Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
40 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
prijszetter
Een aanbieder die zijn eigen prijs kan bepalen.
-
dominante strategie
Een keuze die altijd de beste is, wat de tegenspeler ook doet.
-
bestedingen
Alle uitgaven in een economie, dus consumptie, investeringen, overheidsbestedingen en export min import.
-
marktfalen
Een uitkomst van de markt die maatschappelijk niet gewenst is.
-
geloofwaardige dreiging
Een dreigement dat de ander serieus neemt, omdat uitvoeren voor de dreiger niet slechter is.
-
gevangenendilemma
Een spel waarin beide spelers hun dominante strategie kiezen en daardoor samen slechter uitkomen.
-
importtarief
Een heffing op ingevoerde producten, waardoor die duurder worden.
-
volkomen concurrentie
Een markt met veel aanbieders, een homogeen goed en vrije toetreding.
-
collectieve aanbodlijn
De lijn die aangeeft hoeveel alle aanbieders samen willen leveren bij elke prijs.
-
producentensurplus
Het verschil tussen de marktprijs en de laagste prijs waarvoor aanbieders willen leveren.
-
basisjaar
Het jaar waarmee je vergelijkt, en dat in een indexreeks op 100 staat.
-
informele sector
Productie die niet in het bbp wordt meegeteld, zoals vrijwilligerswerk en mantelzorg.
-
secundaire inkomen
Het inkomen na belastingen, premies, uitkeringen en toeslagen.
-
gemiddelde opbrengst
De omzet gedeeld door de afzet, dus de prijs per eenheid.
-
verwachte schadebedrag
De kans op schade maal de hoogte van die schade.
-
prijsnemer
Een aanbieder die de marktprijs moet accepteren.
-
inferieur
Dat de vraag naar een goed daalt als het inkomen stijgt.
-
marginale opbrengst
De verandering van de omzet door één extra verkochte eenheid.
-
bbp
Het bruto binnenlands product, de waarde van alles wat er in een land in een jaar wordt geproduceerd.
-
structurele groei
Groei van de productiecapaciteit op lange termijn.
-
sociale norm
Een ongeschreven regel die het gedrag en daarmee de opbrengsten in een spel beïnvloedt.
-
moral hazard
Dat iemand zich minder voorzichtig gedraagt omdat hij verzekerd is.
-
werkloosheid
Dat iemand werk zoekt en beschikbaar is maar geen baan heeft.
-
asymmetrische informatie
Een situatie waarin de ene partij meer weet dan de andere.
-
groen bbp
Het bbp min de geschatte milieuschade plus de geschatte milieuverbetering.
-
maximumprijs
Een door de overheid vastgestelde hoogste prijs, die onder het evenwicht ligt.
-
zelfbinding
Jezelf vrijwillig een keuze ontnemen om je belofte of dreiging geloofwaardig te maken.
-
begrotingssaldo
Het verschil tussen ontvangsten en uitgaven van de overheid over een jaar.
-
staatsschuld
Het totaal van alle openstaande schulden van de overheid op een moment.
-
arbeidsaanbod
De beroepsbevolking, dus iedereen die kan en wil werken.
-
rente
De vergoeding voor het uitlenen van geld of voor het uitstellen van consumptie.
-
subsidie
Een bijdrage van de overheid die de kostprijs of de prijs verlaagt.
-
consumentensurplus
Het verschil tussen wat kopers wilden betalen en wat zij werkelijk betaalden.
-
primaire inkomen
Het inkomen dat je op de markt verdient, voor herverdeling.
-
omzet
De prijs maal het aantal verkochte eenheden.
-
arbeidsvraag
De werkgelegenheid plus de openstaande vacatures.
-
constante kosten
Kosten die gelijk blijven hoeveel er ook wordt geproduceerd.
-
kapitaaldekkingsstelsel
Een pensioenstelsel waarin iedereen zijn eigen pot opbouwt.