Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

40 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. vrij elektronenpaar

    Een paar elektronen dat geen binding vormt. Zo n paar kan een plek met elektronentekort aanvallen, en dat is de eerste stap van veel reacties.

    Naar de les over Welk deeltjesmodel kies je

  2. periodiek systeem

    De tabel waarin alle elementen op atoomnummer staan. Elementen in dezelfde kolom gedragen zich hetzelfde, omdat ze evenveel elektronen in de buitenste schil hebben.

    Naar de les over Meten, noteren en afronden

  3. botsende deeltjes

    Het model waarmee je reactiesnelheid uitlegt: deeltjes moeten elkaar raken, hard genoeg en op de goede manier. Elke manier om een reactie te versnellen zorgt voor meer of hardere botsingen.

    Naar de les over Reactiesnelheid berekenen

  4. poort tot poort

    Een afbakening waarbij alleen meetelt wat er binnen het hek van de fabriek gebeurt. Van wieg tot graf telt de hele levensloop mee, en dat geeft vaak een ander beeld.

    Naar de les over Een duurzaamheidsclaim beoordelen

  5. atoommodel

    De voorstelling van een atoom die we op dit moment gebruiken. Hij is in tweehonderd jaar een paar keer aangepast, telkens omdat een waarneming niet in het oude model paste.

    Naar de les over Hoe chemische kennis groeit

  6. kloppend maken

    Zorgen dat er links en rechts van de pijl van elk element evenveel atomen staan, door coëfficiënten voor de formules te zetten. De formules zelf mag je nooit veranderen; dan maak je er een andere stof van.

    Naar de les over Behoudswetten als controle

  7. microniveau

    Het niveau van de deeltjes: atomen, ionen en moleculen, en de bindingen ertussen. Een uitleg is pas compleet als je van macroniveau naar microniveau gaat.

    Naar de les over Schaalniveaus in je redenering

  8. continu proces

    Een proces waarbij er altijd stof in gaat en uit komt, zonder te stoppen. Geschikt voor grote hoeveelheden van hetzelfde product, zoals in een raffinaderij.

    Naar de les over Een blokschema doorrekenen

  9. grenswaarde

    De hoogste concentratie van een stof in de lucht waar iemand nog veilig aan blootgesteld mag worden. Een stof is dus niet gevaarlijk of veilig: het gaat om de hoeveelheid en de tijd.

    Naar de les over Normen voor water, lucht en bodem

  10. stookwaarde

    De energie die vrijkomt bij het verbranden van een hoeveelheid brandstof, bijvoorbeeld in joule per gram. Je zoekt hem op en gebruikt hem om brandstoffen eerlijk te vergelijken.

    Naar de les over Energie in de industrie

  11. eiwit

    Een polymeer van aminozuren, aan elkaar geregen met amidebindingen. De volgorde van de aminozuren bepaalt de vorm, en de vorm bepaalt wat het eiwit doet.

    Naar de les over Chemie in een cel

  12. verdelingsgraad

    Hoe fijn een vaste stof verdeeld is. Poeder reageert sneller dan een blok, omdat het contactoppervlak groter is en er dus meer botsingen per seconde zijn.

    Naar de les over Reactiesnelheid berekenen

  13. enzym

    Een eiwit dat in een organisme als katalysator werkt. Een enzym past maar op een bepaalde stof, en bij te hoge temperatuur verliest hij door denaturatie zijn vorm en daarmee zijn werking.

    Naar de les over Chemie in een cel

  14. adsorberen

    Scheiden op aanhechting: een stof blijft aan een oppervlak plakken, bijvoorbeeld aan actieve kool. Zo haal je kleur- en geurstoffen uit water.

    Naar de les over Scheiden en analyseren kiezen

  15. chemisch evenwicht

    De toestand waarin de reactie naar rechts en de reactie naar links even snel gaan. Er gebeurt nog steeds iets, maar de hoeveelheden veranderen niet meer. Je schrijft er twee halve pijlen bij.

    Naar de les over Rekenen aan een evenwicht

  16. endotherm

    Een proces dat warmte opneemt uit de omgeving. De omgeving wordt kouder; zonder warmte van buiten stopt het proces.

    Naar de les over Rekenen met bindingsenergie

  17. blanco meting

    Een meting zonder de stof die je onderzoekt, met al het andere hetzelfde. Zo weet je wat de opstelling zelf al geeft, en kun je dat van je uitkomst aftrekken.

    Naar de les over Van vraag naar onderzoeksopzet

  18. apolaire stof

    Een stof waarvan de moleculen geen plus- en minkant hebben, zoals benzine en olie. Apolaire stoffen lossen in elkaar op, maar niet in water. Vandaar: gelijksoortige stoffen lossen in elkaar op.

    Naar de les over Welk deeltjesmodel kies je

  19. zuur

    Een stof die in water waterstofionen afstaat, zoals zoutzuur en azijnzuur. Een zure oplossing heeft een pH onder 7.

    Naar de les over Reacties indelen

  20. model

    Een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid, bedoeld om iets te kunnen uitleggen of voorspellen. Elk model laat dingen weg, dus je kiest het model bij de vraag die je hebt.

    Naar de les over Een model toetsen

  21. recirculatie

    Een stroom die je terugvoert naar een eerdere stap, bijvoorbeeld de beginstof die nog niet gereageerd heeft. Zo gaat er minder grondstof verloren en stijgt het rendement van de hele fabriek.

