Begrippenlijst
havo84 begrippen die je bij Geschiedenis op havo moet kennen, elk met een paar zinnen uitleg. Staat er een les bij, dan wordt het begrip daar gebruikt en geoefend.
A 6
- aanleiding A6
- De gebeurtenis die de zaak in gang zet. Zonder structurele oorzaken had die gebeurtenis weinig losgemaakt. Naar de les
- abolitionisme B7
- De beweging die de afschaffing van de slavenhandel en de slavernij nastreefde. Naar de les
- absolutisme B6
- Het streven van een vorst naar onbeperkte macht, zonder standen of parlement die hem tegenhouden. Naar de les
- algemeen kiesrecht D
- Het recht van alle volwassen burgers om te stemmen, in Nederland in stappen bereikt na politieke strijd. Naar de les
- anachronisme A7
- Het beoordelen of beschrijven van het verleden met begrippen of maatstaven die toen nog niet bestonden. Naar de les
- ancien regime B7
- De oude orde van vorst, adel en geestelijkheid met hun voorrechten, zoals die voor de revoluties bestond. Naar de les
B 3
- betrouwbaarheid A5
- De vraag voor welk doel je de inhoud van een bron kunt gebruiken. Een bron is niet betrouwbaar of onbetrouwbaar maar bruikbaar voor een bepaalde vraag. Naar de les
- bezetting B9
- De situatie waarin een vreemde mogendheid het gezag in een land uitoefent, zoals Duitsland in Nederland deed. Naar de les
- breukpunt A4
- Een moment waarop tijdgenoten zelf merkten dat de situatie wezenlijk veranderde, in tegenstelling tot een jaartal dat wij achteraf handig vinden. Naar de les
C 6
- centralisatie B4
- Het samenbrengen van bestuur en macht bij een centraal gezag, in plaats van verspreid over lokale heren. Naar de les
- collaboratie B9
- Het samenwerken met de bezetter, van meegaan in de uitvoering van maatregelen tot actieve steun. Naar de les
- communisme B9
- De ideologie die de productiemiddelen in gemeenschappelijke handen wil brengen en in de praktijk een totalitaire partijstaat opleverde. Naar de les
- confessionalisme B8
- De stroming die het geloof als grondslag voor politiek handelen neemt en zich organiseert in eigen partijen en verenigingen. Naar de les
- continuiteit A4
- Wat er ondanks veranderingen hetzelfde blijft. Een goed antwoord over verandering noemt die continuiteit erbij. Naar de les
- crisis van het wereldkapitalisme B9
- De wereldwijde economische instorting met massale werkloosheid die het vertrouwen in bestaande partijen ondermijnde. Naar de les
D 2
- dekolonisatie B10
- Het proces waarin kolonien onafhankelijke staten worden en de westerse hegemonie in de wereld eindigt. Naar de les
- democratisering B8
- Het proces waarin steeds meer mannen en vrouwen gaan deelnemen aan het politieke proces. Naar de les
E 3
- eeuw A1
- Een periode van honderd jaar. Het eeuwnummer is het aantal volle honderdtallen plus een, behalve bij een rond honderdtal. Naar de les
- emancipatiebeweging B8
- Een beweging die gelijke rechten eist voor een groep die achtergesteld is. Naar de les
- Europese eenwording B10
- De samenwerking tussen Europese landen die begon als economische samenwerking en uitgroeide tot een politieke unie. Naar de les
F 3
- fascisme B9
- De ideologie die natie en leider centraal stelt, tegenstanders uitschakelt en de samenleving van bovenaf ordent. Naar de les
- feminisme B8
- De beweging die gelijke rechten voor vrouwen eist, te beginnen bij onderwijs, arbeid en kiesrecht. Naar de les
- feodale verhoudingen B3
- Bestuur als keten van persoonlijke afspraken, waarin een heer een leen geeft aan een vazal in ruil voor trouw en militaire dienst. Naar de les
G 3
- genocide B9
- Het stelselmatig vernietigen van een bevolkingsgroep om wie zij is. In dit tijdvak gaat het in het bijzonder om de vervolging van de joden. Naar de les
- grondrecht B7
- Een recht van burgers dat in een grondwet is vastgelegd en dat de macht van de overheid begrenst. Naar de les
- grondwet D
- De wet die de inrichting van de staat en de rechten van burgers vastlegt en boven andere wetten staat. Naar de les
H 4
- handelskapitalisme B6
- Een economie waarin winst uit handel over lange afstand wordt herbelegd, met compagnieen die wereldwijd opereren. Naar de les
