Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
40 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
vrij elektronenpaar
Een paar elektronen dat geen binding vormt. Zo n paar kan een plek met elektronentekort aanvallen, en dat is de eerste stap van veel reacties.
-
periodiek systeem
De tabel waarin alle elementen op atoomnummer staan. Elementen in dezelfde kolom gedragen zich hetzelfde, omdat ze evenveel elektronen in de buitenste schil hebben.
-
botsende deeltjes
Het model waarmee je reactiesnelheid uitlegt: deeltjes moeten elkaar raken, hard genoeg en op de goede manier. Elke manier om een reactie te versnellen zorgt voor meer of hardere botsingen.
-
poort tot poort
Een afbakening waarbij alleen meetelt wat er binnen het hek van de fabriek gebeurt. Van wieg tot graf telt de hele levensloop mee, en dat geeft vaak een ander beeld.
-
atoommodel
De voorstelling van een atoom die we op dit moment gebruiken. Hij is in tweehonderd jaar een paar keer aangepast, telkens omdat een waarneming niet in het oude model paste.
-
kloppend maken
Zorgen dat er links en rechts van de pijl van elk element evenveel atomen staan, door coëfficiënten voor de formules te zetten. De formules zelf mag je nooit veranderen; dan maak je er een andere stof van.
-
microniveau
Het niveau van de deeltjes: atomen, ionen en moleculen, en de bindingen ertussen. Een uitleg is pas compleet als je van macroniveau naar microniveau gaat.
-
continu proces
Een proces waarbij er altijd stof in gaat en uit komt, zonder te stoppen. Geschikt voor grote hoeveelheden van hetzelfde product, zoals in een raffinaderij.
-
grenswaarde
De hoogste concentratie van een stof in de lucht waar iemand nog veilig aan blootgesteld mag worden. Een stof is dus niet gevaarlijk of veilig: het gaat om de hoeveelheid en de tijd.
-
stookwaarde
De energie die vrijkomt bij het verbranden van een hoeveelheid brandstof, bijvoorbeeld in joule per gram. Je zoekt hem op en gebruikt hem om brandstoffen eerlijk te vergelijken.
-
eiwit
Een polymeer van aminozuren, aan elkaar geregen met amidebindingen. De volgorde van de aminozuren bepaalt de vorm, en de vorm bepaalt wat het eiwit doet.
-
verdelingsgraad
Hoe fijn een vaste stof verdeeld is. Poeder reageert sneller dan een blok, omdat het contactoppervlak groter is en er dus meer botsingen per seconde zijn.
-
enzym
Een eiwit dat in een organisme als katalysator werkt. Een enzym past maar op een bepaalde stof, en bij te hoge temperatuur verliest hij door denaturatie zijn vorm en daarmee zijn werking.
-
adsorberen
Scheiden op aanhechting: een stof blijft aan een oppervlak plakken, bijvoorbeeld aan actieve kool. Zo haal je kleur- en geurstoffen uit water.
-
chemisch evenwicht
De toestand waarin de reactie naar rechts en de reactie naar links even snel gaan. Er gebeurt nog steeds iets, maar de hoeveelheden veranderen niet meer. Je schrijft er twee halve pijlen bij.
-
endotherm
Een proces dat warmte opneemt uit de omgeving. De omgeving wordt kouder; zonder warmte van buiten stopt het proces.
-
blanco meting
Een meting zonder de stof die je onderzoekt, met al het andere hetzelfde. Zo weet je wat de opstelling zelf al geeft, en kun je dat van je uitkomst aftrekken.
-
apolaire stof
Een stof waarvan de moleculen geen plus- en minkant hebben, zoals benzine en olie. Apolaire stoffen lossen in elkaar op, maar niet in water. Vandaar: gelijksoortige stoffen lossen in elkaar op.
-
zuur
Een stof die in water waterstofionen afstaat, zoals zoutzuur en azijnzuur. Een zure oplossing heeft een pH onder 7.
-
model
Een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid, bedoeld om iets te kunnen uitleggen of voorspellen. Elk model laat dingen weg, dus je kiest het model bij de vraag die je hebt.
