Begrippenlijst
vmbo gl/tl144 begrippen die je bij Biologie op vmbo gl/tl moet kennen, elk met een paar zinnen uitleg. Staat er een les bij, dan wordt het begrip daar gebruikt en geoefend.
A 14
- aangeboren gedrag BI/V/2
- Gedrag dat er van begin af aan is en niet geleerd hoeft te worden, zoals zuigen bij een baby. Het ligt vast en gaat snel. Naar de les
- aangeleerd gedrag BI/V/2
- Gedrag dat verandert door ervaring. Het kost tijd om te leren, maar past zich aan nieuwe omstandigheden aan. Naar de les
- aanpassing BI/K/13
- Een kenmerk dat een organisme beter laat passen bij zijn omgeving. Let op: een individu past zich niet aan, een populatie verandert over generaties. Naar de les
- actieve immunisatie BI/V/1
- Je lichaam maakt zelf antistoffen, doordat je de ziekte hebt gehad of een vaccinatie hebt gekregen. Het duurt even, maar het werkt lang. Naar de les
- ademhaling BI/K/9
- Lucht in en uit je longen pompen, met je middenrif en je ribspieren. Dat is iets anders dan de gaswisseling die daarbinnen gebeurt. Naar de les
- ader BI/K/9
- Een bloedvat dat naar het hart toe gaat. Aders hebben kleppen, want de druk is er laag. Naar de les
- afvalstof BI/K/9
- Een stof die overblijft bij processen in je cellen en die weg moet, zoals ureum en koolstofdioxide. Je nieren en longen raken ze kwijt. Naar de les
- afweer BI/K/10
- Alles wat je lichaam doet om ziekteverwekkers buiten te houden en op te ruimen. De niet-specifieke afweer werkt tegen alles, de specifieke afweer werkt op maat. Naar de les
- allel BI/K/13
- Een van de varianten van een gen. Je hebt er twee van, één van elke ouder, en samen bepalen ze het kenmerk. Naar de les
- alvleesklier BI/K/11
- De klier die insuline en glucagon aan je bloed afgeeft. Daarmee houdt hij de hoeveelheid suiker in je bloed op peil. Naar de les
- antagonist BI/K/8
- Een spier die de beweging van een andere spier terugdraait. Spieren kunnen alleen trekken, dus ze werken altijd in paren. Naar de les
- antibioticum BI/K/10
- Een medicijn dat bacteriën doodt of ze laat stoppen met groeien. Het grijpt dingen aan die alleen bacteriën hebben, dus tegen een virus helpt het niet. Naar de les
- antigeen BI/V/1
- Een stof op het oppervlak van een indringer die je afweer herkent als vreemd. Op dat antigeen wordt de antistof gemaakt. Naar de les
- antistof BI/V/1
- Een eiwit dat precies op het oppervlak van één ziekteverwekker past en hem onschadelijk maakt of markeert voor opruiming. Naar de les
B 10
- baarmoederslijmvlies BI/K/12
- De laag aan de binnenkant van de baarmoeder. Die wordt elke maand dik, zodat een bevruchte eicel zich kan innestelen. Naar de les
- bastvat BI/K/6
- Buis in een plant die de suikers uit de bladeren naar de rest van de plant brengt. Dat kan omhoog en omlaag. Naar de les
- bestuiving BI/K/12
- Stuifmeel dat van de helmknop op de stempel komt, door de wind of door een insect. Dit is nog niet de bevruchting. Naar de les
- betrouwbaar BI/K/3
- Of je bij herhaling hetzelfde uitkomt. Je verhoogt het door vaker te meten en met meer proefdieren of proefpersonen te werken. Naar de les
- bevruchting BI/K/12
- Het samensmelten van een eicel en een zaadcel tot één cel met een compleet stel chromosomen. Naar de les
- bewegingszenuw BI/K/11
- Een zenuw die een opdracht van je centrale zenuwstelsel naar een spier of klier brengt. Het verkeer gaat dus naar buiten. Naar de les
