Naar de inhoud
Inloggen

Biologie vwo

Begrippenlijst

vwo

143 begrippen die je bij Biologie op vwo moet kennen, elk met een paar zinnen uitleg. Staat er een les bij, dan wordt het begrip daar gebruikt en geoefend.

A 20

aangeboren gedrag D3
Gedrag dat er van begin af aan is en niet geleerd hoeft te worden, zoals zuigen bij een baby. Het ligt vast en gaat snel. Naar de les
aangeleerd gedrag D3
Gedrag dat verandert door ervaring. Het kost tijd om te leren, maar past zich aan nieuwe omstandigheden aan. Naar de les
aanpassing A13
Een kenmerk dat een organisme beter laat passen bij zijn omgeving. Let op: een individu past zich niet aan, een populatie verandert over generaties. Naar de les
abiotische factor C3
Een invloed uit de niet-levende omgeving: temperatuur, licht, water, bodem, zuurgraad. Naar de les
accommodatie B7
Het scherpstellen van je oog door de lens boller of platter te maken. Voor dichtbij spant de kringspier aan en wordt de lens bol. Naar de les
actief transport B2
Een stof juist tegen de stroom in door een membraan duwen, van weinig naar veel. Dat kost de cel energie en gebeurt met eiwitten in het membraan. Naar de les
actieve immuniteit B5
Bescherming die je zelf opbouwt, doordat je de ziekte had of een prik kreeg. Er blijven geheugencellen achter, dus het gaat lang mee. Naar de les
adaptieve radiatie F2
Het uitwaaieren van één soort in veel nieuwe soorten die elk een eigen leefwijze krijgen, zoals bij eilanden met lege niches. Naar de les
ader B3
Een bloedvat dat naar het hart toe gaat. Aders hebben kleppen, want de druk is er laag. Naar de les
aerobe dissimilatie B2
Verbranding met zuurstof, in de mitochondriën. Levert veel ATP per glucose op; zonder zuurstof valt de cel terug op gisting en houdt veel minder over. Naar de les
afweer B5
Alles wat je lichaam doet om ziekteverwekkers buiten te houden en op te ruimen. De niet-specifieke afweer werkt tegen alles, de specifieke afweer werkt op maat. Naar de les
allel E3
Een van de varianten van een gen. Je hebt er twee van, één van elke ouder, en samen bepalen ze het kenmerk. Naar de les
allelfrequentie F1
Hoe vaak een allel in een populatie voorkomt, als deel van het totaal. Evolutie is op de lange termijn een verschuiving van allelfrequenties. Naar de les
analogie F2
Overeenkomst in functie zonder gemeenschappelijke afkomst, zoals de vleugel van een insect en die van een vogel. Daarmee bewijs je geen verwantschap. Naar de les
antagonist B6
Een spier die de beweging van een andere spier terugdraait. Spieren kunnen alleen trekken, dus ze werken altijd in paren. Naar de les
antigeen B5
Een stof op het oppervlak van een indringer die je afweer herkent als vreemd. Op dat antigeen wordt de antistof gemaakt. Naar de les
antistof B5
Een eiwit dat precies op het oppervlak van één ziekteverwekker past en hem onschadelijk maakt of markeert voor opruiming. Naar de les
apoptose C1
Geprogrammeerde celdood: een cel ruimt zichzelf netjes op als hij beschadigd is of niet meer nodig. Raakt dat ontregeld, dan kan ongeremde deling ontstaan. Naar de les
assimilatie B2
Opbouwen: van kleine bouwstenen grote moleculen maken. Dat kost energie. Fotosynthese en eiwitsynthese zijn vormen van assimilatie. Naar de les
ATP B2
Het molecuul waarin een cel energie verhandelt. Dissimilatie levert het op, en elk proces dat energie kost betaalt ermee. Naar de les

