Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

62 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. integrale benadering

    Het bepalen van de winst door de totale opbrengsten en de totale kosten te vergelijken.

    Naar de les over Winst maken, de integrale benadering

  2. marginale opbrengst

    De verandering van de omzet door één extra verkochte eenheid.

    Naar de les over Opbrengsten en de marginale opbrengst

  3. producentensurplus

    Het verschil tussen de marktprijs en de laagste prijs waarvoor aanbieders willen leveren.

    Naar de les over Consumentensurplus en producentensurplus

  4. collectieve aanbodlijn

    De lijn die aangeeft hoeveel alle aanbieders samen willen leveren bij elke prijs.

    Naar de les over Het marktaanbod

  5. anticyclisch begrotingsbeleid

    Beleid dat tegen de conjunctuur ingaat, dus stimuleren in een dip en afremmen bij hoogconjunctuur.

    Naar de les over Begrotingsbeleid en de centrale bank

  6. productdifferentiatie

    Je product net anders maken dan dat van de concurrent.

    Naar de les over Prijsdiscriminatie en productdifferentiatie

  7. vermogen

    Het bezit min de schulden op een bepaald moment.

    Naar de les over Sparen, lenen en levensfasen

  8. actor

    Een partij met een eigen belang, zoals een consument, een producent, een werknemer of de overheid.

    Naar de les over Een standpunt onderbouwen

  9. asymmetrische informatie

    Een situatie waarin de ene partij meer weet dan de andere.

    Naar de les over Asymmetrische informatie

  10. maximumprijs

    Een door de overheid vastgestelde hoogste prijs, die onder het evenwicht ligt.

    Naar de les over De overheid grijpt in op de markt

  11. indexcijfer

    Een getal dat een waarde afzet tegen het basisjaar, dat op 100 staat.

    Naar de les over Indexcijfers en reële verandering

  12. externe effecten

    Voor- of nadelen van productie of consumptie die niet in de prijs zitten.

    Naar de les over Welvaart meten en de grenzen van het bbp

  13. arbeidsvraag

    De werkgelegenheid plus de openstaande vacatures.

    Naar de les over Werkloosheid verklaren

  14. productiefactoren

    Arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap.

    Naar de les over Economische groei

  15. moral hazard

    Dat iemand zich minder voorzichtig gedraagt omdat hij verzekerd is.

    Naar de les over Asymmetrische informatie

  16. sociale norm

    Een ongeschreven regel die het gedrag en daarmee de opbrengsten in een spel beïnvloedt.

    Naar de les over Samenwerken en onderhandelen

  17. werkloosheid

    Dat iemand werk zoekt en beschikbaar is maar geen baan heeft.

    Naar de les over De arbeidsmarkt

  18. constante kosten

    Kosten die gelijk blijven hoeveel er ook wordt geproduceerd.

    Naar de les over Kosten van een onderneming

  19. marginale kosten

    De kosten van één extra geproduceerde eenheid.

    Naar de les over Kosten van een onderneming

  20. hoogconjunctuur

    Een situatie van overbesteding, met lage werkloosheid en oplopende inflatie.

    Naar de les over Conjunctuur herkennen

  21. procentpunt

    Het verschil tussen twee percentages.

    Naar de les over Procenten en procentpunten

  22. kapitaaldekkingsstelsel

    Een pensioenstelsel waarin iedereen zijn eigen pot opbouwt.

    Naar de les over Pensioenen en de AOW

  23. geloofwaardige dreiging

    Een dreigement dat de ander serieus neemt, omdat uitvoeren voor de dreiger niet slechter is.

    Naar de les over Samenwerken en onderhandelen

  24. omslagstelsel

    Een pensioenstelsel waarin de werkenden van nu de uitkeringen van nu betalen.

    Naar de les over Pensioenen en de AOW

  25. subsidie

    Een bijdrage van de overheid die de kostprijs of de prijs verlaagt.

    Naar de les over De overheid grijpt in op de markt

  26. rente

    De vergoeding voor het uitlenen van geld of voor het uitstellen van consumptie.

    Naar de les over Risico, rente en onderpand

  27. primaire inkomen

    Het inkomen dat je op de markt verdient, voor herverdeling.

    Naar de les over Ongelijkheid en herverdeling

  28. volkomen concurrentie

    Een markt met veel aanbieders, een homogeen goed en vrije toetreding.

    Naar de les over Het marktmechanisme

  29. totale kosten

    De constante kosten plus de variabele kosten.

    Naar de les over Kosten van een onderneming

  30. bestedingen

    Alle uitgaven in een economie, dus consumptie, investeringen, overheidsbestedingen en export min import.

    Naar de les over De economische kringloop en het bbp

  31. averechtse selectie

    Dat juist de slechte risicos zich verzekeren, omdat zij meer weten dan de verzekeraar.

    Naar de les over Asymmetrische informatie

  32. zelfbinding

    Jezelf vrijwillig een keuze ontnemen om je belofte of dreiging geloofwaardig te maken.

