Begrippenlijst
vwo159 begrippen die je bij Scheikunde op vwo moet kennen, elk met een paar zinnen uitleg. Staat er een les bij, dan wordt het begrip daar gebruikt en geoefend.
A 15
- activeringsenergie C10
- De energie die deeltjes minstens nodig hebben om te kunnen reageren: de top in het energiediagram. Ook een exotherme reactie heeft die drempel, en daarom brandt benzine niet van zichzelf. Naar de les
- additie D3
- Een reactie waarbij een deeltje aan een dubbele binding wordt gekoppeld zonder dat er iets afgaat. Alle atomen komen in het product terecht. Naar de les
- adsorberen D1
- Scheiden op aanhechting: een stof blijft aan een oppervlak plakken, bijvoorbeeld aan actieve kool. Zo haal je kleur- en geurstoffen uit water. Naar de les
- aflopende reactie C5
- Een reactie die doorgaat tot een van de beginstoffen op is. Dat gebeurt bijvoorbeeld als een product als gas ontsnapt of neerslaat, zodat het niet kan terugreageren. Naar de les
- alcohol D3
- Een stof met een OH-groep aan een koolstofketen. Die groep is polair, dus een kleine alcohol lost goed op in water en kookt hoger dan een koolwaterstof van dezelfde grootte. Naar de les
- amidebinding D3
- De binding tussen een carbonzuurgroep en een aminegroep, met water als restproduct. Eiwitten en nylon zijn met amidebindingen aan elkaar geregen. Naar de les
- amine D3
- Een stof met een NH2-groep aan een koolstofketen. Amines zijn zwakke basen en zijn de bouwsteen van veel medicijnen. Naar de les
- apolaire stof B1
- Een stof waarvan de moleculen geen plus- en minkant hebben, zoals benzine en olie. Apolaire stoffen lossen in elkaar op, maar niet in water. Vandaar: gelijksoortige stoffen lossen in elkaar op. Naar de les
- atoom B1
- Het kleinste deeltje van een element dat nog dat element is. In het midden zit de kern met protonen en neutronen, daarbuiten bewegen de elektronen. Bij een chemische reactie gaat een atoom nooit stuk: hij komt alleen op een andere plek terecht. Naar de les
- atoombinding B3
- De binding waarbij twee atomen een paar elektronen samen gebruiken. Dit is de binding binnen een molecuul, en die is sterk. Hij heet ook covalente binding. Naar de les
- atoomeconomie F2
- Welk deel van de massa van je beginstoffen ook echt in het gewenste product terechtkomt. Een reactie kan een mooi rendement hebben en toch een slechte atoomeconomie, als er veel bijproduct ontstaat. Naar de les
- atoommodel A15
- De voorstelling van een atoom die we op dit moment gebruiken. Hij is in tweehonderd jaar een paar keer aangepast, telkens omdat een waarneming niet in het oude model paste. Naar de les
- atoomnummer B1
- Het aantal protonen in de kern. Dat getal bepaalt welk element het is: zes protonen is altijd koolstof. Je leest het af in het periodiek systeem. Naar de les
- atoomrooster B4
- Een rooster waarin alle atomen met atoombindingen aan elkaar vast zitten, zoals in diamant. Hoog smeltpunt, en in tegenstelling tot een zout geleidt het nooit. Naar de les
- ATP G1
- Het molecuul waarin een cel energie verhandelt. Een reactie die energie levert wordt eraan gekoppeld, en een reactie die energie kost haalt het eruit. Naar de les
B 14
- base C7
- Een stof die in water waterstofionen opneemt of hydroxide-ionen afstaat, zoals ammonia en natronlucht. Een basische oplossing heeft een pH boven 7. Naar de les
- batchproces F1
- Een proces per portie: vullen, laten reageren, legen, schoonmaken. Handig voor kleine hoeveelheden en wisselende producten, zoals medicijnen. Naar de les
- beargumenteerd oordeel A9
- Een oordeel waarbij je de feiten, de norm en je eigen afweging uit elkaar houdt en benoemt waarop je oordeel rust. Zonder die scheiding is het een mening. Naar de les
- beginstof C1
- Een stof die je in een reactie stopt en die tijdens de reactie opraakt. Beginstoffen staan links van de pijl. Een ander woord is reactant. Naar de les
- bezinken D1
- Scheiden op dichtheid: de zwaardere deeltjes zakken naar de bodem en je giet de vloeistof eraf. Een centrifuge versnelt hetzelfde. Naar de les