B 8

beargumenteerd oordeel A9
Een oordeel waarbij je wetenschappelijke argumenten, maatschappelijke normen en persoonlijke opvattingen uit elkaar houdt. Dat onderscheid is zelf het antwoord op veel vragen. Naar de les
betrouwbaar A5
Of je bij herhaling hetzelfde uitkomt. Je verhoogt het door vaker te meten en met meer proefdieren of proefpersonen te werken. Naar de les
bevruchting E3
Het samensmelten van een eicel en een zaadcel tot één cel met een compleet stel chromosomen. Naar de les
biodiversiteit F3
De verscheidenheid aan leven, op drie niveaus: verschillen binnen een soort, het aantal soorten, en het aantal ecosystemen. Naar de les
biologische tekening A2
Een tekening met potlood, enkele lijnen, een titel en de vergroting erbij. Je tekent wat je ziet en niet wat je verwacht te zien. Naar de les
biotische factor C3
Een invloed die van levende wezens komt: voedsel, roofdieren, concurrentie, ziekte. Naar de les
bladgroenkorrel B3
Het onderdeel in plantencellen waar fotosynthese gebeurt. Het bladgroen erin vangt het licht op. Naar de les
bronkritiek A1
Nagaan wie een bron gemaakt heeft, waarop die berust en of hij bij jouw vraag past. Een onderzoek in een vaktijdschrift weegt zwaarder dan een bericht zonder meting erachter. Naar de les

C 12

cel A14
De kleinste eenheid die leeft. Een cel heeft een celmembraan, cytoplasma en bij planten ook een celwand. Alles wat een organisme doet, gebeurt uiteindelijk in cellen. Naar de les
celcommunicatie D2
Het doorgeven van signalen tussen cellen, met signaalstoffen en receptoren. Zo stemmen cellen hun werk op elkaar af, van een hormoon in je bloed tot een prikkel tussen twee zenuwcellen. Naar de les
celdifferentiatie C1
Het proces waarbij een cel zich specialiseert tot bijvoorbeeld spiercel of zenuwcel. Daarna kan hij meestal niet meer terug. Naar de les
celkern B1
Het deel van de cel waarin het DNA ligt. Daar wordt afgelezen welk eiwit er gemaakt moet worden. Naar de les
celmembraan B2
Het laagje om de cel dat bepaalt wat er in en uit mag. Het is selectief doorlaatbaar: kleine en vetachtige stoffen gaan er makkelijk door, grote en geladen niet zomaar. Naar de les
chromosoom E2
Een opgerolde streng DNA. Een mens heeft 46 chromosomen: 23 paren, waarvan één paar de geslachtschromosomen. Naar de les
codon B1
Een groepje van drie basen in het mRNA dat voor één aminozuur staat. Er zijn meer codons dan aminozuren, dus sommige verschillen maken niets uit. Naar de les
consument D5
Een organisme dat andere organismen eet. Een planteneter is eerste orde, wie die planteneter eet is tweede orde. Naar de les
context A16
De situatie waarin een vraag is verpakt: een ziekenhuis, een natuurgebied, een sportveld. Je haalt er het biologische concept uit en vertaalt je antwoord terug naar die situatie. Naar de les
controlegroep A5
De groep waarbij je de behandeling juist weglaat, met al het andere hetzelfde. Zonder controlegroep weet je niet waardoor je resultaat komt. Naar de les
convergente evolutie F2
Dat niet-verwante soorten op elkaar gaan lijken doordat ze dezelfde selectiedruk ondergaan, zoals de vinvorm bij een haai en een dolfijn. Naar de les
crossing-over E2
Het uitwisselen van stukken tussen twee chromosomen van een paar tijdens de meiose. Dit levert samen met de willekeurige verdeling van de paren de variatie in geslachtscellen. Naar de les

D 10

denatureren B2
Het verliezen van de vorm van een eiwit door hitte, zuur of zout, waardoor het niet meer werkt. Een gekookt ei komt niet meer terug. Naar de les
diffusie B2
Het vanzelf verspreiden van deeltjes van een plek met veel naar een plek met weinig. Zo komt zuurstof van de longblaasjes in je bloed; er is geen energie voor nodig. Naar de les
diploïd E2
Met chromosomen in paren, dus twee van elke soort. Lichaamscellen zijn diploïd. Naar de les
dissimilatie B2
Afbreken om aan energie te komen, meestal glucose met zuurstof. Dat gebeurt dag en nacht in elke cel, ook bij planten. Naar de les
DNA B1
Het molecuul waarin de erfelijke informatie staat, in de volgorde van vier basen. De twee strengen passen op elkaar, en dat maakt kopiëren mogelijk. Naar de les
DNA-replicatie E1
Het kopiëren van DNA voor een celdeling. De dubbele helix gaat open en bij elke streng wordt een nieuwe passende streng gemaakt, dus elke kopie bevat een oude helft. Naar de les
dominant E3
Een allel dat het kenmerk laat zien ook als er maar één van is. Het overstemt het andere allel. Naar de les
draagkracht C3
Het aantal individuen van een soort dat een gebied kan onderhouden. Boven die grens daalt de populatie weer, door voedselgebrek of ziekte. Naar de les
duurzaamheid A12
Gebruiken zonder uit te putten, zodat het ook later nog kan. In de biologie gaat het vaak over de vraag of een gebruik binnen de draagkracht blijft. Naar de les
dynamisch evenwicht C3
Een toestand waarin aantallen schommelen rond een waarde zonder weg te lopen. Er gebeurt van alles, maar het geheel blijft overeind. Naar de les

