Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
40 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
ader
Een bloedvat dat naar het hart toe gaat. Aders hebben kleppen, want de druk is er laag.
-
theorie
Een goed onderbouwde verklaring die veel waarnemingen samenbrengt, zoals de evolutietheorie. In het dagelijks spraakgebruik betekent theorie een vermoeden; in de wetenschap juist het tegenovergestelde.
-
producent
Een organisme dat zijn eigen voedsel maakt met fotosynthese, dus een plant of alg. Elk voedselweb begint hier.
-
preparaat
Het stukje materiaal onder de microscoop, vaak dun gesneden en gekleurd zodat je de structuren kunt onderscheiden.
-
osmotische waarde
Een maat voor hoeveel deeltjes er in een oplossing zitten. Water gaat door een membraan naar de kant met de hoogste osmotische waarde.
-
negatieve terugkoppeling
Een regeling waarbij het antwoord de verstoring tegengaat en zichzelf daarmee uitzet. Bijna alle regelsystemen in je lichaam werken zo.
-
chromosoom
Een opgerolde streng DNA. Een mens heeft 46 chromosomen: 23 paren, waarvan één paar de geslachtschromosomen.
-
abiotische factor
Een invloed uit de niet-levende omgeving: temperatuur, licht, water, bodem, zuurgraad.
-
genderidentiteit
Het geslacht waarin iemand zich herkent. Dat hoeft niet samen te vallen met het geslacht dat bij de geboorte is vastgesteld.
-
homozygoot
Met twee dezelfde allelen voor een kenmerk. Iemand met een recessieve aandoening is altijd homozygoot.
-
vertering
Het knippen van grote moleculen uit je eten tot bouwstenen die klein genoeg zijn om door de darmwand te gaan. Verteren is nog niet opnemen.
-
positieve terugkoppeling
Een regeling waarbij het antwoord de verstoring juist versterkt, zoals bij de weeën tijdens een bevalling. Die loopt altijd ergens tegen een grens aan.
-
X-gebonden
Een gen dat op het X-chromosoom ligt. Een recessieve X-gebonden aandoening komt veel vaker bij jongens voor, want zij hebben maar één X.
-
insuline
Het hormoon dat je bloedsuiker verlaagt: glucose gaat de cellen in en de lever slaat het overschot op als glycogeen.
-
programma van eisen
De meetbare eisen die je vooraf opschrijft voor een ontwerp. Daarmee kun je achteraf beoordelen of het gelukt is.
-
levenscyclus
De vaste reeks fasen die een soort doorloopt, van bevruchting tot volwassen en weer voortplanten. Per soort ligt de nadruk ergens anders.
-
allelfrequentie
Hoe vaak een allel in een populatie voorkomt, als deel van het totaal. Evolutie is op de lange termijn een verschuiving van allelfrequenties.
-
eiwitsynthese
Het maken van een eiwit naar het voorbeeld van een gen: eerst wordt het gen overgeschreven in RNA, daarna wordt dat RNA buiten de kern vertaald in een rij aminozuren.
-
niche
De plaats van een soort in een ecosysteem: wat hij eet, waar hij leeft en met wie hij concurreert. Twee soorten met precies dezelfde niche kunnen niet naast elkaar blijven bestaan.
-
aerobe dissimilatie
Verbranding met zuurstof, in de mitochondriën. Levert veel ATP per glucose op; zonder zuurstof valt de cel terug op gisting en houdt veel minder over.
-
zintuig
Een orgaan dat een prikkel uit de omgeving omzet in een signaal voor je zenuwen. Elk zintuig reageert op zijn eigen soort prikkel.
-
codon
Een groepje van drie basen in het mRNA dat voor één aminozuur staat. Er zijn meer codons dan aminozuren, dus sommige verschillen maken niets uit.
-
valide
Of je meet wat je wilde meten. Een heel nauwkeurige meting van het verkeerde ding is niet valide.
-
slagader
Een bloedvat dat van het hart af gaat. Dat zegt niets over zuurstof: de longslagader vervoert juist zuurstofarm bloed.
-
homologie
Overeenkomst in bouw door gemeenschappelijke afstamming, ook als de functie verschilt. De vleugel van een vleermuis en jouw arm hebben dezelfde botten.
-
selectiedruk
Iets in de omgeving waardoor niet iedereen even goed overleeft of zich voortplant, zoals kou, een roofdier of een bestrijdingsmiddel.
-
geheugencel
Een afweercel die na een besmetting of een prik blijft bestaan. Daardoor gaat de tweede reactie in uren in plaats van dagen.
-
mitochondrion
Het onderdeel waar de verbranding plaatsvindt. Hier wordt glucose met zuurstof omgezet en komt de energie vrij waar de cel op draait.
-
piramide van biomassa
Een schema met per trofisch niveau de totale massa. Omdat er bij elke stap energie verloren gaat, is elke laag kleiner dan de vorige.
-
mutatie
Een verandering in het DNA. De meeste doen niets, sommige zijn schadelijk, en een enkele levert iets op waar selectie mee verder kan.
-
bronkritiek
Nagaan wie een bron gemaakt heeft, waarop die berust en of hij bij jouw vraag past. Een onderzoek in een vaktijdschrift weegt zwaarder dan een bericht zonder meting erachter.
-
signaalstof
Een stof die een boodschap overbrengt tussen cellen, zoals een hormoon of een neurotransmitter. De boodschap zit niet in de stof zelf maar in de receptor die hem opvangt.
-
hormoon
Een stof die door een klier aan het bloed wordt afgegeven en ergens anders in het lichaam iets in gang zet. Hormonen werken traag maar bereiken alles tegelijk.
-
fenotype
Wat je aan een organisme kunt waarnemen. Het fenotype hangt af van het genotype én van de omgeving.
-
crossing-over
Het uitwisselen van stukken tussen twee chromosomen van een paar tijdens de meiose. Dit levert samen met de willekeurige verdeling van de paren de variatie in geslachtscellen.
-
haarvat
Het dunste bloedvat, één cel dik. Alleen hier worden stoffen afgeleverd bij de cellen en afvalstoffen opgehaald.
-
PCR
Een techniek om een stukje DNA miljoenen keren te kopiëren, zodat je er genoeg van hebt om te onderzoeken. Het gebruikt hetzelfde principe als de replicatie in een cel.
-
kringloop
De weg die stoffen in een ecosysteem steeds opnieuw afleggen, zoals koolstof en stikstof. Stoffen gaan rond, energie gaat er doorheen en verdwijnt.
-
cel
De kleinste eenheid die leeft. Een cel heeft een celmembraan, cytoplasma en bij planten ook een celwand. Alles wat een organisme doet, gebeurt uiteindelijk in cellen.
-
aangeboren gedrag
Gedrag dat er van begin af aan is en niet geleerd hoeft te worden, zoals zuigen bij een baby. Het ligt vast en gaat snel.