    Naar de les over Een blokschema doorrekenen

  22. leerdoel

    In één zin wat je nog niet kunt, bijvoorbeeld: ik vergeet de molverhouding. Dat is bruikbaarder dan de constatering dat iets fout ging.

    Naar de les over Weten wat je nog niet snapt

  23. mol

    Een afgesproken aantal deeltjes: 6,02 keer tien tot de macht 23. Met mol reken je van deeltjes naar grammen en terug, want een reactievergelijking geeft een verhouding in deeltjes en je weegt in grammen.

    Naar de les over Rekenen aan een proces

  24. polaire stof

    Een stof waarvan de moleculen een plus- en een minkant hebben, doordat de lading niet gelijk verdeeld is. Polaire stoffen lossen goed op in water, dat zelf ook polair is.

    Naar de les over Welk deeltjesmodel kies je

  25. bijproduct

    Een stof die naast het gewenste product ontstaat en die nog bruikbaar is. Kun je er niets mee, dan is het afval, en dan kost het geld in plaats van dat het geld opbrengt.

    Naar de les over De principes van groene chemie

  26. evenwicht verschuiven

    Een evenwicht reageert op een verandering door de kant op te gaan die de verandering deels opheft. Meer beginstof, een lagere temperatuur bij een exotherme reactie of een hogere druk bij minder gasdeeltjes rechts: allemaal duwen ze het evenwicht naar rechts.

    Naar de les over Rekenen aan een evenwicht

  27. oplosbaarheid

    Hoeveel van een stof er maximaal in een hoeveelheid oplosmiddel kan oplossen. Je zoekt het op in een tabel; het hangt af van de temperatuur en van hoe polair de stoffen zijn.

    Naar de les over Scheiden en analyseren kiezen

  28. meetonzekerheid

    De marge waarbinnen je meting ligt. Een verschil dat kleiner is dan je onzekerheid is geen verschil, en dat bepaalt of een afwijking van een model iets betekent.

    Naar de les over Meten, noteren en afronden

  29. evenwichtsvoorwaarde

    De breuk die bij een evenwicht een vaste waarde heeft: de concentraties van de producten vermenigvuldigd, elk tot de macht van zijn coëfficiënt, gedeeld door hetzelfde voor de beginstoffen. Vaste stoffen laat je eruit.

    Naar de les over Rekenen aan een evenwicht

  30. beginstof

    Een stof die je in een reactie stopt en die tijdens de reactie opraakt. Beginstoffen staan links van de pijl. Een ander woord is reactant.

    Naar de les over Waarom een stof reageert

  31. composiet

    Een materiaal dat uit twee materialen bestaat die elkaar aanvullen, bijvoorbeeld sterke vezels in een kunststof. Samen zijn ze sterker of lichter dan elk apart.

    Naar de les over Van vinding naar markt

  32. polymeer

    Een heel lang molecuul dat is opgebouwd uit veel kleine, steeds terugkerende stukken. Plastic, eiwit en zetmeel zijn polymeren.

    Naar de les over Een synthese plannen

  33. biomassa

    Grondstof uit levend of recent levend materiaal, zoals hout, mais of afval uit de landbouw. De koolstof erin komt uit de lucht, dus bij verbranden gaat hij terug naar waar hij vandaan kwam.

    Naar de les over Energiebronnen vergelijken

  34. volledige verbranding

    Verbranding met genoeg zuurstof. Bij een koolwaterstof ontstaan dan alleen CO2 en H2O, en komt alle energie vrij.

    Naar de les over Reacties indelen

  35. pH

    Een maat voor hoe zuur een oplossing is. Elke stap van 1 betekent een factor 10: pH 3 is tien keer zo zuur als pH 4. Bij pH 7 is de oplossing neutraal.

    Naar de les over Reacties indelen

  36. E-factor

    De hoeveelheid afval per kilo product. In de fijnchemie loopt die hoog op, en juist daar is de meeste winst te halen.

    Naar de les over De principes van groene chemie

  37. molecular modelling

    Een molecuul of een reactiestap op de computer narekenen, bijvoorbeeld om te zien hoe hoog de energie van een tussenproduct ligt. Daarmee kies je tussen routes zonder ze allemaal uit te voeren.

    Naar de les over Een reactiemechanisme opstellen

  38. evenwichtsconstante

    De waarde van die breuk, K. Een grote K betekent veel product. K verandert alleen met de temperatuur; concentratie en druk verschuiven het evenwicht maar laten K staan.

    Naar de les over Rekenen aan een evenwicht

  39. terugslageffect

    Dat een efficiënter proces leidt tot meer productie, waardoor de winst in het totaal weer verdwijnt. Daarom zeggen cijfers per kilo niet alles.

    Naar de les over Een duurzaamheidsclaim beoordelen

  40. titratie

    Een meting waarbij je precies zoveel van een oplossing toevoegt tot de reactie klaar is. Aan het omslaan van de indicator of aan een sprong in de meting zie je het eindpunt.

    Naar de les over Scheiden en analyseren kiezen

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 159 begrippen.

2 onderwerpen
15 onderwerpen
11 onderwerpen
6 onderwerpen
5 onderwerpen
7 onderwerpen
Begin opnieuw