- bijproduct F2
- Een stof die naast het gewenste product ontstaat en die nog bruikbaar is. Kun je er niets mee, dan is het afval, en dan kost het geld in plaats van dat het geld opbrengt. Naar de les
- bindingsenergie C6
- De energie die nodig is om een mol van een bepaalde binding te verbreken. Verbreken kost, vormen levert op, en het verschil is de reactie-energie. Naar de les
- bioaccumulatie G2
- Het ophopen van een stof in organismen, en bij elke stap in de voedselketen sterker. Typisch voor stoffen die apolair zijn en niet worden afgebroken. Naar de les
- biomassa G3
- Grondstof uit levend of recent levend materiaal, zoals hout, mais of afval uit de landbouw. De koolstof erin komt uit de lucht, dus bij verbranden gaat hij terug naar waar hij vandaan kwam. Naar de les
- blanco meting A5
- Een meting zonder de stof die je onderzoekt, met al het andere hetzelfde. Zo weet je wat de opstelling zelf al geeft, en kun je dat van je uitkomst aftrekken. Naar de les
- blokschema F1
- Een schema van een fabriek met per blok een stap, en pijlen voor de stromen ertussen. Je leest eraan af waar stoffen in gaan, waar ze teruggaan en waar ze de fabriek verlaten. Naar de les
- botsende deeltjes C4
- Het model waarmee je reactiesnelheid uitlegt: deeltjes moeten elkaar raken, hard genoeg en op de goede manier. Elke manier om een reactie te versnellen zorgt voor meer of hardere botsingen. Naar de les
- broeikasgas G2
- Een gas dat warmte in de atmosfeer vasthoudt, zoals CO2 en methaan. Daarom telt bij een proces niet alleen hoeveel energie het kost, maar ook welk gas erbij vrijkomt. Naar de les
- bronkritiek A1
- Nagaan wie een bron gemaakt heeft, waarop die berust en of hij bij jouw vraag past. Een meting met een beschreven methode weegt zwaarder dan een uitspraak zonder cijfers. Naar de les
C 10
- carbonzuur D3
- Een stof met een COOH-groep. Carbonzuren zijn zwakke zuren; azijnzuur in azijn en citroenzuur in fruit zijn carbonzuren. Naar de les
- chemisch evenwicht C5
- De toestand waarin de reactie naar rechts en de reactie naar links even snel gaan. Er gebeurt nog steeds iets, maar de hoeveelheden veranderen niet meer. Je schrijft er twee halve pijlen bij. Naar de les
- chemische reactie C1
- Een proces waarbij stoffen verdwijnen en er andere stoffen ontstaan. Je ziet het aan een nieuwe kleur, een gas, een neerslag of een temperatuurverandering, en je herkent het eraan dat de nieuwe stof andere eigenschappen heeft. Naar de les
- chromatografie D1
- Scheiden op een verschil in aanhechting en meelopen, bijvoorbeeld op papier. De stof die zich het minst vastgrijpt komt het verst mee, en zo zie je hoeveel stoffen er in een mengsel zitten. Naar de les
- circulaire economie F5
- Een economie waarin materialen na gebruik weer grondstof worden, in plaats van afval. Hergebruik van het hele product gaat voor; recyclen van het materiaal is pas de stap daarna. Naar de les
- composiet E4
- Een materiaal dat uit twee materialen bestaat die elkaar aanvullen, bijvoorbeeld sterke vezels in een kunststof. Samen zijn ze sterker of lichter dan elk apart. Naar de les
- concentratie C2
- Hoeveel stof er in een hoeveelheid oplossing zit, meestal in mol per liter. Let op het verschil tussen de hoeveelheid stof en de concentratie: een halve liter van een sterke oplossing kan minder stof bevatten dan een emmer van een zwakke. Naar de les
- condensatiereactie D3
- Een reactie waarbij twee moleculen aan elkaar gaan en er een klein molecuul vrijkomt, meestal water. Zo ontstaan esters, eiwitten en nylon. Naar de les
- context A11
- De situatie waarin een vraag is verpakt: een fabriek, een ziekenhuis, een meer. Je haalt er het chemische concept uit, rekent daarmee, en vertaalt je antwoord terug. Naar de les
- continu proces F1
- Een proces waarbij er altijd stof in gaat en uit komt, zonder te stoppen. Geschikt voor grote hoeveelheden van hetzelfde product, zoals in een raffinaderij. Naar de les
D 4
- denaturatie G1