E 4

ecosysteem C3
Alle organismen in een gebied samen met hun omgeving, en alles wat daartussen gebeurt. Een ecosysteem heeft geen scherpe grens; je kiest hem zelf bij je vraag. Naar de les
eiwitsynthese B1
Het maken van een eiwit naar het voorbeeld van een gen: eerst wordt het gen overgeschreven in RNA, daarna wordt dat RNA buiten de kern vertaald in een rij aminozuren. Naar de les
energiestroom D5
De weg die energie door een ecosysteem aflegt, van licht via producenten naar consumenten. Bij elke stap gaat het meeste verloren als warmte; daarom is er geen lange keten. Naar de les
enzym B2
Een eiwit dat een reactie in een cel versnelt zonder zelf op te raken. Elk enzym past maar op een bepaalde stof, en bij te hoge temperatuur of de verkeerde pH verliest het zijn vorm en daarmee zijn werking. Naar de les

F 2

fenotype E3
Wat je aan een organisme kunt waarnemen. Het fenotype hangt af van het genotype én van de omgeving. Naar de les
fotosynthese B3
Het proces waarbij een plant met licht als energiebron glucose maakt uit koolstofdioxide en water. De zuurstof die overblijft gaat naar buiten. Naar de les

G 12

gedrag D3
Alles wat een organisme waarneembaar doet. Je legt het uit met de vraag hoe het werkt én met de vraag waar het goed voor is; dat zijn twee verschillende antwoorden. Naar de les
geheugencel B5
Een afweercel die na een besmetting of een prik blijft bestaan. Daardoor gaat de tweede reactie in uren in plaats van dagen. Naar de les
gen D1
Een stuk DNA met de code voor één eiwit of kenmerk. Een organisme heeft duizenden genen, maar in een cel staat lang niet alles aan. Naar de les
genderidentiteit D4
Het geslacht waarin iemand zich herkent. Dat hoeft niet samen te vallen met het geslacht dat bij de geboorte is vastgesteld. Naar de les
genenpoel F2
Alle allelen die in een populatie voorkomen. Evolutie is op de lange termijn een verschuiving in die genenpoel. Naar de les
genetische drift F1
Toevallige verschuiving van allelfrequenties, vooral in een kleine populatie. Hier is geen selectie voor nodig; het is puur kans. Naar de les
genexpressie D1
Of een gen in een cel aan of uit staat. Alle cellen van een organisme hebben hetzelfde DNA; wat ze van elkaar laat verschillen is welke genen er worden afgelezen. Naar de les
genotype E3
De allelen die iemand heeft, dus wat er in het DNA staat. Dat is iets anders dan wat je ziet. Naar de les
genregulatie D1
Het aan- en uitzetten van genen door eiwitten die aan het DNA binden. Hiermee bepaalt een cel welke eiwitten hij maakt, en dus wat voor cel hij is. Naar de les
gisting B2
Dissimilatie zonder zuurstof. Het levert veel minder energie op dan verbranding, en er blijft melkzuur of alcohol over. Naar de les
glucagon B4
Het hormoon dat je bloedsuiker verhoogt door de lever glycogeen te laten afbreken tot glucose. Het is de tegenpool van insuline. Naar de les
glycogeen B4
De opslagvorm van glucose bij dieren, vooral in de lever en de spieren. Bij planten is zetmeel de opslagvorm. Naar de les