- biodiversiteit BI/K/7
- De verscheidenheid aan leven, op drie niveaus: verschillen binnen een soort, het aantal soorten, en het aantal ecosystemen. Naar de les
- bladgroenkorrel BI/K/4
- Het onderdeel in plantencellen waar fotosynthese gebeurt. Het bladgroen erin vangt het licht op. Naar de les
- bronkritiek BI/V/3
- Nagaan wie een bron gemaakt heeft, waarop die berust en of hij bij jouw vraag past. Een onderzoek in een vaktijdschrift weegt zwaarder dan een bericht zonder meting erachter. Naar de les
- bronnenlijst BI/V/3
- Het lijstje achterin met de bronnen die je gebruikte, met titel, maker en jaar erbij. Naar de les
C 10
- cel BI/K/4
- De kleinste eenheid die leeft. Een cel heeft een celmembraan, cytoplasma en bij planten ook een celwand. Alles wat een organisme doet, gebeurt uiteindelijk in cellen. Naar de les
- celkern BI/K/4
- Het deel van de cel waarin het DNA ligt. Daar wordt afgelezen welk eiwit er gemaakt moet worden. Naar de les
- celmembraan BI/K/4
- Het laagje om de cel dat bepaalt wat er in en uit mag. Het is selectief doorlaatbaar: kleine en vetachtige stoffen gaan er makkelijk door, grote en geladen niet zomaar. Naar de les
- celwand BI/K/4
- Een stevige laag om de cel van een plant, buiten het celmembraan. Die geeft de plant zijn stevigheid, dierlijke cellen hebben hem niet. Naar de les
- centraal zenuwstelsel BI/K/11
- Je hersenen en je ruggenmerg samen. Daar komen signalen binnen en vandaar gaan de opdrachten terug naar je spieren en klieren. Naar de les
- chemische vertering BI/K/9
- Grote moleculen in het voedsel in stukjes knippen met enzymen. Daarna zijn de deeltjes klein genoeg om je bloed in te gaan. Naar de les
- conditioneren BI/V/2
- Leren door een koppeling, doordat iets steeds samengaat met een beloning of een straf. Denk aan een hond die kwijlt bij een belletje. Naar de les
- consument BI/K/6
- Een organisme dat andere organismen eet. Een planteneter is eerste orde, wie die planteneter eet is tweede orde. Naar de les
- controlegroep BI/K/3
- De groep waarbij je de behandeling juist weglaat, met al het andere hetzelfde. Zonder controlegroep weet je niet waardoor je resultaat komt. Naar de les
- cytoplasma BI/K/4
- De stroperige vloeistof die de cel vult, tussen het membraan en de kern. Daarin gebeurt het meeste werk van de cel. Naar de les
D 6
- darmvlok BI/K/9
- Een klein uitstulpinkje in de wand van je dunne darm. Miljoenen ervan maken het oppervlak enorm, zodat je veel kunt opnemen. Naar de les
- DNA BI/K/4
- Het molecuul waarin de erfelijke informatie staat, in de volgorde van vier basen. De twee strengen passen op elkaar, en dat maakt kopiëren mogelijk. Naar de les
- doelorgaan BI/K/11
- Het orgaan waar een hormoon iets doet. Het hormoon komt overal langs in je bloed, maar alleen het doelorgaan heeft de juiste ontvangers. Naar de les
- dominant BI/K/13
- Een allel dat het kenmerk laat zien ook als er maar één van is. Het overstemt het andere allel. Naar de les
- dunne darm BI/K/9
- Het deel van je verteringsstelsel waar voedingsstoffen je bloed in gaan. De wand zit vol darmvlokken en is daardoor erg groot van binnen. Naar de les
- duurzaamheid BI/K/7
- Gebruiken zonder uit te putten, zodat het ook later nog kan. In de biologie gaat het vaak over de vraag of een gebruik binnen de draagkracht blijft. Naar de les