- Het verliezen van de vorm van een eiwit door warmte, zuur of zout, waardoor het niet meer werkt. Een ei dat hard wordt is gedenatureerd eiwit. Naar de les
- destilleren D1
- Scheiden op kookpunt: je laat het mengsel koken en vangt de damp weer op als vloeistof. Zo haal je alcohol uit wijn en benzine uit aardolie. Naar de les
- dichtheid C2
- De massa per volume-eenheid, bijvoorbeeld in gram per cm3. Met de dichtheid reken je van een volume naar een massa, en dat heb je nodig voordat je naar mol kunt. Naar de les
- duurzaamheid A14
- Of iets ook op lange termijn kan doorgaan zonder de aarde of mensen uit te putten. Je weegt altijd drie dingen tegen elkaar af: milieu, mensen en geld. Naar de les
E 15
- E-factor F2
- De hoeveelheid afval per kilo product. In de fijnchemie loopt die hoog op, en juist daar is de meeste winst te halen. Naar de les
- edelgasconfiguratie B1
- Een volle buitenste elektronenschil, net als bij een edelgas. Atomen staan elektronen af, nemen ze op of delen ze om daar te komen; dat verklaart welke ionen en bindingen ontstaan. Naar de les
- eiwit G1
- Een polymeer van aminozuren, aan elkaar geregen met amidebindingen. De volgorde van de aminozuren bepaalt de vorm, en de vorm bepaalt wat het eiwit doet. Naar de les
- element B1
- Een stof die uit maar een soort atomen bestaat, zoals ijzer of zuurstof. Een element kun je met een chemische reactie niet verder opdelen. Naar de les
- emissie G2
- Wat een proces uitstoot naar lucht, water of bodem. Voor emissies gelden wettelijke eisen, en die bepalen mede hoe een fabriek ontworpen wordt. Naar de les
- endotherm C6
- Een proces dat warmte opneemt uit de omgeving. De omgeving wordt kouder; zonder warmte van buiten stopt het proces. Naar de les
- energiediagram C10
- Een tekening met de energie van de beginstoffen, de top ertussen en de energie van de producten. Je leest er af of de reactie exotherm of endotherm is, en hoe hoog de drempel is. Naar de les
- energiedrager G3
- Iets wat energie vervoert maar zelf geen bron is, zoals waterstof en elektriciteit. Hoe schoon ze zijn hangt volledig af van hoe ze gemaakt worden. Naar de les
- enzym G1
- Een eiwit dat in een organisme als katalysator werkt. Een enzym past maar op een bepaalde stof, en bij te hoge temperatuur verliest hij door denaturatie zijn vorm en daarmee zijn werking. Naar de les
- ester D3
- De stof die ontstaat als een alcohol en een carbonzuur met elkaar reageren, waarbij water vrijkomt. Esters ruiken vaak naar fruit en zitten in aroma, geurstof en vet. Naar de les
- evenwicht verschuiven C5
- Een evenwicht reageert op een verandering door de kant op te gaan die de verandering deels opheft. Meer beginstof, een lagere temperatuur bij een exotherme reactie of een hogere druk bij minder gasdeeltjes rechts: allemaal duwen ze het evenwicht naar rechts. Naar de les
- evenwichtsconstante C5
- De waarde van die breuk, K. Een grote K betekent veel product. K verandert alleen met de temperatuur; concentratie en druk verschuiven het evenwicht maar laten K staan. Naar de les
- evenwichtsvoorwaarde C5
- De breuk die bij een evenwicht een vaste waarde heeft: de concentraties van de producten vermenigvuldigd, elk tot de macht van zijn coëfficiënt, gedeeld door hetzelfde voor de beginstoffen. Vaste stoffen laat je eruit. Naar de les
- exotherm C6
- Een proces dat warmte afstaat aan de omgeving, zoals verbranden. De omgeving wordt warmer en de producten bevatten minder chemische energie dan de beginstoffen. Naar de les
- extraheren D1
- Scheiden op oplosbaarheid: je voegt een oplosmiddel toe waarin maar een van de stoffen oplost. Thee zetten is extraheren. Naar de les
F 4
- faseovergang C1
- De overgang tussen vast, vloeibaar en gas, zoals smelten, koken en condenseren. Er verandert geen stof, alleen de manier waarop de deeltjes bij elkaar liggen. Het is dus een fysisch proces. Naar de les
- filtreren D1
- Scheiden op deeltjesgrootte: de vaste stof blijft op het filter liggen en de vloeistof loopt erdoor. Werkt alleen als de stof niet is opgelost. Naar de les
