Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

40 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. zwaartekracht

    De kracht waarmee de aarde aan iets trekt, in newton. Je rekent hem uit met massa keer 9,8.

    Naar de les over Krachten en zwaartekracht

  2. reactieafstand

    De afstand die je aflegt voordat je begint te remmen. Die groeit recht evenredig met je snelheid.

    Naar de les over Reactieafstand en remweg

  3. decibel

    De eenheid van geluidssterkte. Tien decibel erbij klinkt ongeveer twee keer zo hard.

    Naar de les over Geluid meten en dempen

  4. hypothese

    Je verwachting vooraf, met een reden erbij. Achteraf zeg je of hij klopte.

    Naar de les over Van onderzoeksvraag tot conclusie

  5. pascal

    De eenheid van druk, gelijk aan één newton per vierkante meter.

    Naar de les over Druk op de ondergrond

  6. arbeid

    De energie die je aan iets geeft door het met een kracht over een afstand te verplaatsen. Je rekent hem uit met de kracht keer de afstand, en de uitkomst staat in joule.

    Naar de les over Arbeid en energie berekenen

  7. condenseren

    De overgang van gas naar vloeistof, zoals damp die op een koude ruit neerslaat.

    Naar de les over Moleculen in drie fasen

  8. draaipunt

    Het punt waar een hefboom om draait. Alle armen meet je vanaf dat punt.

    Naar de les over De hefboomwet

  9. meetwaarde

    Een getal met een eenheid dat je hebt gemeten, met de plek waar je mat erbij. Je schrijft hem op tijdens het meten.

    Naar de les over Veilig en netjes meten

  10. geleiding

    Warmtetransport doordat de deeltjes hun trilling aan elkaar doorgeven. Metalen doen dat goed, lucht slecht.

    Naar de les over Warmte die wegloopt

  11. atoomkern

    Het kleine midden van een atoom met de protonen en neutronen. Daar zit bijna alle massa.

    Naar de les over De bouw van een atoom

  12. amplitude

    De grootte van de uitwijking van een trilling. Een grotere amplitude klinkt harder.

    Naar de les over Wat geluid is

  13. atoomnummer

    Het aantal protonen in de kern. Elk atoom met zes protonen is koolstof.

    Naar de les over De bouw van een atoom

  14. afstand-tijddiagram

    Een grafiek met de afgelegde afstand verticaal. Een horizontale lijn betekent stilstand.

    Naar de les over Een bewegingsdiagram aflezen

  15. stookwaarde

    Hoeveel energie er per kubieke meter of per kilogram brandstof vrijkomt. Voor aardgas ongeveer 32 megajoule per kubieke meter.

    Naar de les over Van brandstof naar warmte

  16. omwerken

    Een formule zo veranderen dat de letter die je zoekt alleen staat. Wat je links doet, doe je ook rechts.

    Naar de les over Een formule invullen en omwerken

  17. arm

    De afstand van het draaipunt tot de plek waar een kracht aangrijpt, loodrecht gemeten.

    Naar de les over De hefboomwet

  18. bètastraling

    Snelle elektronen die door papier gaan maar door enkele millimeters aluminium worden tegengehouden.

    Naar de les over Waar straling vandaan komt

  19. stofeigenschap

    Een eigenschap die bij de stof hoort en niet bij het voorwerp, zoals het smeltpunt of de geleiding.

    Naar de les over Stofeigenschappen herkennen

  20. brandpunt

    Het punt waar een bolle lens evenwijdig invallend licht samenbrengt.

    Naar de les over Spiegels en lenzen

  21. achtergrondstraling

    De straling waar je altijd aan blootstaat, uit de bodem, uit de ruimte en uit je eigen lichaam.

    Naar de les over Waar straling vandaan komt

  22. faseovergang

    De overgang tussen vast, vloeibaar en gas. Tijdens zo een overgang blijft de temperatuur gelijk.

    Naar de les over Moleculen in drie fasen

  23. kernschaduw

    Het deel van de schaduw waar van geen enkel punt van de lichtbron licht komt.

    Naar de les over Licht, schaduw en kleur

  24. nettokracht

    Wat er van alle krachten op een voorwerp samen overblijft. Is de nettokracht nul, dan blijft de snelheid gelijk; is hij niet nul, dan verandert de snelheid.

    Naar de les over Versnelling en nettokracht

  25. verziend

    Het beeld zou achter het netvlies vallen. Een bolle lens met een plussterkte helpt.

    Naar de les over Hoe je oog scherpstelt

  26. resultante

    De kracht die overblijft als je alle krachten bij elkaar neemt. Bij evenwicht is die nul.

    Naar de les over Krachten en zwaartekracht

  27. alfastraling

    Zware deeltjes die niet ver komen. Papier houdt ze tegen, maar binnen in je lichaam zijn ze juist gevaarlijk.

    Naar de les over Waar straling vandaan komt

  28. zwaarte-energie

    De energie die iets heeft doordat het omhoog staat. Hij hangt af van de massa, de valversnelling en de hoogte, en wordt bewegingsenergie zodra het valt.

    Naar de les over Arbeid en energie berekenen

  29. bolle lens

    Een lens die in het midden dikker is en het licht bundelt in het brandpunt.

    Naar de les over Spiegels en lenzen

  30. transformator

    Twee spoelen om één ijzeren kern. De verhouding van de windingen is de verhouding van de spanning.

    Naar de les over Dynamo en transformator

  31. generator

    De draaiende machine die in bijna elke centrale de elektrische energie opwekt.

    Naar de les over Hoe stroom wordt opgewekt

  32. geleider

    Een stof die warmte of stroom goed doorlaat. Metalen zijn goede geleiders.

    Naar de les over Stofeigenschappen herkennen

  33. gemiddelde snelheid

    De hele afgelegde afstand gedeeld door de hele tijd, ook de tijd dat er werd stilgestaan.

    Naar de les over Een bewegingsdiagram aflezen

  34. inductie

    Het ontstaan van spanning doordat een magnetisch veld verandert. Zonder verandering is er geen spanning.

    Naar de les over Dynamo en transformator

  35. volume

    Hoeveel ruimte iets inneemt. Bij een blok is dat lengte keer breedte keer hoogte, bij een rare vorm meet je de stijging van het water.

    Naar de les over Dichtheid, drijven en zinken

  36. kookpunt

    De temperatuur waarbij een vloeistof gaat koken. Bij water is dat 100 graden.

    Naar de les over Moleculen in drie fasen

  37. hefboomwet

    Bij evenwicht is kracht keer arm aan de ene kant gelijk aan kracht keer arm aan de andere kant.

    Naar de les over De hefboomwet

  38. versnelling

    Hoeveel de snelheid per seconde verandert, in meter per seconde per seconde. Je rekent hem uit met de snelheidsverandering gedeeld door de tijd, en bij afremmen is hij negatief.

    Naar de les over Versnelling en nettokracht

  39. waterdamp

    Water als gas, en dat is onzichtbaar. Wat je bij een wolk ziet zijn al druppeltjes.

    Naar de les over Wolken, neerslag en onweer

  40. spanning

    Het verschil dat de stroom aandrijft, gemeten in volt. Je meet hem altijd over een onderdeel.

    Naar de les over Serie of parallel

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 101 begrippen.

2 onderwerpen
1 onderwerp
3 onderwerpen
2 onderwerpen
2 onderwerpen
4 onderwerpen
3 onderwerpen
2 onderwerpen
2 onderwerpen
6 onderwerpen
2 onderwerpen
5 onderwerpen
Begin opnieuw