E 7
- eenheid BI/K/3
- Waarin je meet, bijvoorbeeld gram, milliliter of graden. Een getal zonder eenheid zegt niets. Naar de les
- egestie BI/K/9
- Het kwijtraken van wat nooit in je cellen is geweest, zoals onverteerde resten in je ontlasting. Dat is iets anders dan uitscheiding. Naar de les
- eierstok BI/K/12
- Het orgaan waarin eicellen rijpen. Ongeveer een keer per maand komt er een vrij. Naar de les
- eileider BI/K/12
- De buis tussen de eierstok en de baarmoeder. Daarin vindt meestal de bevruchting plaats. Naar de les
- eisprong BI/K/12
- Het moment waarop een rijpe eicel uit de eierstok vrijkomt, rond dag veertien van de cyclus. Daarna kan ze bevrucht worden. Naar de les
- eiwit BI/K/9
- Een voedingsstof die je gebruikt als bouwstof, bijvoorbeeld voor spieren. In je maag worden eiwitten in kleinere stukjes geknipt. Naar de les
- enzym BI/K/9
- Een eiwit dat een reactie in een cel versnelt zonder zelf op te raken. Elk enzym past maar op een bepaalde stof, en bij te hoge temperatuur of de verkeerde pH verliest het zijn vorm en daarmee zijn werking. Naar de les
F 2
- fenotype BI/K/13
- Wat je aan een organisme kunt waarnemen. Het fenotype hangt af van het genotype én van de omgeving. Naar de les
- fotosynthese BI/K/6
- Het proces waarbij een plant met licht als energiebron glucose maakt uit koolstofdioxide en water. De zuurstof die overblijft gaat naar buiten. Naar de les
G 11
- gaswisseling BI/K/9
- Zuurstof die van de longblaasjes het bloed in gaat en koolstofdioxide die de andere kant op gaat. Dat gebeurt ook tussen bloed en cellen. Naar de les
- gedaanteverwisseling BI/K/6
- Een levenscyclus waarbij het jonge dier er heel anders uitziet dan het volwassen dier, zoals een rups en een vlinder. Naar de les
- gedrag BI/V/2
- Alles wat een organisme waarneembaar doet. Je legt het uit met de vraag hoe het werkt én met de vraag waar het goed voor is; dat zijn twee verschillende antwoorden. Naar de les
- gedragsbeschrijving BI/V/2
- Opschrijven wat een dier precies doet, zonder er een verklaring bij te geven. Zo blijft de waarneming los van je uitleg. Naar de les
- geheugencel BI/V/1
- Een afweercel die na een besmetting of een prik blijft bestaan. Daardoor gaat de tweede reactie in uren in plaats van dagen. Naar de les
- gen BI/K/13
- Een stuk DNA met de code voor één eiwit of kenmerk. Een organisme heeft duizenden genen, maar in een cel staat lang niet alles aan. Naar de les
- genotype BI/K/13
- De allelen die iemand heeft, dus wat er in het DNA staat. Dat is iets anders dan wat je ziet. Naar de les
- gevoelszenuw BI/K/11
- Een zenuw die signalen van een zintuig naar je centrale zenuwstelsel brengt. Het verkeer gaat dus naar binnen. Naar de les
- gewricht BI/K/8
- De plek waar twee botten elkaar raken en ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Kraakbeen en vocht zorgen dat het soepel gaat. Naar de les
- glucagon BI/K/11
- Het hormoon dat je bloedsuiker verhoogt door de lever glycogeen te laten afbreken tot glucose. Het is de tegenpool van insuline. Naar de les
- grote bloedsomloop BI/K/9
- Het lange rondje van je hart naar de rest van je lichaam en weer terug. Daar levert het bloed zuurstof en voeding af. Naar de les
H 9
- haarvat BI/K/9