-
recirculatie
Een stroom die je terugvoert naar een eerdere stap, bijvoorbeeld de beginstof die nog niet gereageerd heeft. Zo gaat er minder grondstof verloren en stijgt het rendement van de hele fabriek.
-
leerdoel
In één zin wat je nog niet kunt, bijvoorbeeld: ik vergeet de molverhouding. Dat is bruikbaarder dan de constatering dat iets fout ging.
-
mol
Een afgesproken aantal deeltjes: 6,02 keer tien tot de macht 23. Met mol reken je van deeltjes naar grammen en terug, want een reactievergelijking geeft een verhouding in deeltjes en je weegt in grammen.
-
polaire stof
Een stof waarvan de moleculen een plus- en een minkant hebben, doordat de lading niet gelijk verdeeld is. Polaire stoffen lossen goed op in water, dat zelf ook polair is.
-
bijproduct
Een stof die naast het gewenste product ontstaat en die nog bruikbaar is. Kun je er niets mee, dan is het afval, en dan kost het geld in plaats van dat het geld opbrengt.
-
evenwicht verschuiven
Een evenwicht reageert op een verandering door de kant op te gaan die de verandering deels opheft. Meer beginstof, een lagere temperatuur bij een exotherme reactie of een hogere druk bij minder gasdeeltjes rechts: allemaal duwen ze het evenwicht naar rechts.
-
oplosbaarheid
Hoeveel van een stof er maximaal in een hoeveelheid oplosmiddel kan oplossen. Je zoekt het op in een tabel; het hangt af van de temperatuur en van hoe polair de stoffen zijn.
-
meetonzekerheid
De marge waarbinnen je meting ligt. Een verschil dat kleiner is dan je onzekerheid is geen verschil, en dat bepaalt of een afwijking van een model iets betekent.
-
evenwichtsvoorwaarde
De breuk die bij een evenwicht een vaste waarde heeft: de concentraties van de producten vermenigvuldigd, elk tot de macht van zijn coëfficiënt, gedeeld door hetzelfde voor de beginstoffen. Vaste stoffen laat je eruit.
-
beginstof
Een stof die je in een reactie stopt en die tijdens de reactie opraakt. Beginstoffen staan links van de pijl. Een ander woord is reactant.
-
composiet
Een materiaal dat uit twee materialen bestaat die elkaar aanvullen, bijvoorbeeld sterke vezels in een kunststof. Samen zijn ze sterker of lichter dan elk apart.
-
polymeer
Een heel lang molecuul dat is opgebouwd uit veel kleine, steeds terugkerende stukken. Plastic, eiwit en zetmeel zijn polymeren.
-
biomassa
Grondstof uit levend of recent levend materiaal, zoals hout, mais of afval uit de landbouw. De koolstof erin komt uit de lucht, dus bij verbranden gaat hij terug naar waar hij vandaan kwam.
-
volledige verbranding
Verbranding met genoeg zuurstof. Bij een koolwaterstof ontstaan dan alleen CO2 en H2O, en komt alle energie vrij.
-
pH
Een maat voor hoe zuur een oplossing is. Elke stap van 1 betekent een factor 10: pH 3 is tien keer zo zuur als pH 4. Bij pH 7 is de oplossing neutraal.
-
E-factor
De hoeveelheid afval per kilo product. In de fijnchemie loopt die hoog op, en juist daar is de meeste winst te halen.
-
molecular modelling
Een molecuul of een reactiestap op de computer narekenen, bijvoorbeeld om te zien hoe hoog de energie van een tussenproduct ligt. Daarmee kies je tussen routes zonder ze allemaal uit te voeren.
-
evenwichtsconstante
De waarde van die breuk, K. Een grote K betekent veel product. K verandert alleen met de temperatuur; concentratie en druk verschuiven het evenwicht maar laten K staan.
-
terugslageffect
Dat een efficiënter proces leidt tot meer productie, waardoor de winst in het totaal weer verdwijnt. Daarom zeggen cijfers per kilo niet alles.
-
titratie
Een meting waarbij je precies zoveel van een oplossing toevoegt tot de reactie klaar is. Aan het omslaan van de indicator of aan een sprong in de meting zie je het eindpunt.