    Naar de les over Samenwerken en onderhandelen

  33. verwachte schadebedrag

    De kans op schade maal de hoogte van die schade.

    Naar de les over Risico en verzekeren

  34. groen bbp

    Het bbp min de geschatte milieuschade plus de geschatte milieuverbetering.

    Naar de les over Welvaart meten en de grenzen van het bbp

  35. omzet

    De prijs maal het aantal verkochte eenheden.

    Naar de les over Opbrengsten en de marginale opbrengst

  36. marktfalen

    Een uitkomst van de markt die maatschappelijk niet gewenst is.

    Naar de les over Marktfalen en externe effecten

  37. inferieur

    Dat de vraag naar een goed daalt als het inkomen stijgt.

    Naar de les over Inkomenselasticiteit en soorten goederen

  38. opbrengstenmatrix

    Een tabel met de opbrengsten van beide spelers bij elke combinatie van keuzes.

    Naar de les over Speltheorie en het gevangenendilemma

  39. laagconjunctuur

    Een situatie van onderbesteding, met hoge werkloosheid en afnemende inflatie.

    Naar de les over Conjunctuur herkennen

  40. quotum

    Een door de overheid vastgelegde maximale hoeveelheid.

    Naar de les over De overheid grijpt in op de markt

  41. gevangenendilemma

    Een spel waarin beide spelers hun dominante strategie kiezen en daardoor samen slechter uitkomen.

    Naar de les over Speltheorie en het gevangenendilemma

  42. consumentensurplus

    Het verschil tussen wat kopers wilden betalen en wat zij werkelijk betaalden.

    Naar de les over Consumentensurplus en producentensurplus

  43. prijszetter

    Een aanbieder die zijn eigen prijs kan bepalen.

    Naar de les over Marktvormen vergelijken

  44. procentuele verandering

    De verandering gedeeld door de oude waarde, maal honderd.

    Naar de les over Procenten en procentpunten

  45. gemiddelde opbrengst

    De omzet gedeeld door de afzet, dus de prijs per eenheid.

    Naar de les over Opbrengsten en de marginale opbrengst

  46. structurele groei

    Groei van de productiecapaciteit op lange termijn.

    Naar de les over Economische groei

  47. begrotingssaldo

    Het verschil tussen ontvangsten en uitgaven van de overheid over een jaar.

    Naar de les over De overheid ruilt over de tijd

  48. variabele kosten

    Kosten die meegroeien met de productie.

    Naar de les over Kosten van een onderneming

  49. staatsschuld

    Het totaal van alle openstaande schulden van de overheid op een moment.

    Naar de les over De overheid ruilt over de tijd

  50. prijsnemer

    Een aanbieder die de marktprijs moet accepteren.

    Naar de les over Marktvormen vergelijken

  51. minimumprijs

    Een door de overheid vastgestelde laagste prijs, die boven het evenwicht ligt.

    Naar de les over De overheid grijpt in op de markt

  52. inkomenselasticiteit

    De procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid gedeeld door de procentuele inkomensverandering.

    Naar de les over Inkomenselasticiteit en soorten goederen

  53. arbeidsproductiviteit

    De productie per werknemer of per gewerkt uur.

    Naar de les over Economische groei

  54. heffing

    Een belasting die de kostprijs van een product verhoogt.

    Naar de les over De overheid grijpt in op de markt

  55. dominante strategie

    Een keuze die altijd de beste is, wat de tegenspeler ook doet.

    Naar de les over Speltheorie en het gevangenendilemma

  56. basisjaar

    Het jaar waarmee je vergelijkt, en dat in een indexreeks op 100 staat.

    Naar de les over Indexcijfers en reële verandering

  57. bbp

    Het bruto binnenlands product, de waarde van alles wat er in een land in een jaar wordt geproduceerd.

    Naar de les over De economische kringloop en het bbp

  58. importtarief

    Een heffing op ingevoerde producten, waardoor die duurder worden.

    Naar de les over Internationale handel en protectie

  59. arbeidsaanbod

    De beroepsbevolking, dus iedereen die kan en wil werken.

    Naar de les over Werkloosheid verklaren

  60. prijsdiscriminatie

    Verschillende prijzen vragen voor hetzelfde product aan verschillende groepen.

    Naar de les over Prijsdiscriminatie en productdifferentiatie

  61. informele sector

    Productie die niet in het bbp wordt meegeteld, zoals vrijwilligerswerk en mantelzorg.

    Naar de les over Welvaart meten en de grenzen van het bbp

  62. secundaire inkomen

    Het inkomen na belastingen, premies, uitkeringen en toeslagen.

    Naar de les over Ongelijkheid en herverdeling

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 62 begrippen.

2 onderwerpen
12 onderwerpen
3 onderwerpen
3 onderwerpen
2 onderwerpen
3 onderwerpen
6 onderwerpen
Begin opnieuw