NASK1/K/4
Een stof die warmte of stroom goed doorlaat. Metalen zijn goede geleiders. Naar de les
geleiding NASK1/K/6
Warmtetransport doordat de deeltjes hun trilling aan elkaar doorgeven. Metalen doen dat goed, lucht slecht. Naar de les
geluidssnelheid NASK1/K/8
De snelheid waarmee geluid zich voortplant, in lucht ongeveer 340 meter per seconde. Naar de les
gemiddelde snelheid NASK1/K/3
De hele afgelegde afstand gedeeld door de hele tijd, ook de tijd dat er werd stilgestaan. Naar de les
generator NASK1/K/6
De draaiende machine die in bijna elke centrale de elektrische energie opwekt. Naar de les
grootheid NASK1/K/3
Wat je meet, bijvoorbeeld kracht, massa of spanning. De eenheid is waarin je het meet. Naar de les

H 5

halveringstijd NASK1/K/11
De tijd waarin de helft van de kernen vervalt. Na drie halveringstijden is er nog een achtste over. Naar de les
hefboomwet NASK1/K/9
Bij evenwicht is kracht keer arm aan de ene kant gelijk aan kracht keer arm aan de andere kant. Naar de les
hogedrukgebied NASK1/K/12
Een gebied waar de lucht daalt. Dalende lucht wordt warmer en de wolken lossen op. Naar de les
holle lens NASK1/K/7
Een lens die in het midden dunner is en het licht spreidt. Zit in een bril bij bijziend. Naar de les
hypothese NASK1/V/4
Je verwachting vooraf, met een reden erbij. Achteraf zeg je of hij klopte. Naar de les

I 4

inductie NASK1/K/5
Het ontstaan van spanning doordat een magnetisch veld verandert. Zonder verandering is er geen spanning. Naar de les
ioniserende straling NASK1/K/11
Straling die vrijkomt bij het vervallen van een onstabiele kern en die atomen kan ioniseren. Naar de les
isolatie NASK1/K/6
Materiaal dat warmte tegenhoudt door stilstaande lucht op te sluiten, zoals in dubbel glas of een dikke jas. Naar de les
isolator NASK1/K/4
Een stof die warmte of stroom slecht doorlaat, zoals kunststof, glas, hout en rubber. Naar de les

K 5

kernschaduw NASK1/K/7
Het deel van de schaduw waar van geen enkel punt van de lichtbron licht komt. Naar de les
kilowattuur NASK1/K/6
De eenheid van energie op je energierekening. Eén kilowattuur is 3,6 megajoule. Naar de les
kookpunt NASK1/K/10
De temperatuur waarbij een vloeistof gaat koken. Bij water is dat 100 graden. Naar de les
kortsluiting NASK1/K/5
Plus en min raken elkaar zonder apparaat ertussen. De weerstand is dan bijna nul en de stroom enorm. Naar de les
kreukelzone NASK1/K/9
Het deel van een auto dat mag vervormen, zodat het stoppen langer duurt en de kracht kleiner wordt. Naar de les

L 2

lagedrukgebied NASK1/K/12
Een gebied waar de lucht opstijgt. Stijgende lucht koelt af en geeft wolken en neerslag. Naar de les
luchtdruk NASK1/K/12
De druk van de lucht boven je, gemeten in hectopascal. Rond 1013 is gemiddeld. Naar de les

M 2

massa NASK1/K/9
Hoeveel stof er is, gemeten in kilogram. Die blijft overal gelijk, ook op de maan. Naar de les
meetwaarde NASK1/K/2
Een getal met een eenheid dat je hebt gemeten, met de plek waar je mat erbij. Je schrijft hem op tijdens het meten. Naar de les

N 3

netvlies NASK1/K/7
De achterwand van je oog waar het beeld op moet vallen. Naar de les
neutron NASK1/K/10
Een deeltje in de kern zonder lading. Het aantal kan per isotoop verschillen. Naar de les
normaal NASK1/K/7
De lijn loodrecht op een spiegel of lens. Hoeken meet je altijd ten opzichte van die lijn. Naar de les

O 4

omwerken NASK1/K/3
Een formule zo veranderen dat de letter die je zoekt alleen staat. Wat je links doet, doe je ook rechts. Naar de les
onderzoeksvraag NASK1/V/4
De vraag waar je onderzoek antwoord op moet geven. Die zet je bovenaan en alles wat je doet moet die vraag dienen. Naar de les
onvolledige verbranding NASK1/K/6
Verbranden met te weinig zuurstof. Er blijft roet achter, er komt minder warmte vrij en er ontstaat koolstofmono-oxide. Naar de les
oscilloscoop NASK1/K/8
Een apparaat dat een trilling als een golf op een scherm laat zien, zodat je de trillingstijd kunt aflezen. Naar de les

P 3

parallelschakeling NASK1/K/5
Een schakeling met meer takken. Over elke tak staat dezelfde spanning en de stromen tellen op. Naar de les
pascal NASK1/K/9
De eenheid van druk, gelijk aan één newton per vierkante meter. Naar de les
proton NASK1/K/10
Een positief geladen deeltje in de kern. Het aantal protonen bepaalt welke stof het is. Naar de les