- Het dunste bloedvat, één cel dik. Alleen hier worden stoffen afgeleverd bij de cellen en afvalstoffen opgehaald. Naar de les
- helmknop BI/K/12
- Het bovenste deel van een meeldraad. Daar zit het stuifmeel in. Naar de les
- heterozygoot BI/K/13
- Met twee verschillende allelen. Bij een recessieve aandoening heet zo iemand drager: zelf niets te merken, wel door te geven. Naar de les
- homeostase BI/K/11
- Het constant houden van de omstandigheden in je lichaam, zoals temperatuur, bloedsuiker en zuurgraad. Dat gaat met meten, vergelijken en bijsturen. Naar de les
- homozygoot BI/K/13
- Met twee dezelfde allelen voor een kenmerk. Iemand met een recessieve aandoening is altijd homozygoot. Naar de les
- hormoon BI/K/11
- Een stof die door een klier aan het bloed wordt afgegeven en ergens anders in het lichaam iets in gang zet. Hormonen werken traag maar bereiken alles tegelijk. Naar de les
- houtvat BI/K/6
- Buis in een plant die water met mineralen van de wortels naar de bladeren brengt. Altijd omhoog, nooit terug. Naar de les
- huidmondje BI/K/6
- Een klein openingetje aan de onderkant van een blad. Koolstofdioxide gaat erin en waterdamp gaat eruit. Bij droogte gaan ze dicht. Naar de les
- hypothese BI/K/3
- Een verwachting die je vooraf opschrijft en die te toetsen is. Hij moet onjuist kunnen blijken, anders valt er niets mee te onderzoeken. Naar de les
I 3
- immuun BI/V/1
- Zo goed voorbereid op een ziekteverwekker dat je er niet of nauwelijks ziek van wordt. Dat komt door geheugencellen van een eerdere keer. Naar de les
- inprenting BI/V/2
- Een vorm van leren die alleen in een korte periode vlak na de geboorte kan, en daarna vastligt. Eendenkuikens volgen wat ze dan zien. Naar de les
- insuline BI/K/11
- Het hormoon dat je bloedsuiker verlaagt: glucose gaat de cellen in en de lever slaat het overschot op als glycogeen. Naar de les
K 5
- kegeltje BI/K/11
- Een zintuigcel in je netvlies voor kleur. Kegeltjes hebben veel licht nodig, dus in het donker zie je bijna geen kleur meer. Naar de les
- kiemen BI/K/12
- Het uitgroeien van een zaadje tot een plantje. Daarvoor is water, warmte en zuurstof nodig, licht nog niet. Naar de les
- kleine bloedsomloop BI/K/9
- Het korte rondje van je hart naar je longen en weer terug. Daar haalt het bloed zuurstof op en geeft het koolstofdioxide af. Naar de les
- knol BI/K/12
- Een verdikt deel van een plant met voedsel erin waaruit een nieuwe plant kan groeien, zoals bij een aardappel. Naar de les
- kruisingsschema BI/K/13
- Een schema waarin je de geslachtscellen van beide ouders tegen elkaar uitzet, zodat je ziet welke genotypen de kinderen kunnen krijgen en in welke verhouding. Naar de les
L 5
- legenda BI/K/3
- Het lijstje bij een diagram waarin staat welke lijn of kleur bij wat hoort. Naar de les
- levenscyclus BI/K/6
- De vaste reeks fasen die een soort doorloopt, van bevruchting tot volwassen en weer voortplanten. Per soort ligt de nadruk ergens anders. Naar de les
- levenskenmerk BI/K/6
- Iets wat alle levende wezens doen, zoals voeden, groeien, ademen, reageren op prikkels en zich voortplanten. Naar de les
- lijndiagram BI/K/3
- Een diagram met een doorlopende lijn. Je gebruikt het voor iets dat in de tijd verandert. Naar de les
- longblaasje BI/K/9
- Een van de honderden miljoenen blaasjes aan het eind van je luchtwegen. Daar is de wand zo dun dat gassen er doorheen kunnen. Naar de les
