Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

40 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. ader

    Een bloedvat dat naar het hart toe gaat. Aders hebben kleppen, want de druk is er laag.

    Naar de les over Organen die samenwerken

  2. theorie

    Een goed onderbouwde verklaring die veel waarnemingen samenbrengt, zoals de evolutietheorie. In het dagelijks spraakgebruik betekent theorie een vermoeden; in de wetenschap juist het tegenovergestelde.

    Naar de les over Hoe biologische kennis ontstaat

  3. producent

    Een organisme dat zijn eigen voedsel maakt met fotosynthese, dus een plant of alg. Elk voedselweb begint hier.

    Naar de les over Wie eet wie, en wie helpt wie

  4. preparaat

    Het stukje materiaal onder de microscoop, vaak dun gesneden en gekleurd zodat je de structuren kunt onderscheiden.

    Naar de les over Meten in de biologie

  5. osmotische waarde

    Een maat voor hoeveel deeltjes er in een oplossing zitten. Water gaat door een membraan naar de kant met de hoogste osmotische waarde.

    Naar de les over De cel als fabriek

  6. negatieve terugkoppeling

    Een regeling waarbij het antwoord de verstoring tegengaat en zichzelf daarmee uitzet. Bijna alle regelsystemen in je lichaam werken zo.

    Naar de les over Het lichaam houdt zichzelf in balans

  7. chromosoom

    Een opgerolde streng DNA. Een mens heeft 46 chromosomen: 23 paren, waarvan één paar de geslachtschromosomen.

    Naar de les over Mitose en meiose naast elkaar

  8. abiotische factor

    Een invloed uit de niet-levende omgeving: temperatuur, licht, water, bodem, zuurgraad.

    Naar de les over Hoe een landschap verandert

  9. genderidentiteit

    Het geslacht waarin iemand zich herkent. Dat hoeft niet samen te vallen met het geslacht dat bij de geboorte is vastgesteld.

    Naar de les over Voortplanting en de regeling erachter

  10. homozygoot

    Met twee dezelfde allelen voor een kenmerk. Iemand met een recessieve aandoening is altijd homozygoot.

    Naar de les over Van geslachtscel tot nieuw organisme

  11. vertering

    Het knippen van grote moleculen uit je eten tot bouwstenen die klein genoeg zijn om door de darmwand te gaan. Verteren is nog niet opnemen.

    Naar de les over Organen die samenwerken

  12. positieve terugkoppeling

    Een regeling waarbij het antwoord de verstoring juist versterkt, zoals bij de weeën tijdens een bevalling. Die loopt altijd ergens tegen een grens aan.

    Naar de les over Het lichaam houdt zichzelf in balans

  13. X-gebonden

    Een gen dat op het X-chromosoom ligt. Een recessieve X-gebonden aandoening komt veel vaker bij jongens voor, want zij hebben maar één X.

    Naar de les over Van geslachtscel tot nieuw organisme

  14. insuline

    Het hormoon dat je bloedsuiker verlaagt: glucose gaat de cellen in en de lever slaat het overschot op als glycogeen.

    Naar de les over Het lichaam houdt zichzelf in balans

  15. programma van eisen

    De meetbare eisen die je vooraf opschrijft voor een ontwerp. Daarmee kun je achteraf beoordelen of het gelukt is.

    Naar de les over Van probleem naar ontwerp

  16. levenscyclus

    De vaste reeks fasen die een soort doorloopt, van bevruchting tot volwassen en weer voortplanten. Per soort ligt de nadruk ergens anders.

    Naar de les over Van één cel naar een lichaam

  17. allelfrequentie

    Hoe vaak een allel in een populatie voorkomt, als deel van het totaal. Evolutie is op de lange termijn een verschuiving van allelfrequenties.

    Naar de les over Selectie doet het werk

  18. eiwitsynthese

    Het maken van een eiwit naar het voorbeeld van een gen: eerst wordt het gen overgeschreven in RNA, daarna wordt dat RNA buiten de kern vertaald in een rij aminozuren.

    Naar de les over Van gen naar eiwit

  19. niche

    De plaats van een soort in een ecosysteem: wat hij eet, waar hij leeft en met wie hij concurreert. Twee soorten met precies dezelfde niche kunnen niet naast elkaar blijven bestaan.

    Naar de les over Wie eet wie, en wie helpt wie

  20. aerobe dissimilatie

    Verbranding met zuurstof, in de mitochondriën. Levert veel ATP per glucose op; zonder zuurstof valt de cel terug op gisting en houdt veel minder over.

    Naar de les over De cel als fabriek

  21. zintuig

    Een orgaan dat een prikkel uit de omgeving omzet in een signaal voor je zenuwen. Elk zintuig reageert op zijn eigen soort prikkel.

