Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
62 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
integrale benadering
Het bepalen van de winst door de totale opbrengsten en de totale kosten te vergelijken.
-
marginale opbrengst
De verandering van de omzet door één extra verkochte eenheid.
-
producentensurplus
Het verschil tussen de marktprijs en de laagste prijs waarvoor aanbieders willen leveren.
-
collectieve aanbodlijn
De lijn die aangeeft hoeveel alle aanbieders samen willen leveren bij elke prijs.
-
anticyclisch begrotingsbeleid
Beleid dat tegen de conjunctuur ingaat, dus stimuleren in een dip en afremmen bij hoogconjunctuur.
-
productdifferentiatie
Je product net anders maken dan dat van de concurrent.
Naar de les over Prijsdiscriminatie en productdifferentiatie
-
vermogen
Het bezit min de schulden op een bepaald moment.
-
actor
Een partij met een eigen belang, zoals een consument, een producent, een werknemer of de overheid.
-
asymmetrische informatie
Een situatie waarin de ene partij meer weet dan de andere.
-
maximumprijs
Een door de overheid vastgestelde hoogste prijs, die onder het evenwicht ligt.
-
indexcijfer
Een getal dat een waarde afzet tegen het basisjaar, dat op 100 staat.
-
externe effecten
Voor- of nadelen van productie of consumptie die niet in de prijs zitten.
-
arbeidsvraag
De werkgelegenheid plus de openstaande vacatures.
-
moral hazard
Dat iemand zich minder voorzichtig gedraagt omdat hij verzekerd is.
-
sociale norm
Een ongeschreven regel die het gedrag en daarmee de opbrengsten in een spel beïnvloedt.
-
werkloosheid
Dat iemand werk zoekt en beschikbaar is maar geen baan heeft.
-
constante kosten
Kosten die gelijk blijven hoeveel er ook wordt geproduceerd.
-
marginale kosten
De kosten van één extra geproduceerde eenheid.
-
hoogconjunctuur
Een situatie van overbesteding, met lage werkloosheid en oplopende inflatie.
-
kapitaaldekkingsstelsel
Een pensioenstelsel waarin iedereen zijn eigen pot opbouwt.
-
geloofwaardige dreiging
Een dreigement dat de ander serieus neemt, omdat uitvoeren voor de dreiger niet slechter is.
-
omslagstelsel
Een pensioenstelsel waarin de werkenden van nu de uitkeringen van nu betalen.
-
subsidie
Een bijdrage van de overheid die de kostprijs of de prijs verlaagt.
-
rente
De vergoeding voor het uitlenen van geld of voor het uitstellen van consumptie.
-
primaire inkomen
Het inkomen dat je op de markt verdient, voor herverdeling.
-
volkomen concurrentie
Een markt met veel aanbieders, een homogeen goed en vrije toetreding.
-
totale kosten
De constante kosten plus de variabele kosten.
-
bestedingen
Alle uitgaven in een economie, dus consumptie, investeringen, overheidsbestedingen en export min import.
-
averechtse selectie
Dat juist de slechte risicos zich verzekeren, omdat zij meer weten dan de verzekeraar.
-
zelfbinding
Jezelf vrijwillig een keuze ontnemen om je belofte of dreiging geloofwaardig te maken.
-
verwachte schadebedrag
De kans op schade maal de hoogte van die schade.
-
groen bbp
Het bbp min de geschatte milieuschade plus de geschatte milieuverbetering.
-
omzet
De prijs maal het aantal verkochte eenheden.
-
marktfalen
Een uitkomst van de markt die maatschappelijk niet gewenst is.
-
inferieur
Dat de vraag naar een goed daalt als het inkomen stijgt.
-
opbrengstenmatrix
Een tabel met de opbrengsten van beide spelers bij elke combinatie van keuzes.
-
laagconjunctuur
Een situatie van onderbesteding, met hoge werkloosheid en afnemende inflatie.
-
quotum
Een door de overheid vastgelegde maximale hoeveelheid.
-
gevangenendilemma
Een spel waarin beide spelers hun dominante strategie kiezen en daardoor samen slechter uitkomen.
-
consumentensurplus
Het verschil tussen wat kopers wilden betalen en wat zij werkelijk betaalden.
-
prijszetter
Een aanbieder die zijn eigen prijs kan bepalen.
-
procentuele verandering
De verandering gedeeld door de oude waarde, maal honderd.
-
gemiddelde opbrengst
De omzet gedeeld door de afzet, dus de prijs per eenheid.
-
structurele groei
Groei van de productiecapaciteit op lange termijn.
-
begrotingssaldo
Het verschil tussen ontvangsten en uitgaven van de overheid over een jaar.
-
variabele kosten
Kosten die meegroeien met de productie.
-
staatsschuld
Het totaal van alle openstaande schulden van de overheid op een moment.
-
prijsnemer
Een aanbieder die de marktprijs moet accepteren.
-
minimumprijs
Een door de overheid vastgestelde laagste prijs, die boven het evenwicht ligt.
-
inkomenselasticiteit
De procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid gedeeld door de procentuele inkomensverandering.
-
arbeidsproductiviteit
De productie per werknemer of per gewerkt uur.
-
heffing
Een belasting die de kostprijs van een product verhoogt.
-
dominante strategie
Een keuze die altijd de beste is, wat de tegenspeler ook doet.
-
basisjaar
Het jaar waarmee je vergelijkt, en dat in een indexreeks op 100 staat.
-
bbp
Het bruto binnenlands product, de waarde van alles wat er in een land in een jaar wordt geproduceerd.
-
importtarief
Een heffing op ingevoerde producten, waardoor die duurder worden.
-
arbeidsaanbod
De beroepsbevolking, dus iedereen die kan en wil werken.
-
prijsdiscriminatie
Verschillende prijzen vragen voor hetzelfde product aan verschillende groepen.
Naar de les over Prijsdiscriminatie en productdifferentiatie
-
informele sector
Productie die niet in het bbp wordt meegeteld, zoals vrijwilligerswerk en mantelzorg.
-
secundaire inkomen
Het inkomen na belastingen, premies, uitkeringen en toeslagen.