Naar de inhoud
Inloggen

Geschiedenis havo

De tien tijdvakken op een rij

Ongeveer 10 minuten. Tien namen en tien tijdsgrenzen. Daar hangt de rest van het vak aan.

De tien tijdvakken zijn je rekenlat. Elk tijdvak heeft een naam, een tijdsgrens en een paar kenmerkende aspecten, en bij elke vraag zoek je eerst in welk tijdvak de bron of de gebeurtenis thuishoort.

De reeks van voor naar achter

De eerste vier tijdvakken lopen van de prehistorie tot 1500. Jagers en boeren tot 3000 voor Christus, Grieken en Romeinen tot 500, monniken en ridders van 500 tot 1000, en steden en staten van 1000 tot 1500.

Vanaf tijdvak 5 valt elk tijdvak samen met een eeuw. Ontdekkers en hervormers in de zestiende eeuw, regenten en vorsten in de zeventiende, pruiken en revoluties in de achttiende en burgers en stoommachines in de negentiende.

De laatste twee delen de twintigste eeuw. De tijd van de wereldoorlogen loopt van 1900 tot 1950 en de tijd van televisie en computer vanaf 1950.

Voor het centraal examen op havo gaat het over de tijdvakken 5 tot en met 10. De eerste vier komen op het schoolexamen terug, maar je hebt ze wel nodig om de lijn te zien.

De tijdbalk met tien vakken

123456789geel is het centraal examen op havotijdvak 10 loopt rechts door, vanaf 1950vanaf tijdvak 5 is elk tijdvak een eeuw

De eerste vier zijn ongelijk lang, daarna is het per eeuw.

Zo plaats je een bron in de tijd

1

Zoek een jaartal of een aanwijzing

Een jaartal, een naam, een gebeurtenis of een voorwerp dat je kunt dateren.

2

Bepaal de eeuw

Het jaar 1568 hoort bij de zestiende eeuw, want de eeuw is het honderdtal plus een.

3

Zet de eeuw om in een tijdvak

Vanaf tijdvak 5 is dat rechtstreeks. De zestiende eeuw is tijdvak 5, de zeventiende tijdvak 6.

4

Noem het tijdvak bij naam

In een examenantwoord gebruik je de naam en het nummer, want dat is de taal van de vraag.

De fout die bijna iedereen maakt

Bij welk tijdvak hoort het jaar 1568?

tijdvak 6, want 15 plus een is 16 en dat is de zestiende eeuwhalf

De eeuw klopt wel, het tijdvaknummer niet. Tijdvak 5 is de zestiende eeuw, tijdvak 6 de zeventiende. Het nummer loopt dus een achter op het eeuwnummer, en dat is precies waar deze fout vandaan komt.

Van eeuw naar tijdvak scheelt er een

Vanaf tijdvak 5 geldt dat het tijdvaknummer altijd elf minder is dan het eeuwnummer. De zestiende eeuw is tijdvak 5, de twintigste eeuw is tijdvak 9 en 10. Reken dat een keer na en je hoeft nooit meer te twijfelen.

De tien tijdvakken op een rij

Check jezelf

Welk tijdvak is de tijd van steden en staten?

Tijdvak 4 loopt van 1000 tot 1500 en heet de tijd van steden en staten.

Tot welk tijdvak loopt het centraal examen op havo?

Op havo gaat het centraal examen over de tijdvakken 5 tot en met 10.

Bij welk tijdvak hoort het jaar 1648?

Dat is de zeventiende eeuw, de tijd van regenten en vorsten.

Wat hoort er bij elk tijdvak?

Die drie samen maken het tijdvak bruikbaar als referentiekader.

In jouw boek

Er zijn nog geen methodes ingesteld voor dit vak.

De begrippen uit deze les

kenmerkend aspect
Een eigenschap die typisch is voor een tijdvak. Bij elk aspect hoort een voorbeeld en een uitleg waarom dat voorbeeld erbij past.
tijdvak
Een van de tien perioden waarin het examenprogramma de geschiedenis indeelt, elk met een naam, een tijdsgrens en kenmerkende aspecten.

Overhoor deze begrippenAlle begrippen van dit vak

In het examen

De examens staan op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens. Wij nemen er niets uit over, je opent ze daar.

Vakinhoudelijk gecontroleerd door Jasper Mulders op 28-10-2026.

En nu?

Alle onderwerpen Ander vak