- hofstelsel B3
- De manier waarop een landgoed draaide, met een heer en horigen die arbeid en een deel van de oogst leverden in ruil voor grond en bescherming. Naar de les
- horigheid B3
- De positie van een boer die niet vrij is om te vertrekken en verplichtingen heeft tegenover zijn heer. Naar de les
- humanisme B5
- Een denkrichting binnen de renaissance die de mens en zijn mogelijkheden centraal stelt en klassieke teksten opnieuw bestudeert. Naar de les
I 2
- imperium B2
- Een rijk dat grote gebieden en volken onder een bestuur brengt, zoals het Romeinse. Naar de les
- industriele revolutie B8
- De overgang naar productie met machines in fabrieken, die de basis legde voor een industriele samenleving. Naar de les
J 2
- jaartelling A1
- De afspraak vanaf welk jaar je telt. Onze westers-christelijke jaartelling is er een van, en andere culturen gebruiken een ander beginpunt. Naar de les
- jagers-verzamelaars B1
- Mensen die rondtrekken met de seizoenen mee en leven van jagen en verzamelen, in kleine groepen met weinig bezit. Naar de les
K 3
- kenmerkend aspect A2
- Een eigenschap die typisch is voor een tijdvak. Bij elk aspect hoort een voorbeeld en een uitleg waarom dat voorbeeld erbij past. Naar de les
- klassieke vormentaal B2
- De manier van bouwen en beeldhouwen uit de Grieks-Romeinse wereld, met zuilen en vaste verhoudingen, die in Europa steeds opnieuw is nagevolgd. Naar de les
- Koude Oorlog B10
- De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken met een wapenwedloop en de dreiging van een atoomoorlog. Naar de les
L 4
- landbouwsamenleving B1
- Een samenleving waarin mensen op een plek blijven en voedsel verbouwen, waardoor een overschot en bezit ontstaan. Naar de les
- lange lijn C
- Een ontwikkeling die je door meerdere tijdvakken heen volgt, met per tijdvak een situatie en daartussen een verband. Naar de les
- leen B3
- Grond of een recht dat een heer aan een vazal geeft in ruil voor trouw en dienst. Naar de les
- liberalisme B8
- De stroming die vrijheid van het individu centraal stelt en een terughoudende overheid wil. Naar de les
M 6
- massaorganisatie B9
- Het organiseren van grote groepen mensen in verenigingen en bewegingen die aan een partij of staat verbonden zijn. Naar de les
- Middeleeuwen A3
- De periode van ongeveer 500 tot 1500, tijdvak 3 en 4. De naam is later in Europa bedacht en past op de Europese geschiedenis. Naar de les
- ministeriele verantwoordelijkheid D
- De regel dat ministers verantwoording afleggen aan het parlement en niet de vorst. Naar de les
- modern imperialisme B8
- De vorm van koloniale overheersing die samenhing met de industrialisatie en gericht was op grondstoffen, afzetmarkten en prestige. Naar de les
- Moderne Tijd A3
- De periode vanaf 1800, tijdvak 8 tot en met 10. Naar de les
- monotheisme B2
- Het geloof in een enkele god. Jodendom en christendom zijn in dit tijdvak de eerste godsdiensten met die opzet. Naar de les
N 1
- nationalisme B8
- De stroming die de eigen natie centraal stelt. Zij kan mensen verbinden en tegelijk anderen uitsluiten. Naar de les
O 3
- onbedoeld gevolg A6
- Een uitkomst die niemand beoogde, soms het tegenovergestelde van wat een maatregel wilde bereiken. Naar de les
- Oudheid A3
- De periode van Griekenland en Rome, in deze indeling tijdvak 2. Naar de les
- overzeese expansie B5
- Het uitvaren van Europese landen naar andere werelddelen, waarmee de basis voor koloniale rijken wordt gelegd. Naar de les
P 8
- parlementaire democratie D
- Een stelsel waarin gekozen vertegenwoordigers de regering controleren en wetten vaststellen. Naar de les
- periodisering A3
- Het indelen van de geschiedenis in perioden. Die indeling is achteraf gemaakt en daarmee altijd een keuze. Naar de les
- plantagekolonie B7
- Een kolonie die draait op grootschalige landbouw voor de export, met dwangarbeid en slavernij als arbeidsvorm. Naar de les
- pluriforme samenleving B10
- Een samenleving waarin verschillende groepen met eigen opvattingen en gewoonten naast elkaar leven. Naar de les
- Prehistorie A3