H 8

haarvat B3
Het dunste bloedvat, één cel dik. Alleen hier worden stoffen afgeleverd bij de cellen en afvalstoffen opgehaald. Naar de les
haploïd E2
Met één chromosoom van elke soort. Geslachtscellen zijn haploïd, zodat er na de bevruchting weer een compleet stel ontstaat. Naar de les
heterozygoot E3
Met twee verschillende allelen. Bij een recessieve aandoening heet zo iemand drager: zelf niets te merken, wel door te geven. Naar de les
homeostase B4
Het constant houden van de omstandigheden in je lichaam, zoals temperatuur, bloedsuiker en zuurgraad. Dat gaat met meten, vergelijken en bijsturen. Naar de les
homologie F2
Overeenkomst in bouw door gemeenschappelijke afstamming, ook als de functie verschilt. De vleugel van een vleermuis en jouw arm hebben dezelfde botten. Naar de les
homozygoot E3
Met twee dezelfde allelen voor een kenmerk. Iemand met een recessieve aandoening is altijd homozygoot. Naar de les
hormoon B4
Een stof die door een klier aan het bloed wordt afgegeven en ergens anders in het lichaam iets in gang zet. Hormonen werken traag maar bereiken alles tegelijk. Naar de les
hypothese A5
Een verwachting die je vooraf opschrijft en die te toetsen is. Hij moet onjuist kunnen blijken, anders valt er niets mee te onderzoeken. Naar de les

I 3

indicatorsoort A12
Een soort die alleen voorkomt onder bepaalde omstandigheden. Vind je hem, dan weet je iets over het water of de bodem zonder te meten. Naar de les
insuline B4
Het hormoon dat je bloedsuiker verlaagt: glucose gaat de cellen in en de lever slaat het overschot op als glycogeen. Naar de les
isolatie F2
Het gescheiden raken van populaties, door een rivier, een gebergte of een verschil in paartijd. Zonder uitwisseling van genen kunnen ze uit elkaar groeien. Naar de les

K 2

kringloop B8
De weg die stoffen in een ecosysteem steeds opnieuw afleggen, zoals koolstof en stikstof. Stoffen gaan rond, energie gaat er doorheen en verdwijnt. Naar de les
kruisingsschema E3
Een schema waarin je de geslachtscellen van beide ouders tegen elkaar uitzet, zodat je ziet welke genotypen de kinderen kunnen krijgen en in welke verhouding. Naar de les

L 2

leerdoel A3
In één zin wat je nog niet kunt, bijvoorbeeld: ik haal mitose en meiose door elkaar. Dat is bruikbaarder dan de constatering dat iets fout ging. Naar de les
levenscyclus C2
De vaste reeks fasen die een soort doorloopt, van bevruchting tot volwassen en weer voortplanten. Per soort ligt de nadruk ergens anders. Naar de les

M 6

meiose E2
De deling die geslachtscellen maakt. Het aantal chromosomen wordt gehalveerd en de paren worden door elkaar gehusseld, dus elke geslachtscel is anders. Naar de les
microscoop A8
Een instrument dat een klein preparaat vergroot. De totale vergroting is die van het oculair keer die van het objectief. Naar de les
mitochondrion B2
Het onderdeel waar de verbranding plaatsvindt. Hier wordt glucose met zuurstof omgezet en komt de energie vrij waar de cel op draait. Naar de les
mitose E2
De gewone celdeling, waarbij twee cellen ontstaan met precies hetzelfde DNA. Dit is de deling voor groei en herstel. Naar de les
model A7
Een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid om iets uit te leggen of te voorspellen. Elk model laat iets weg; de vraag is of dat voor jouw vraag uitmaakt. Naar de les
mutatie F1
Een verandering in het DNA. De meeste doen niets, sommige zijn schadelijk, en een enkele levert iets op waar selectie mee verder kan. Naar de les

N 5

natuurlijke selectie F1
Het proces waarbij individuen die beter passen bij hun omgeving meer nakomelingen krijgen. Je legt het uit in vier stappen: variatie, selectiedruk, overleven en voortplanten, en doorgeven. Naar de les
negatieve terugkoppeling B4
Een regeling waarbij het antwoord de verstoring tegengaat en zichzelf daarmee uitzet. Bijna alle regelsystemen in je lichaam werken zo. Naar de les
nettoprimaire productie B8
De hoeveelheid biomassa die producenten overhouden na hun eigen verbranding. Dit is wat er voor de rest van het voedselweb beschikbaar is. Naar de les
netvlies B7
De binnenkant van je oog waar de staafjes en kegeltjes zitten. Staafjes zien licht en donker, kegeltjes zien kleur. Naar de les
niche D5
De plaats van een soort in een ecosysteem: wat hij eet, waar hij leeft en met wie hij concurreert. Twee soorten met precies dezelfde niche kunnen niet naast elkaar blijven bestaan. Naar de les

