Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
20 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
kringloop
De weg die stoffen in een ecosysteem steeds opnieuw afleggen, zoals koolstof en stikstof. Stoffen gaan rond, energie gaat er doorheen en verdwijnt.
-
niche
De plaats van een soort in een ecosysteem: wat hij eet, waar hij leeft en met wie hij concurreert. Twee soorten met precies dezelfde niche kunnen niet naast elkaar blijven bestaan.
-
context
De situatie waarin een vraag is verpakt: een ziekenhuis, een natuurgebied, een sportveld. Je haalt er het biologische concept uit en vertaalt je antwoord terug naar die situatie.
-
fotosynthese
Het proces waarbij een plant met licht als energiebron glucose maakt uit koolstofdioxide en water. De zuurstof die overblijft gaat naar buiten.
-
soortvorming
Het ontstaan van een nieuwe soort, meestal doordat twee populaties gescheiden raken en los van elkaar veranderen tot ze zich niet meer met elkaar kunnen voortplanten.
-
beargumenteerd oordeel
Een oordeel waarbij je wetenschappelijke argumenten, maatschappelijke normen en persoonlijke opvattingen uit elkaar houdt. Dat onderscheid is zelf het antwoord op veel vragen.
-
preparaat
Het stukje materiaal onder de microscoop, vaak dun gesneden en gekleurd zodat je de structuren kunt onderscheiden.
-
mitose
De gewone celdeling, waarbij twee cellen ontstaan met precies hetzelfde DNA. Dit is de deling voor groei en herstel.
-
chromosoom
Een opgerolde streng DNA. Een mens heeft 46 chromosomen: 23 paren, waarvan één paar de geslachtschromosomen.
-
osmotische waarde
Een maat voor hoeveel deeltjes er in een oplossing zitten. Water gaat door een membraan naar de kant met de hoogste osmotische waarde.
-
draagkracht
Het aantal individuen van een soort dat een gebied kan onderhouden. Boven die grens daalt de populatie weer, door voedselgebrek of ziekte.
-
aerobe dissimilatie
Verbranding met zuurstof, in de mitochondriën. Levert veel ATP per glucose op; zonder zuurstof valt de cel terug op gisting en houdt veel minder over.
-
weefsel
Een groep cellen van dezelfde soort die samen één taak doen, zoals spierweefsel of bladgroenweefsel.
-
dissimilatie
Afbreken om aan energie te komen, meestal glucose met zuurstof. Dat gebeurt dag en nacht in elke cel, ook bij planten.
-
recombinatie
Het door elkaar husselen van erfelijk materiaal bij de meiose en de bevruchting. Dit levert samen met mutatie de variatie waar selectie op werkt.
-
homologie
Overeenkomst in bouw door gemeenschappelijke afstamming, ook als de functie verschilt. De vleugel van een vleermuis en jouw arm hebben dezelfde botten.
-
haploïd
Met één chromosoom van elke soort. Geslachtscellen zijn haploïd, zodat er na de bevruchting weer een compleet stel ontstaat.
-
adaptieve radiatie
Het uitwaaieren van één soort in veel nieuwe soorten die elk een eigen leefwijze krijgen, zoals bij eilanden met lege niches.
-
aanpassing
Een kenmerk dat een organisme beter laat passen bij zijn omgeving. Let op: een individu past zich niet aan, een populatie verandert over generaties.
-
glycogeen
De opslagvorm van glucose bij dieren, vooral in de lever en de spieren. Bij planten is zetmeel de opslagvorm.