M 7
- mechanische vertering BI/K/9
- Voedsel fysiek kleiner maken, door kauwen en door het kneden van je maag en darmen. De stof zelf verandert daarbij niet. Naar de les
- meetwaarde BI/K/2
- Een getal met een eenheid dat je tijdens het werk hebt gemeten. Je schrijft hem op terwijl je meet, niet achteraf. Naar de les
- menstruatie BI/K/12
- Het afstoten van het baarmoederslijmvlies als er geen bevruchte eicel is ingenesteld. Daarmee begint een nieuwe cyclus. Naar de les
- middenrif BI/K/9
- De grote platte spier onder je longen. Trekt hij samen en gaat hij omlaag, dan wordt je borstholte groter en stroomt er lucht naar binnen. Naar de les
- mineraal BI/K/5
- Een eenvoudige voedingsstof uit de bodem die een plant opneemt via zijn wortels. Reducenten maken ze vrij uit dood materiaal. Naar de les
- mitochondrion BI/K/4
- Het onderdeel waar de verbranding plaatsvindt. Hier wordt glucose met zuurstof omgezet en komt de energie vrij waar de cel op draait. Naar de les
- mutatie BI/K/13
- Een verandering in het DNA. De meeste doen niets, sommige zijn schadelijk, en een enkele levert iets op waar selectie mee verder kan. Naar de les
N 2
- natuurlijke selectie BI/K/13
- Het proces waarbij individuen die beter passen bij hun omgeving meer nakomelingen krijgen. Je legt het uit in vier stappen: variatie, selectiedruk, overleven en voortplanten, en doorgeven. Naar de les
- netvlies BI/K/11
- De binnenkant van je oog waar de staafjes en kegeltjes zitten. Staafjes zien licht en donker, kegeltjes zien kleur. Naar de les
O 6
- oestrogeen BI/K/12
- Het hormoon van het rijpende eiblaasje. Het zorgt dat het baarmoederslijmvlies weer wordt opgebouwd. Naar de les
- onderzoeksvraag BI/K/3
- De vraag waar je onderzoek antwoord op moet geven. Die zet je bovenaan, en alles wat je daarna doet moet die vraag dienen. Naar de les
- ongeslachtelijke voortplanting BI/K/12
- Nageslacht uit één ouder, genetisch identiek. Snel en zeker, maar zonder variatie, en dus kwetsbaar als de omstandigheden veranderen. Naar de les
- ooglens BI/K/11
- Het doorzichtige lensje achter je pupil dat het licht buigt. Door van vorm te veranderen stelt je oog scherp op dichtbij of ver weg. Naar de les
- orgaan BI/K/4
- Een deel van een organisme dat uit verschillende weefsels bestaat en samen één taak doet, zoals het hart of een blad. Naar de les
- organisatieniveau BI/K/4
- De schaal waarop je kijkt: molecuul, cel, weefsel, orgaan, organisme, populatie, ecosysteem. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen. Naar de les
P 7
- passieve immunisatie BI/V/1
- Je krijgt kant en klare antistoffen toegediend. Dat werkt meteen, maar kort, want je maakt zelf geen geheugencellen aan. Naar de les
- pees BI/K/8
- Het stevige uiteinde waarmee een spier aan een bot vastzit. Trekt de spier samen, dan trekt de pees het bot mee. Naar de les
- placenta BI/K/12
- Het orgaan dat tijdens een zwangerschap voeding en zuurstof uit het bloed van de moeder haalt en naar het kind brengt. Het bloed zelf mengt niet. Naar de les
- prikkel BI/K/11
- Een verandering die een zintuig kan opvangen, zoals licht, geluid of een aanraking. Het zintuig maakt er een signaal van voor je zenuwen. Naar de les
- producent BI/K/6