    Naar de les over Van prikkel tot beleving

  22. codon

    Een groepje van drie basen in het mRNA dat voor één aminozuur staat. Er zijn meer codons dan aminozuren, dus sommige verschillen maken niets uit.

    Naar de les over Van gen naar eiwit

  23. valide

    Of je meet wat je wilde meten. Een heel nauwkeurige meting van het verkeerde ding is niet valide.

    Naar de les over Een proef die iets aantoont

  24. slagader

    Een bloedvat dat van het hart af gaat. Dat zegt niets over zuurstof: de longslagader vervoert juist zuurstofarm bloed.

    Naar de les over Organen die samenwerken

  25. homologie

    Overeenkomst in bouw door gemeenschappelijke afstamming, ook als de functie verschilt. De vleugel van een vleermuis en jouw arm hebben dezelfde botten.

    Naar de les over Hoe een nieuwe soort ontstaat

  26. selectiedruk

    Iets in de omgeving waardoor niet iedereen even goed overleeft of zich voortplant, zoals kou, een roofdier of een bestrijdingsmiddel.

    Naar de les over Selectie doet het werk

  27. geheugencel

    Een afweercel die na een besmetting of een prik blijft bestaan. Daardoor gaat de tweede reactie in uren in plaats van dagen.

    Naar de les over Drie lagen afweer

  28. mitochondrion

    Het onderdeel waar de verbranding plaatsvindt. Hier wordt glucose met zuurstof omgezet en komt de energie vrij waar de cel op draait.

    Naar de les over De cel als fabriek

  29. piramide van biomassa

    Een schema met per trofisch niveau de totale massa. Omdat er bij elke stap energie verloren gaat, is elke laag kleiner dan de vorige.

    Naar de les over Waarom een ecosysteem niet ontspoort

  30. mutatie

    Een verandering in het DNA. De meeste doen niets, sommige zijn schadelijk, en een enkele levert iets op waar selectie mee verder kan.

    Naar de les over Selectie doet het werk

  31. bronkritiek

    Nagaan wie een bron gemaakt heeft, waarop die berust en of hij bij jouw vraag past. Een onderzoek in een vaktijdschrift weegt zwaarder dan een bericht zonder meting erachter.

    Naar de les over Een bron beoordelen

  32. signaalstof

    Een stof die een boodschap overbrengt tussen cellen, zoals een hormoon of een neurotransmitter. De boodschap zit niet in de stof zelf maar in de receptor die hem opvangt.

    Naar de les over Cellen die met elkaar praten

  33. hormoon

    Een stof die door een klier aan het bloed wordt afgegeven en ergens anders in het lichaam iets in gang zet. Hormonen werken traag maar bereiken alles tegelijk.

    Naar de les over Het lichaam houdt zichzelf in balans

  34. fenotype

    Wat je aan een organisme kunt waarnemen. Het fenotype hangt af van het genotype én van de omgeving.

    Naar de les over Van geslachtscel tot nieuw organisme

  35. crossing-over

    Het uitwisselen van stukken tussen twee chromosomen van een paar tijdens de meiose. Dit levert samen met de willekeurige verdeling van de paren de variatie in geslachtscellen.

    Naar de les over Mitose en meiose naast elkaar

  36. haarvat

    Het dunste bloedvat, één cel dik. Alleen hier worden stoffen afgeleverd bij de cellen en afvalstoffen opgehaald.

    Naar de les over Organen die samenwerken

  37. PCR

    Een techniek om een stukje DNA miljoenen keren te kopiëren, zodat je er genoeg van hebt om te onderzoeken. Het gebruikt hetzelfde principe als de replicatie in een cel.

    Naar de les over DNA dat zichzelf kopieert

  38. kringloop

    De weg die stoffen in een ecosysteem steeds opnieuw afleggen, zoals koolstof en stikstof. Stoffen gaan rond, energie gaat er doorheen en verdwijnt.

    Naar de les over Waarom een ecosysteem niet ontspoort

  39. cel

    De kleinste eenheid die leeft. Een cel heeft een celmembraan, cytoplasma en bij planten ook een celwand. Alles wat een organisme doet, gebeurt uiteindelijk in cellen.

    Naar de les over Zoomen van molecuul tot ecosysteem

  40. aangeboren gedrag

    Gedrag dat er van begin af aan is en niet geleerd hoeft te worden, zoals zuigen bij een baby. Het ligt vast en gaat snel.

    Naar de les over Waarom een dier doet wat het doet

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 143 begrippen.

7 onderwerpen
5 onderwerpen
4 onderwerpen
5 onderwerpen
5 onderwerpen
11 onderwerpen
Begin opnieuw