- functionele groep D3
- Een groepje atomen in een molecuul dat de eigenschappen en de reacties van de stof bepaalt, zoals de OH-groep van een alcohol. De rest van het molecuul doet veel minder. Naar de les
- fysisch proces C1
- Een proces waarbij geen nieuwe stof ontstaat, zoals smelten, oplossen en verdampen. De moleculen blijven heel, ze gaan alleen anders liggen. Je kunt het daarom meestal makkelijk terugdraaien. Naar de les
G 6
- geldigheidsgebied A7
- Het gebied waarin een model klopt. Het ideale gasmodel geldt niet meer bij hoge druk, want dan gaan juist de dingen meetellen die het weglaat. Naar de les
- gesloten systeem A13
- Een systeem dat geen stof uitwisselt met de omgeving, maar wel energie. Bij elke systeemvraag hoort eerst de vraag waar je de grens trekt. Naar de les
- gevarensymbool D2
- Het ruitvormige teken op een verpakking dat zegt wat voor gevaar de stof oplevert. Daarbij staan H-zinnen over het gevaar en P-zinnen over wat je moet doen. Naar de les
- grenswaarde G4
- De hoogste concentratie van een stof in de lucht waar iemand nog veilig aan blootgesteld mag worden. Een stof is dus niet gevaarlijk of veilig: het gaat om de hoeveelheid en de tijd. Naar de les
- groene chemie F2
- Een manier van ontwerpen waarbij je afval voorkomt in plaats van opruimt: minder oplosmiddel, mildere omstandigheden, een betere atoomeconomie en hernieuwbare grondstoffen. Naar de les
- grondstof G5
- De stof waarmee een fabriek begint en die in het product terechtkomt. Een hulpstof doet mee aan het proces maar zit niet in het product, zoals een oplosmiddel of een katalysator. Naar de les
H 3
- hydrofiel B3
- Letterlijk: waterminnend. Een hydrofiel deel van een molecuul trekt water aan, omdat het polair is of een lading heeft. Zeep werkt doordat een zeepmolecuul een hydrofiel en een hydrofoob uiteinde heeft. Naar de les
- hydrofoob B3
- Letterlijk: watervrezend. Een hydrofoob deel van een molecuul mijdt water en zoekt vet op. Een lange koolstofstaart is hydrofoob. Naar de les
- hydrolyse D3
- Het omgekeerde van een condensatiereactie: met water valt een groot molecuul weer uiteen in zijn delen. In je darmen wordt zetmeel zo tot glucose afgebroken. Naar de les
I 6
- indicator D1
- Een stof die van kleur verandert bij een bepaalde pH, zoals lakmoes. Je gebruikt hem om te zien of een oplossing zuur of basisch is. Naar de les
- inherent veilig F4
- Een ontwerp dat veiliger is doordat er minder gevaarlijke stof nodig is of de omstandigheden milder zijn. Dat is sterker dan een extra beveiliging, want die verlaagt alleen de kans en niet het effect. Naar de les
- innovatie E4
- Een nieuwe toepassing die ook echt in gebruik komt. Een vinding is pas een innovatie als er een probleem bij past en het op schaal te maken is. Naar de les
- ion B1
- Een atoom of groepje atomen met een lading, doordat er elektronen bij zijn gekomen of af zijn gegaan. Een positief ion heeft elektronen verloren, een negatief ion heeft ze gekregen. Naar de les
- ionbinding B3
- De aantrekking tussen positieve en negatieve ionen in een zout. Omdat die aantrekking alle kanten op werkt, ontstaat er een ionrooster en is het smeltpunt hoog. Naar de les
- isomeren B4
- Stoffen met dezelfde molecuulformule maar een andere structuurformule. Ze hebben daardoor andere eigenschappen, bijvoorbeeld een ander kookpunt. Naar de les
K 8
- katalysator C10
- Een stof die een reactie versnelt door de activeringsenergie te verlagen, en die er zelf na de reactie nog is. Een katalysator verandert niets aan hoeveel product je uiteindelijk kunt krijgen. Naar de les
- ketenanalyse G5
- Een analyse van alle stappen van grondstof tot afval, met per stap de stoffen, de energie en de uitstoot. Hiermee zie je waar de winst echt te halen is, en niet alleen in de fabriek zelf. Naar de les
- kloppend maken C3
- Zorgen dat er links en rechts van de pijl van elk element evenveel atomen staan, door coëfficiënten voor de formules te zetten. De formules zelf mag je nooit veranderen; dan maak je er een andere stof van. Naar de les
