Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

20 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. mesoniveau

    Het niveau daartussenin: korrels, vezels, poriën en kristallen. Hiermee leg je uit waarom hetzelfde materiaal als poeder anders doet dan als blok.

    Naar de les over Schaalniveaus in je redenering

  2. kringloop

    De route die atomen steeds opnieuw afleggen door natuur, industrie en organismen, zoals de koolstofkringloop. Omdat atomen niet verdwijnen, komt elk atoom ergens terug.

    Naar de les over Behoudswetten als controle

  3. broeikasgas

    Een gas dat warmte in de atmosfeer vasthoudt, zoals CO2 en methaan. Daarom telt bij een proces niet alleen hoeveel energie het kost, maar ook welk gas erbij vrijkomt.

    Naar de les over Een milieueffect in kaart

  4. monomeer

    Het kleine molecuul waaruit een polymeer wordt opgebouwd. Etheen is het monomeer van polyetheen.

    Naar de les over Een synthese plannen

  5. microniveau

    Het niveau van de deeltjes: atomen, ionen en moleculen, en de bindingen ertussen. Een uitleg is pas compleet als je van macroniveau naar microniveau gaat.

    Naar de les over Schaalniveaus in je redenering

  6. massagetal

    Het aantal protonen plus neutronen in de kern. Twee atomen van hetzelfde element met een verschillend massagetal heten isotopen: ze reageren gelijk, maar wegen niet hetzelfde.

    Naar de les over Welk deeltjesmodel kies je

  7. ketenanalyse

    Een analyse van alle stappen van grondstof tot afval, met per stap de stoffen, de energie en de uitstoot. Hiermee zie je waar de winst echt te halen is, en niet alleen in de fabriek zelf.

    Naar de les over Een bedrijfsproces analyseren

  8. blokschema

    Een schema van een fabriek met per blok een stap, en pijlen voor de stromen ertussen. Je leest eraan af waar stoffen in gaan, waar ze teruggaan en waar ze de fabriek verlaten.

    Naar de les over Een blokschema doorrekenen

  9. opschalen

    Hetzelfde proces veel groter uitvoeren. Dat gaat niet simpelweg maal duizend: warmte afvoeren, mengen en veiligheid worden bij een groot vat ineens het grootste probleem.

    Naar de les over Van labschaal naar fabriek

  10. kloppend maken

    Zorgen dat er links en rechts van de pijl van elk element evenveel atomen staan, door coëfficiënten voor de formules te zetten. De formules zelf mag je nooit veranderen; dan maak je er een andere stof van.

    Naar de les over Behoudswetten als controle

  11. substraat

    De stof waar een enzym op past en mee werkt. Het past in de holte van het enzym als een sleutel in een slot.

    Naar de les over Waarom een stof kieskeurig is

  12. energiediagram

    Een tekening met de energie van de beginstoffen, de top ertussen en de energie van de producten. Je leest er af of de reactie exotherm of endotherm is, en hoe hoog de drempel is.

    Naar de les over De drempel en de katalysator

  13. innovatie

    Een nieuwe toepassing die ook echt in gebruik komt. Een vinding is pas een innovatie als er een probleem bij past en het op schaal te maken is.

    Naar de les over Van vinding naar markt

  14. ATP

    Het molecuul waarin een cel energie verhandelt. Een reactie die energie levert wordt eraan gekoppeld, en een reactie die energie kost haalt het eruit.

    Naar de les over Chemie in een cel

  15. isomeren

    Stoffen met dezelfde molecuulformule maar een andere structuurformule. Ze hebben daardoor andere eigenschappen, bijvoorbeeld een ander kookpunt.

    Naar de les over Van eigenschap naar structuur

  16. hydrofiel

    Letterlijk: waterminnend. Een hydrofiel deel van een molecuul trekt water aan, omdat het polair is of een lading heeft. Zeep werkt doordat een zeepmolecuul een hydrofiel en een hydrofoob uiteinde heeft.

    Naar de les over Bindingen binnen en tussen

  17. eiwit

    Een polymeer van aminozuren, aan elkaar geregen met amidebindingen. De volgorde van de aminozuren bepaalt de vorm, en de vorm bepaalt wat het eiwit doet.

    Naar de les over Chemie in een cel

  18. overmaat

    De stof die er meer is dan nodig en die dus niet opraakt. De andere stof bepaalt hoeveel product je krijgt; die heet de stof in ondermaat of de beperkende stof. Reken altijd met de stof in ondermaat.

    Naar de les over Rekenen aan een proces

  19. atoombinding

    De binding waarbij twee atomen een paar elektronen samen gebruiken. Dit is de binding binnen een molecuul, en die is sterk. Hij heet ook covalente binding.

    Naar de les over Bindingen binnen en tussen

  20. legering

    Een metaal waarin andere atomen zijn opgenomen, zoals staal of brons. De vreemde atomen maken het rooster onregelmatig, waardoor de legering harder is dan het zuivere metaal.

    Naar de les over Van eigenschap naar structuur

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 159 begrippen.

2 onderwerpen
15 onderwerpen
11 onderwerpen
6 onderwerpen
5 onderwerpen
7 onderwerpen
Begin opnieuw