Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
20 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
glucagon
Het hormoon dat je bloedsuiker verhoogt door de lever glycogeen te laten afbreken tot glucose. Het is de tegenpool van insuline.
-
teelbal
Het orgaan waarin zaadcellen worden gemaakt. Dat gebeurt vanaf de puberteit onafgebroken.
-
afvalstof
Een stof die overblijft bij processen in je cellen en die weg moet, zoals ureum en koolstofdioxide. Je nieren en longen raken ze kwijt.
-
antigeen
Een stof op het oppervlak van een indringer die je afweer herkent als vreemd. Op dat antigeen wordt de antistof gemaakt.
-
heterozygoot
Met twee verschillende allelen. Bij een recessieve aandoening heet zo iemand drager: zelf niets te merken, wel door te geven.
-
inprenting
Een vorm van leren die alleen in een korte periode vlak na de geboorte kan, en daarna vastligt. Eendenkuikens volgen wat ze dan zien.
-
zintuig
Een orgaan dat een prikkel uit de omgeving omzet in een signaal voor je zenuwen. Elk zintuig reageert op zijn eigen soort prikkel.
-
consument
Een organisme dat andere organismen eet. Een planteneter is eerste orde, wie die planteneter eet is tweede orde.
-
cytoplasma
De stroperige vloeistof die de cel vult, tussen het membraan en de kern. Daarin gebeurt het meeste werk van de cel.
-
celmembraan
Het laagje om de cel dat bepaalt wat er in en uit mag. Het is selectief doorlaatbaar: kleine en vetachtige stoffen gaan er makkelijk door, grote en geladen niet zomaar.
-
variatie
De verschillen tussen individuen van dezelfde soort. Zonder variatie valt er niets te selecteren, dus hier begint elke evolutie-uitleg.
-
vacuole
Een grote blaas vol vocht in een plantencel. Als die goed gevuld is staat de plant rechtop, loopt hij leeg dan hangt de plant slap.
-
terugresorptie
Het terughalen van stoffen die je nog nodig hebt, nadat ze eerst uit het bloed zijn gefilterd. Zo blijven glucose en veel water behouden.
-
urine
Wat er overblijft nadat je nieren hebben gefilterd en het bruikbare hebben teruggehaald. Vooral water met ureum en zouten erin.
-
gewricht
De plek waar twee botten elkaar raken en ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Kraakbeen en vocht zorgen dat het soepel gaat.
-
ademhaling
Lucht in en uit je longen pompen, met je middenrif en je ribspieren. Dat is iets anders dan de gaswisseling die daarbinnen gebeurt.
-
centraal zenuwstelsel
Je hersenen en je ruggenmerg samen. Daar komen signalen binnen en vandaar gaan de opdrachten terug naar je spieren en klieren.
-
kegeltje
Een zintuigcel in je netvlies voor kleur. Kegeltjes hebben veel licht nodig, dus in het donker zie je bijna geen kleur meer.
-
skelet
Alle botten samen. Je skelet geeft je lichaam stevigheid, beschermt je organen en geeft je spieren iets om aan te trekken.
-
dominant
Een allel dat het kenmerk laat zien ook als er maar één van is. Het overstemt het andere allel.