- kookpunt B2
- De temperatuur waarbij een vloeistof overgaat in gas. Het kookpunt zegt iets over de aantrekking tussen de moleculen, niet over de sterkte van de bindingen binnen een molecuul. Naar de les
- koolhydraat G1
- Een groep stoffen met veel OH-groepen, zoals glucose, zetmeel en cellulose. Je lichaam breekt zetmeel met water af tot glucose en haalt daar energie uit. Naar de les
- koolwaterstof D3
- Een stof die alleen uit koolstof en waterstof bestaat, zoals methaan en octaan. Koolwaterstoffen zijn apolair en branden goed; aardgas, benzine en diesel bestaan eruit. Naar de les
- kringloop C3
- De route die atomen steeds opnieuw afleggen door natuur, industrie en organismen, zoals de koolstofkringloop. Omdat atomen niet verdwijnen, komt elk atoom ergens terug. Naar de les
- kwaliteit van energie C9
- Hoe bruikbaar energie is. Elektriciteit en warmte van hoge temperatuur zijn veel waard; warmte van 40 graden nauwelijks, want het temperatuurverschil met de omgeving is klein. Naar de les
L 3
- leerdoel A3
- In één zin wat je nog niet kunt, bijvoorbeeld: ik vergeet de molverhouding. Dat is bruikbaarder dan de constatering dat iets fout ging. Naar de les
- legering B4
- Een metaal waarin andere atomen zijn opgenomen, zoals staal of brons. De vreemde atomen maken het rooster onregelmatig, waardoor de legering harder is dan het zuivere metaal. Naar de les
- Lewis-structuur B1
- Een tekening met alle bindende en vrije elektronenparen erin. Daarmee zie je waar een deeltje kan aanvallen en of een molecuul polair is. Naar de les
M 17
- macroniveau A12
- Het niveau van wat je kunt zien, ruiken en meten: een stof is wit, lost op, kookt bij een bepaalde temperatuur. In een examenvraag begin je hier vaak, en leg je het daarna uit op microniveau. Naar de les
- massabalans F1
- De regel dat alles wat een blok in gaat er ook uit komt of erin blijft. Hiermee reken je een blokschema door en vind je een stroom die je over het hoofd zag. Naar de les
- massagetal B1
- Het aantal protonen plus neutronen in de kern. Twee atomen van hetzelfde element met een verschillend massagetal heten isotopen: ze reageren gelijk, maar wegen niet hetzelfde. Naar de les
- meetonzekerheid A8
- De marge waarbinnen je meting ligt. Een verschil dat kleiner is dan je onzekerheid is geen verschil, en dat bepaalt of een afwijking van een model iets betekent. Naar de les
- mengsel D1
- Twee of meer stoffen door elkaar, waarbij elke stof zijn eigen eigenschappen houdt. Daarom kun je een mengsel scheiden met een fysisch proces en een verbinding niet. Naar de les
- mesoniveau A12
- Het niveau daartussenin: korrels, vezels, poriën en kristallen. Hiermee leg je uit waarom hetzelfde materiaal als poeder anders doet dan als blok. Naar de les
- metaalbinding B3
- De binding in een metaal: positieve metaalionen in een zee van elektronen die vrij kunnen bewegen. Daarom geleidt een metaal stroom en warmte, en kun je het buigen zonder dat het breekt. Naar de les
- microniveau A12
- Het niveau van de deeltjes: atomen, ionen en moleculen, en de bindingen ertussen. Een uitleg is pas compleet als je van macroniveau naar microniveau gaat. Naar de les
- model A7
- Een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid, bedoeld om iets te kunnen uitleggen of voorspellen. Elk model laat dingen weg, dus je kiest het model bij de vraag die je hebt. Naar de les
- mol C2
- Een afgesproken aantal deeltjes: 6,02 keer tien tot de macht 23. Met mol reken je van deeltjes naar grammen en terug, want een reactievergelijking geeft een verhouding in deeltjes en je weegt in grammen. Naar de les
- molair volume C2
- Het volume dat een mol gas inneemt bij een genoemde druk en temperatuur. Hiermee reken je van gasvolume naar mol en terug. Naar de les
- molaire massa C2
- De massa van een mol van een stof, in gram per mol. Je rekent hem uit door de atoommassa van alle atomen in de formule bij elkaar op te tellen. Naar de les
- molecular modelling D4
