Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

20 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. kringloop

    De weg die stoffen in een ecosysteem steeds opnieuw afleggen, zoals koolstof en stikstof. Stoffen gaan rond, energie gaat er doorheen en verdwijnt.

    Naar de les over Waarom een ecosysteem niet ontspoort

  2. niche

    De plaats van een soort in een ecosysteem: wat hij eet, waar hij leeft en met wie hij concurreert. Twee soorten met precies dezelfde niche kunnen niet naast elkaar blijven bestaan.

    Naar de les over Wie eet wie, en wie helpt wie

  3. context

    De situatie waarin een vraag is verpakt: een ziekenhuis, een natuurgebied, een sportveld. Je haalt er het biologische concept uit en vertaalt je antwoord terug naar die situatie.

    Naar de les over Een contextvraag lezen

  4. fotosynthese

    Het proces waarbij een plant met licht als energiebron glucose maakt uit koolstofdioxide en water. De zuurstof die overblijft gaat naar buiten.

    Naar de les over Organen die samenwerken

  5. soortvorming

    Het ontstaan van een nieuwe soort, meestal doordat twee populaties gescheiden raken en los van elkaar veranderen tot ze zich niet meer met elkaar kunnen voortplanten.

    Naar de les over Hoe een nieuwe soort ontstaat

  6. beargumenteerd oordeel

    Een oordeel waarbij je wetenschappelijke argumenten, maatschappelijke normen en persoonlijke opvattingen uit elkaar houdt. Dat onderscheid is zelf het antwoord op veel vragen.

    Naar de les over Feit, norm en mening

  7. preparaat

    Het stukje materiaal onder de microscoop, vaak dun gesneden en gekleurd zodat je de structuren kunt onderscheiden.

    Naar de les over Meten in de biologie

  8. mitose

    De gewone celdeling, waarbij twee cellen ontstaan met precies hetzelfde DNA. Dit is de deling voor groei en herstel.

    Naar de les over Mitose en meiose naast elkaar

  9. chromosoom

    Een opgerolde streng DNA. Een mens heeft 46 chromosomen: 23 paren, waarvan één paar de geslachtschromosomen.

    Naar de les over Mitose en meiose naast elkaar

  10. osmotische waarde

    Een maat voor hoeveel deeltjes er in een oplossing zitten. Water gaat door een membraan naar de kant met de hoogste osmotische waarde.

    Naar de les over De cel als fabriek

  11. draagkracht

    Het aantal individuen van een soort dat een gebied kan onderhouden. Boven die grens daalt de populatie weer, door voedselgebrek of ziekte.

    Naar de les over Hoe een landschap verandert

  12. aerobe dissimilatie

    Verbranding met zuurstof, in de mitochondriën. Levert veel ATP per glucose op; zonder zuurstof valt de cel terug op gisting en houdt veel minder over.

    Naar de les over De cel als fabriek

  13. weefsel

    Een groep cellen van dezelfde soort die samen één taak doen, zoals spierweefsel of bladgroenweefsel.

    Naar de les over Zoomen van molecuul tot ecosysteem

  14. dissimilatie

    Afbreken om aan energie te komen, meestal glucose met zuurstof. Dat gebeurt dag en nacht in elke cel, ook bij planten.

    Naar de les over De cel als fabriek

  15. recombinatie

    Het door elkaar husselen van erfelijk materiaal bij de meiose en de bevruchting. Dit levert samen met mutatie de variatie waar selectie op werkt.

    Naar de les over Mitose en meiose naast elkaar

  16. homologie

    Overeenkomst in bouw door gemeenschappelijke afstamming, ook als de functie verschilt. De vleugel van een vleermuis en jouw arm hebben dezelfde botten.

    Naar de les over Hoe een nieuwe soort ontstaat

  17. haploïd

    Met één chromosoom van elke soort. Geslachtscellen zijn haploïd, zodat er na de bevruchting weer een compleet stel ontstaat.

    Naar de les over Mitose en meiose naast elkaar

  18. adaptieve radiatie

    Het uitwaaieren van één soort in veel nieuwe soorten die elk een eigen leefwijze krijgen, zoals bij eilanden met lege niches.

    Naar de les over Hoe een nieuwe soort ontstaat

  19. aanpassing

    Een kenmerk dat een organisme beter laat passen bij zijn omgeving. Let op: een individu past zich niet aan, een populatie verandert over generaties.

    Naar de les over De waarom-vraag

  20. glycogeen

    De opslagvorm van glucose bij dieren, vooral in de lever en de spieren. Bij planten is zetmeel de opslagvorm.

    Naar de les over Het lichaam houdt zichzelf in balans

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 143 begrippen.

7 onderwerpen
5 onderwerpen
4 onderwerpen
5 onderwerpen
5 onderwerpen
11 onderwerpen
Begin opnieuw