- Een organisme dat zijn eigen voedsel maakt met fotosynthese, dus een plant of alg. Elk voedselweb begint hier. Naar de les
- progesteron BI/K/12
- Het hormoon van het lege eiblaasje na de eisprong. Het houdt het baarmoederslijmvlies dik, zodat innesteling mogelijk blijft. Naar de les
- pupil BI/K/11
- Het zwarte gat in je oog waar het licht doorheen gaat. De iris eromheen maakt hem groter of kleiner, afhankelijk van hoe fel het is. Naar de les
R 7
- reactie BI/K/11
- Wat je lichaam doet nadat een prikkel is binnengekomen, bijvoorbeeld een spier die beweegt of een klier die een stof afgeeft. Naar de les
- recessief BI/K/13
- Een allel dat het kenmerk alleen laat zien als er geen dominant allel naast staat, dus bij twee dezelfde. Naar de les
- reducent BI/K/5
- Een organisme dat dood materiaal afbreekt tot mineralen, zoals schimmels en bacteriën. Zonder reducenten stokt elke kringloop. Naar de les
- reflex BI/K/11
- Een vaste, snelle reactie die buiten je wil om gaat. De route loopt via het ruggenmerg, dus je hersenen merken het pas als het al gebeurd is. Naar de les
- resorptie BI/K/9
- De opname van bouwstenen door de darmwand in het bloed. Dit gebeurt vooral in de dunne darm, die daarvoor vol plooien en darmvlokken zit. Naar de les
- resultaat BI/K/3
- Wat je hebt gemeten of gezien, in getallen en waarnemingen zonder uitleg. Wat het betekent hoort bij de conclusie. Naar de les
- ruggenmerg BI/K/11
- De streng zenuwweefsel in je ruggengraat. Bij een reflex gaat het signaal daar meteen over op de bewegingszenuw, zonder je hersenen. Naar de les
S 8
- sectorwerkstuk BI/V/3
- Een eigen werkstuk over een onderwerp uit je sector, waarbij je zelf informatie zoekt, verwerkt en presenteert. Naar de les
- skelet BI/K/8
- Alle botten samen. Je skelet geeft je lichaam stevigheid, beschermt je organen en geeft je spieren iets om aan te trekken. Naar de les
- slagader BI/K/9
- Een bloedvat dat van het hart af gaat. Dat zegt niets over zuurstof: de longslagader vervoert juist zuurstofarm bloed. Naar de les
- staafdiagram BI/K/3
- Een diagram met losse staven. Je gebruikt het voor gegevens in groepen, zoals soorten of klassen. Naar de les
- staafje BI/K/11
- Een zintuigcel in je netvlies die al bij weinig licht werkt, maar geen kleur ziet. Daarom is alles in het donker grijzig. Naar de les
- stek BI/K/12
- Een afgeknipt stukje plant dat zelf wortels maakt. De nieuwe plant heeft precies hetzelfde DNA als de oude. Naar de les
- stempel BI/K/12
- De top van de stamper. Daar moet het stuifmeel op landen, en daarom is hij vaak plakkerig. Naar de les
- stofwisseling BI/K/6
- Alle omzettingen van stoffen in een organisme, dus opbouwen en afbreken bij elkaar. Het is een van de levenskenmerken. Naar de les
T 4
- taakverdeling BI/K/2
- Afspreken wie wat doet, met namen erbij. Zonder taakverdeling blijft een deel van het werk liggen. Naar de les
- teelbal BI/K/12
- Het orgaan waarin zaadcellen worden gemaakt. Dat gebeurt vanaf de puberteit onafgebroken. Naar de les
- terugresorptie BI/K/9
- Het terughalen van stoffen die je nog nodig hebt, nadat ze eerst uit het bloed zijn gefilterd. Zo blijven glucose en veel water behouden. Naar de les
- trofisch niveau BI/K/6
- Een stap in een voedselketen, geteld vanaf de plant. Elke stap verliest energie, dus hoe hoger het niveau hoe minder er overblijft. Naar de les
U 3
