Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
10 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
heterozygoot
Met twee verschillende allelen. Bij een recessieve aandoening heet zo iemand drager: zelf niets te merken, wel door te geven.
-
apoptose
Geprogrammeerde celdood: een cel ruimt zichzelf netjes op als hij beschadigd is of niet meer nodig. Raakt dat ontregeld, dan kan ongeremde deling ontstaan.
-
selectiedruk
Iets in de omgeving waardoor niet iedereen even goed overleeft of zich voortplant, zoals kou, een roofdier of een bestrijdingsmiddel.
-
allel
Een van de varianten van een gen. Je hebt er twee van, één van elke ouder, en samen bepalen ze het kenmerk.
-
weefsel
Een groep cellen van dezelfde soort die samen één taak doen, zoals spierweefsel of bladgroenweefsel.
-
operon
Een groepje genen dat samen wordt afgelezen en samen wordt aan- of uitgezet. Bij bacteriën is dat de standaardmanier om op de omgeving te reageren.
-
DNA-replicatie
Het kopiëren van DNA voor een celdeling. De dubbele helix gaat open en bij elke streng wordt een nieuwe passende streng gemaakt, dus elke kopie bevat een oude helft.
-
vorm-functiedenken
Uit de bouw van iets afleiden waar het voor dient, en andersom. Een lange darm met plooien wijst op opname, een scherpe tand op vlees eten.
-
controlegroep
De groep waarbij je de behandeling juist weglaat, met al het andere hetzelfde. Zonder controlegroep weet je niet waardoor je resultaat komt.
-
transcriptie
De eerste stap van eiwitsynthese: een gen wordt in de kern overgeschreven in mRNA. Het DNA blijft daarbij zelf in de kern.