- Een molecuul of een reactiestap op de computer narekenen, bijvoorbeeld om te zien hoe hoog de energie van een tussenproduct ligt. Daarmee kies je tussen routes zonder ze allemaal uit te voeren. Naar de les
- molecuul B1
- Een groepje atomen dat met atoombindingen aan elkaar vast zit en samen een deeltje vormt, zoals H2O of CO2. Moleculen zijn het deeltje waar je aan denkt bij een moleculaire stof. Naar de les
- molecuulformule B1
- De formule die zegt hoeveel atomen van elke soort er in een molecuul zitten, zoals C6H12O6. Hij zegt niets over hoe die atomen aan elkaar vast zitten. Naar de les
- molverhouding C2
- De verhouding waarin stoffen reageren, af te lezen uit de coëfficiënten van de reactievergelijking. Dit is de brug van de ene stof naar de andere: eerst naar mol, dan via de molverhouding, dan terug naar gram. Naar de les
- monomeer D3
- Het kleine molecuul waaruit een polymeer wordt opgebouwd. Etheen is het monomeer van polyetheen. Naar de les
N 1
- neutralisatie C7
- De reactie van een zuur met een base, waarbij water ontstaat en de oplossing naar pH 7 beweegt. Hiermee maak je zuur afvalwater of een zure maag minder zuur. Naar de les
O 7
- omzetting per doorgang F1
- Welk deel van de beginstof in één rondje door de reactor reageert. Met een recirculatiestroom kan het rendement van de hele fabriek veel hoger liggen. Naar de les
- onafhankelijke variabele A5
- Wat jij in een onderzoek zelf instelt of verandert, bijvoorbeeld de temperatuur. De afhankelijke variabele is wat je daarna meet, en al het andere houd je gelijk. Naar de les
- onderzoeksvraag E5
- Een vraag die meetbaar is: met een grootheid, een eenheid en een afgebakende situatie. Zonder die drie valt er geen conclusie uit te trekken. Naar de les
- onvolledige verbranding C7
- Verbranding met te weinig zuurstof. Er ontstaan dan ook koolstofmono-oxide en roet, er komt minder energie vrij, en CO is gevaarlijk omdat je het niet ruikt. Naar de les
- oplosbaarheid D1
- Hoeveel van een stof er maximaal in een hoeveelheid oplosmiddel kan oplossen. Je zoekt het op in een tabel; het hangt af van de temperatuur en van hoe polair de stoffen zijn. Naar de les
- opschalen C8
- Hetzelfde proces veel groter uitvoeren. Dat gaat niet simpelweg maal duizend: warmte afvoeren, mengen en veiligheid worden bij een groot vat ineens het grootste probleem. Naar de les
- overmaat C2
- De stof die er meer is dan nodig en die dus niet opraakt. De andere stof bepaalt hoeveel product je krijgt; die heet de stof in ondermaat of de beperkende stof. Reken altijd met de stof in ondermaat. Naar de les
P 7
- periodiek systeem A8
- De tabel waarin alle elementen op atoomnummer staan. Elementen in dezelfde kolom gedragen zich hetzelfde, omdat ze evenveel elektronen in de buitenste schil hebben. Naar de les
- persistent G2
- Niet of nauwelijks afbreekbaar. Een persistente stof blijft jaren tot eeuwen in het milieu, en dan telt ook een lage concentratie op den duur op. Naar de les
- pH C7
- Een maat voor hoe zuur een oplossing is. Elke stap van 1 betekent een factor 10: pH 3 is tien keer zo zuur als pH 4. Bij pH 7 is de oplossing neutraal. Naar de les
- polaire stof B1
- Een stof waarvan de moleculen een plus- en een minkant hebben, doordat de lading niet gelijk verdeeld is. Polaire stoffen lossen goed op in water, dat zelf ook polair is. Naar de les
- polymeer D3
- Een heel lang molecuul dat is opgebouwd uit veel kleine, steeds terugkerende stukken. Plastic, eiwit en zetmeel zijn polymeren. Naar de les
- poort tot poort E3
- Een afbakening waarbij alleen meetelt wat er binnen het hek van de fabriek gebeurt. Van wieg tot graf telt de hele levensloop mee, en dat geeft vaak een ander beeld. Naar de les
- programma van eisen A6
- De meetbare eisen die je vooraf aan een opstelling of een proces stelt. Zonder die eisen is achteraf niet te zeggen of het ontwerp werkt. Naar de les
R 9
- reactiemechanisme D4
- De stappen waarin een reactie werkelijk verloopt, met de tussenproducten erbij. De totaalvergelijking is de optelsom ervan. