Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
20 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
mesoniveau
Het niveau daartussenin: korrels, vezels, poriën en kristallen. Hiermee leg je uit waarom hetzelfde materiaal als poeder anders doet dan als blok.
-
kringloop
De route die atomen steeds opnieuw afleggen door natuur, industrie en organismen, zoals de koolstofkringloop. Omdat atomen niet verdwijnen, komt elk atoom ergens terug.
-
broeikasgas
Een gas dat warmte in de atmosfeer vasthoudt, zoals CO2 en methaan. Daarom telt bij een proces niet alleen hoeveel energie het kost, maar ook welk gas erbij vrijkomt.
-
monomeer
Het kleine molecuul waaruit een polymeer wordt opgebouwd. Etheen is het monomeer van polyetheen.
-
microniveau
Het niveau van de deeltjes: atomen, ionen en moleculen, en de bindingen ertussen. Een uitleg is pas compleet als je van macroniveau naar microniveau gaat.
-
massagetal
Het aantal protonen plus neutronen in de kern. Twee atomen van hetzelfde element met een verschillend massagetal heten isotopen: ze reageren gelijk, maar wegen niet hetzelfde.
-
ketenanalyse
Een analyse van alle stappen van grondstof tot afval, met per stap de stoffen, de energie en de uitstoot. Hiermee zie je waar de winst echt te halen is, en niet alleen in de fabriek zelf.
-
blokschema
Een schema van een fabriek met per blok een stap, en pijlen voor de stromen ertussen. Je leest eraan af waar stoffen in gaan, waar ze teruggaan en waar ze de fabriek verlaten.
-
opschalen
Hetzelfde proces veel groter uitvoeren. Dat gaat niet simpelweg maal duizend: warmte afvoeren, mengen en veiligheid worden bij een groot vat ineens het grootste probleem.
-
kloppend maken
Zorgen dat er links en rechts van de pijl van elk element evenveel atomen staan, door coëfficiënten voor de formules te zetten. De formules zelf mag je nooit veranderen; dan maak je er een andere stof van.
-
substraat
De stof waar een enzym op past en mee werkt. Het past in de holte van het enzym als een sleutel in een slot.
-
energiediagram
Een tekening met de energie van de beginstoffen, de top ertussen en de energie van de producten. Je leest er af of de reactie exotherm of endotherm is, en hoe hoog de drempel is.
-
innovatie
Een nieuwe toepassing die ook echt in gebruik komt. Een vinding is pas een innovatie als er een probleem bij past en het op schaal te maken is.
-
ATP
Het molecuul waarin een cel energie verhandelt. Een reactie die energie levert wordt eraan gekoppeld, en een reactie die energie kost haalt het eruit.
-
isomeren
Stoffen met dezelfde molecuulformule maar een andere structuurformule. Ze hebben daardoor andere eigenschappen, bijvoorbeeld een ander kookpunt.
-
hydrofiel
Letterlijk: waterminnend. Een hydrofiel deel van een molecuul trekt water aan, omdat het polair is of een lading heeft. Zeep werkt doordat een zeepmolecuul een hydrofiel en een hydrofoob uiteinde heeft.
-
eiwit
Een polymeer van aminozuren, aan elkaar geregen met amidebindingen. De volgorde van de aminozuren bepaalt de vorm, en de vorm bepaalt wat het eiwit doet.
-
overmaat
De stof die er meer is dan nodig en die dus niet opraakt. De andere stof bepaalt hoeveel product je krijgt; die heet de stof in ondermaat of de beperkende stof. Reken altijd met de stof in ondermaat.
-
atoombinding
De binding waarbij twee atomen een paar elektronen samen gebruiken. Dit is de binding binnen een molecuul, en die is sterk. Hij heet ook covalente binding.
-
legering
Een metaal waarin andere atomen zijn opgenomen, zoals staal of brons. De vreemde atomen maken het rooster onregelmatig, waardoor de legering harder is dan het zuivere metaal.