- De tijd waaruit geen geschreven bronnen bestaan, in deze indeling tijdvak 1. Naar de les
- primaat B4
- De vraag wie de hoogste macht heeft, de wereldlijke of de geestelijke. Het conflict daarover draait om benoemingen en gezag. Naar de les
- primaire bron A5
- Een bron die uit de tijd zelf komt, gemaakt door iemand die erbij was. Naar de les
- propaganda B9
- Het gericht verspreiden van boodschappen om meningen en gedrag te sturen, op grote schaal mogelijk door radio, film en massabijeenkomsten. Naar de les
R 5
- rechtsstaat D
- Een staat die de macht aan regels bindt en rechten van burgers beschermt, met onafhankelijke rechters. Naar de les
- reformatie B5
- De beweging die begon als kritiek op de kerk en leidde tot een blijvende splitsing tussen katholiek en protestant in West-Europa. Naar de les
- regent B6
- Een lid van de bestuurlijke bovenlaag in de Nederlandse Republiek, die zijn positie ontleende aan stedelijke ambten en niet aan adel. Naar de les
- renaissance B5
- De beweging die de mens centraal stelt en terugkijkt naar de klassieke Oudheid, met een nieuwe wetenschappelijke belangstelling. Naar de les
- representativiteit A5
- De vraag of een bron geldt voor een hele groep of alleen voor de maker. Een dagboek zegt iets over een persoon, niet vanzelf over iedereen. Naar de les
S 8
- secundaire bron A5
- Een bron die later over die tijd is gemaakt, bijvoorbeeld een boek van een historicus. Naar de les
- sociale kwestie B8
- De discussie over de armoede en de werkomstandigheden van arbeiders die bij de industrialisatie hoorden. Naar de les
- socialisme B8
- De stroming die wil dat de overheid ingrijpt om de positie van arbeiders te verbeteren. Naar de les
- staatsvorming B4
- Het proces waarin een vorst vaste belastingen, eigen ambtenaren en eigen recht in handen krijgt. Naar de les
- stadstaat B2
- Een stad die tegelijk een zelfstandige staat is, zoals in het Griekenland van de Oudheid. Naar de les
- standplaatsgebondenheid A7
- Dat iemand oordeelt vanuit de tijd, plaats en positie waarin hij staat. Dat geldt voor mensen uit het verleden en net zo goed voor jou. Naar de les
- stedelijke burgerij B4
- De groep stadsbewoners die niet bij de adel of de geestelijkheid hoort en haar positie ontleent aan handel en ambacht. Naar de les
- structurele oorzaak A6
- Een oorzaak die jaren of decennia doorwerkt, zoals economische verhoudingen of een politiek stelsel dat niet meer past. Naar de les
T 3
- thema C
- Een onderwerp dat je door de tijdvakken heen onderzoekt, zoals de positie van een groep of de rol van een instelling. Naar de les
- tijdvak A2
- Een van de tien perioden waarin het examenprogramma de geschiedenis indeelt, elk met een naam, een tijdsgrens en kenmerkende aspecten. Naar de les
- totalitair B9
- Een staat waarin de partij niet alleen het bestuur beheerst maar ook pers, onderwijs, vrije tijd en gezin. Naar de les
V 5
- verlicht absolutisme B7
- Bestuur waarin een vorst verlichte hervormingen doorvoert maar de macht zelf volledig behoudt. Naar de les
- Verlichting B7
- De beweging die rede en kritiek toepaste op godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen. Naar de les
- verzet B9
- Handelen tegen de bezetter, van illegale bladen en valse papieren tot onderduik en gewapende actie. Naar de les
- voedseloverschot B1
- Meer voedsel dan de producenten zelf nodig hebben. Dat maakt beroepen buiten de landbouw mogelijk. Naar de les
- Vroegmoderne Tijd A3
- De periode van 1500 tot 1800, tijdvak 5 tot en met 7. Naar de les
W 3
- waardepatroon A7
- Het geheel van wat een groep normaal, wenselijk of verwerpelijk vindt. Verschillen in oordeel komen vaak hieruit voort. Naar de les
- wapenwedloop B10
- Het over en weer uitbreiden van bewapening, waarbij elke kant reageert op wat de ander doet. Naar de les
- wetenschappelijke revolutie B6
- De verschuiving van gezag van oude teksten naar waarneming en experiment als bron van kennis. Naar de les
Z 1
- zelfvoorzienend B3
- Een economie waarin een gemeenschap vrijwel alles zelf maakt wat zij nodig heeft, met weinig handel over afstand. Naar de les
Geen begrip gevonden. Probeer een ander woord.