R 4

reactieafstand NASK1/V/1
De afstand die je aflegt voordat je begint te remmen. Die groeit recht evenredig met je snelheid. Naar de les
remweg NASK1/V/1
De afstand die je nodig hebt om tot stilstand te komen. Die groeit met het kwadraat van je snelheid. Naar de les
rendement NASK1/K/6
De nuttige energie gedeeld door de toegevoerde energie, in procent. Het kan nooit boven de honderd komen. Naar de les
resultante NASK1/K/9
De kracht die overblijft als je alle krachten bij elkaar neemt. Bij evenwicht is die nul. Naar de les

S 11

sectorwerkstuk NASK1/V/3
Een eigen werkstuk over een onderwerp uit je sector, waarbij je zelf informatie zoekt, verwerkt en presenteert. Naar de les
serieschakeling NASK1/K/5
Een schakeling met maar één weg. De stroom is overal gelijk en de spanningen tellen op tot de bronspanning. Naar de les
smeltpunt NASK1/K/4
De temperatuur waarbij een stof van vast naar vloeibaar gaat. Lood smelt bij 327 graden, ijzer pas bij 1538. Naar de les
snelheid-tijddiagram NASK1/K/3
Een grafiek met de snelheid verticaal. Een horizontale lijn betekent een gelijkblijvende snelheid. Naar de les
spanning NASK1/K/5
Het verschil dat de stroom aandrijft, gemeten in volt. Je meet hem altijd over een onderdeel. Naar de les
steunvlak NASK1/V/2
Het vlak tussen de steunpunten. Komt het zwaartepunt daarbuiten, dan valt het voorwerp om. Naar de les
stofeigenschap NASK1/K/4
Een eigenschap die bij de stof hoort en niet bij het voorwerp, zoals het smeltpunt of de geleiding. Naar de les
stookwaarde NASK1/K/6
Hoeveel energie er per kubieke meter of per kilogram brandstof vrijkomt. Voor aardgas ongeveer 32 megajoule per kubieke meter. Naar de les
stopafstand NASK1/V/1
De reactieafstand plus de remweg, dus de hele afstand tot stilstand. Naar de les
stroming NASK1/K/6
Warmtetransport doordat warme lucht of warm water opstijgt en de warmte meeneemt. Naar de les
stroomsterkte NASK1/K/5
Hoeveel lading er per seconde langskomt, gemeten in ampère. Je meet hem in de kring. Naar de les

T 4

traagheid NASK1/K/9
De eigenschap dat iets zijn beweging houdt zolang er geen kracht op werkt. Daarom schiet je bij een botsing naar voren. Naar de les
transformator NASK1/K/5
Twee spoelen om één ijzeren kern. De verhouding van de windingen is de verhouding van de spanning. Naar de les
trillingstijd NASK1/K/8
De tijd van één hele trilling. De frequentie is 1 gedeeld door die tijd. Naar de les
typeplaatje NASK1/V/3
Het plaatje op een apparaat met het vermogen en de spanning erop. Dat komt van de fabrikant en is betrouwbaarder dan een webwinkel. Naar de les

V 5

variabele NASK1/V/4
Iets dat je in een proef verandert of juist gelijk houdt. Je verandert er maar één tegelijk. Naar de les
vermogen NASK1/K/6
Het aantal joule per seconde, gemeten in watt. Vermogen keer tijd geeft de energie. Naar de les
verziend NASK1/K/7
Het beeld zou achter het netvlies vallen. Een bolle lens met een plussterkte helpt. Naar de les
volume NASK1/K/4
Hoeveel ruimte iets inneemt. Bij een blok is dat lengte keer breedte keer hoogte, bij een rare vorm meet je de stijging van het water. Naar de les
voorvoegsel NASK1/K/3
Een woordje voor de eenheid dat een factor aangeeft. Kilo is duizend keer, milli is duizend keer zo klein. Naar de les

W 4

warmtestraling NASK1/K/6
Warmtetransport zonder stof ertussen. Zo bereikt de warmte van de zon de aarde. Naar de les
waterdamp NASK1/K/12
Water als gas, en dat is onzichtbaar. Wat je bij een wolk ziet zijn al druppeltjes. Naar de les
weerstand NASK1/K/5
Hoe moeilijk de stroom ergens doorheen komt, gemeten in ohm. Volgt uit U gedeeld door I. Naar de les
wet van Ohm NASK1/K/3
De spanning is de stroom keer de weerstand, U is I keer R. Daarmee reken je elk onderdeel van een schakeling door. Naar de les

Z 3

zekering NASK1/K/5
Een beveiliging die de kring onderbreekt bij te veel stroom. Een gewone groep in huis is 16 ampère. Naar de les
zwaartekracht NASK1/K/9
De kracht waarmee de aarde aan iets trekt, in newton. Je rekent hem uit met massa keer 9,8. Naar de les
zwaartepunt NASK1/V/2
Het punt waarin je de hele zwaartekracht van een voorwerp mag denken. Naar de les

Alle onderwerpen