O 8

onafhankelijke variabele A5
Wat jij in een proef zelf instelt. Wat je daarna meet is de afhankelijke variabele, en alle andere factoren houd je gelijk. Naar de les
ongeslachtelijke voortplanting E3
Nageslacht uit één ouder, genetisch identiek. Snel en zeker, maar zonder variatie, en dus kwetsbaar als de omstandigheden veranderen. Naar de les
ontstaan van het leven F4
De stap van organische moleculen naar de eerste cellen. Je beschrijft hem met de voorwaarden die daarvoor nodig waren en met de aanwijzingen die er zijn, niet met zekerheden. Naar de les
operon D1
Een groepje genen dat samen wordt afgelezen en samen wordt aan- of uitgezet. Bij bacteriën is dat de standaardmanier om op de omgeving te reageren. Naar de les
orgaan A14
Een deel van een organisme dat uit verschillende weefsels bestaat en samen één taak doet, zoals het hart of een blad. Naar de les
organisatieniveau A14
De schaal waarop je kijkt: molecuul, cel, weefsel, orgaan, organisme, populatie, ecosysteem. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen. Naar de les
osmose B2
Diffusie van water door een membraan dat wel water doorlaat maar de opgeloste stof niet. Water gaat naar de kant waar de oplossing het sterkst is. Naar de les
osmotische waarde B2
Een maat voor hoeveel deeltjes er in een oplossing zitten. Water gaat door een membraan naar de kant met de hoogste osmotische waarde. Naar de les

P 8

passieve immuniteit B5
Bescherming door antistoffen die je van buiten krijgt, bijvoorbeeld van je moeder of via een injectie. Werkt meteen, maar is na weken weg. Naar de les
PCR E1
Een techniek om een stukje DNA miljoenen keren te kopiëren, zodat je er genoeg van hebt om te onderzoeken. Het gebruikt hetzelfde principe als de replicatie in een cel. Naar de les
piramide van biomassa B8
Een schema met per trofisch niveau de totale massa. Omdat er bij elke stap energie verloren gaat, is elke laag kleiner dan de vorige. Naar de les
populatie F2
Alle individuen van één soort in hetzelfde gebied die zich met elkaar kunnen voortplanten. Evolutie speelt zich op dit niveau af. Naar de les
positieve terugkoppeling B4
Een regeling waarbij het antwoord de verstoring juist versterkt, zoals bij de weeën tijdens een bevalling. Die loopt altijd ergens tegen een grens aan. Naar de les
preparaat A8
Het stukje materiaal onder de microscoop, vaak dun gesneden en gekleurd zodat je de structuren kunt onderscheiden. Naar de les
producent D5
Een organisme dat zijn eigen voedsel maakt met fotosynthese, dus een plant of alg. Elk voedselweb begint hier. Naar de les
programma van eisen A6
De meetbare eisen die je vooraf opschrijft voor een ontwerp. Daarmee kun je achteraf beoordelen of het gelukt is. Naar de les

R 6

receptor D2
Een eiwit dat een bepaald signaalmolecuul herkent en daarop reageert. Past het molecuul niet, dan gebeurt er niets; daarom werkt een hormoon alleen op cellen met de juiste receptor. Naar de les
recessief E3
Een allel dat het kenmerk alleen laat zien als er geen dominant allel naast staat, dus bij twee dezelfde. Naar de les
recombinatie E2
Het door elkaar husselen van erfelijk materiaal bij de meiose en de bevruchting. Dit levert samen met mutatie de variatie waar selectie op werkt. Naar de les
reducent B8
Een organisme dat dood materiaal afbreekt tot mineralen, zoals schimmels en bacteriën. Zonder reducenten stokt elke kringloop. Naar de les
reflex B7
Een vaste, snelle reactie die buiten je wil om gaat. De route loopt via het ruggenmerg, dus je hersenen merken het pas als het al gebeurd is. Naar de les
resorptie B3
De opname van bouwstenen door de darmwand in het bloed. Dit gebeurt vooral in de dunne darm, die daarvoor vol plooien en darmvlokken zit. Naar de les