- uitscheiding BI/K/9
- Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam, vooral door de nieren en de longen. Dat is iets anders dan ontlasting: die is nooit in je bloed geweest. Naar de les
- ureum BI/K/9
- De belangrijkste afvalstof in je urine. Die ontstaat als je lichaam eiwitten afbreekt, en je nieren halen hem uit je bloed. Naar de les
- urine BI/K/9
- Wat er overblijft nadat je nieren hebben gefilterd en het bruikbare hebben teruggehaald. Vooral water met ureum en zouten erin. Naar de les
V 8
- vaccinatie BI/V/1
- Een prik met een onschadelijk stukje of verzwakte vorm van een ziekteverwekker. Je maakt er antistoffen en geheugencellen tegen aan. Naar de les
- vacuole BI/K/4
- Een grote blaas vol vocht in een plantencel. Als die goed gevuld is staat de plant rechtop, loopt hij leeg dan hangt de plant slap. Naar de les
- variatie BI/K/13
- De verschillen tussen individuen van dezelfde soort. Zonder variatie valt er niets te selecteren, dus hier begint elke evolutie-uitleg. Naar de les
- verdamping BI/K/6
- Water dat als damp uit de huidmondjes verdwijnt. Daardoor wordt er nieuw water door de houtvaten omhoog getrokken. Naar de les
- vertering BI/K/9
- Het knippen van grote moleculen uit je eten tot bouwstenen die klein genoeg zijn om door de darmwand te gaan. Verteren is nog niet opnemen. Naar de les
- voedselweb BI/K/6
- Alle voedselrelaties in een gebied door elkaar. De pijl wijst altijd naar wie eet, dus in de richting waarin de energie gaat. Naar de les
- vrucht BI/K/12
- Wat uit het vruchtbeginsel groeit nadat er bevruchting is geweest. In de vrucht zitten de zaden. Naar de les
- vruchtbeginsel BI/K/12
- Het dikke onderste deel van de stamper met de eicellen erin. Hieruit groeit na de bevruchting de vrucht. Naar de les
W 3
- waarneming BI/K/11
- Het beeld of gevoel dat in je hersenen ontstaat uit de signalen van je zintuigen. De prikkel is buiten, de waarneming is binnen. Naar de les
- weefsel BI/K/4
- Een groep cellen van dezelfde soort die samen één taak doen, zoals spierweefsel of bladgroenweefsel. Naar de les
- werkwijze BI/V/4
- De beschrijving van wat je precies gaat doen, zo nauwkeurig dat iemand anders je proef kan overdoen. Naar de les
Z 7
- zaad BI/K/12
- Een bevruchte eicel met een plantje in rust erin, plus voedsel voor de eerste dagen. Naar de les
- zaadlob BI/K/12
- Het deel van een zaad met het voedsel voor het kiemplantje. Daarop leeft het tot het zelf bladeren heeft. Naar de les
- zenuwcel BI/K/11
- Een cel die een prikkel razendsnel over een lange afstand doorgeeft. Zenuwen werken snel en gericht, hormonen traag en breed. Naar de les
- zetmeel BI/K/9
- Een lange keten van aan elkaar geplakte glucosemoleculen, de manier waarop een plant suiker opslaat. Je speeksel knipt hem in stukken. Naar de les
- ziekteverwekker BI/K/10
- Een organisme dat je ziek maakt, zoals een bacterie, een virus of een schimmel. Je afweer probeert hem tegen te houden. Naar de les
- zintuig BI/K/11
- Een orgaan dat een prikkel uit de omgeving omzet in een signaal voor je zenuwen. Elk zintuig reageert op zijn eigen soort prikkel. Naar de les
- zintuigcel BI/K/11
- Een cel in een zintuig die op één soort prikkel reageert, bijvoorbeeld op licht of op druk. Die maakt er een zenuwsignaal van. Naar de les
Geen begrip gevonden. Probeer een ander woord.