S 12

seksuele oriëntatie D4
Op wie iemand verliefd wordt of zich seksueel aangetrokken voelt. Dat staat los van geslacht en van genderidentiteit. Naar de les
selectiedruk F1
Iets in de omgeving waardoor niet iedereen even goed overleeft of zich voortplant, zoals kou, een roofdier of een bestrijdingsmiddel. Naar de les
signaalstof D2
Een stof die een boodschap overbrengt tussen cellen, zoals een hormoon of een neurotransmitter. De boodschap zit niet in de stof zelf maar in de receptor die hem opvangt. Naar de les
slagader B3
Een bloedvat dat van het hart af gaat. Dat zegt niets over zuurstof: de longslagader vervoert juist zuurstofarm bloed. Naar de les
sleutelsoort A12
Een soort waar veel andere soorten van afhangen. Verdwijnt die, dan verandert het hele ecosysteem. Naar de les
soortvorming F2
Het ontstaan van een nieuwe soort, meestal doordat twee populaties gescheiden raken en los van elkaar veranderen tot ze zich niet meer met elkaar kunnen voortplanten. Naar de les
stamboom E3
Een schema van een familie waarin je ziet wie een kenmerk heeft. Twee ouders zonder met een kind met: dan is het allel recessief. Naar de les
stamcel C1
Een cel die zich nog kan delen én nog kan specialiseren. Daarom zijn stamcellen interessant voor het herstellen van weefsel. Naar de les
stikstofkringloop B8
De weg van stikstof door lucht, bodem en organismen, met bacteriën die stikstof vastleggen en weer vrijmaken. Verstoring hiervan is de kern van het stikstofprobleem. Naar de les
substraat B2
De stof waar een enzym op past en mee werkt. Het enzym en het substraat passen op elkaar als een sleutel in een slot; daarom werkt een enzym maar voor één soort reactie. Naar de les
successie C3
De geleidelijke opvolging van levensgemeenschappen in een gebied, van kaal zand tot bos. Elke stap verandert de omgeving voor de volgende. Naar de les
symbiose D5
Een langdurige relatie tussen twee soorten. Bij mutualisme hebben beide er voordeel van, bij commensalisme één zonder nadeel voor de ander, bij parasitisme één ten koste van de ander. Naar de les

T 5

theorie A15
Een goed onderbouwde verklaring die veel waarnemingen samenbrengt, zoals de evolutietheorie. In het dagelijks spraakgebruik betekent theorie een vermoeden; in de wetenschap juist het tegenovergestelde. Naar de les
transcriptie B1
De eerste stap van eiwitsynthese: een gen wordt in de kern overgeschreven in mRNA. Het DNA blijft daarbij zelf in de kern. Naar de les
transgeen organisme D1
Een organisme waarin een gen van een andere soort is ingebracht. Dat kan omdat de genetische code bij alle organismen hetzelfde is. Naar de les
translatie B1
De tweede stap: het mRNA wordt buiten de kern per drie basen gelezen en omgezet in aminozuren, die aan elkaar geregen worden tot een eiwit. Naar de les
turgor B2
De druk van het celvocht tegen de celwand van een plantencel. Valt die weg, dan verslapt de plant; dat is wat je ziet bij een plant die water tekortkomt. Naar de les

U 1

uitscheiding B3
Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam, vooral door de nieren en de longen. Dat is iets anders dan ontlasting: die is nooit in je bloed geweest. Naar de les

V 5

valide A5
Of je meet wat je wilde meten. Een heel nauwkeurige meting van het verkeerde ding is niet valide. Naar de les
variatie F1
De verschillen tussen individuen van dezelfde soort. Zonder variatie valt er niets te selecteren, dus hier begint elke evolutie-uitleg. Naar de les
vertering B3
Het knippen van grote moleculen uit je eten tot bouwstenen die klein genoeg zijn om door de darmwand te gaan. Verteren is nog niet opnemen. Naar de les
voedselweb D5
Alle voedselrelaties in een gebied door elkaar. De pijl wijst altijd naar wie eet, dus in de richting waarin de energie gaat. Naar de les
vorm-functiedenken A11
Uit de bouw van iets afleiden waar het voor dient, en andersom. Een lange darm met plooien wijst op opname, een scherpe tand op vlees eten. Naar de les

W 1

weefsel A14
Een groep cellen van dezelfde soort die samen één taak doen, zoals spierweefsel of bladgroenweefsel. Naar de les

X 1

X-gebonden E3
Een gen dat op het X-chromosoom ligt. Een recessieve X-gebonden aandoening komt veel vaker bij jongens voor, want zij hebben maar één X. Naar de les

Z 2

zenuwcel B7
Een cel die een prikkel razendsnel over een lange afstand doorgeeft. Zenuwen werken snel en gericht, hormonen traag en breed. Naar de les
zintuig B7
Een orgaan dat een prikkel uit de omgeving omzet in een signaal voor je zenuwen. Elk zintuig reageert op zijn eigen soort prikkel. Naar de les

Alle onderwerpen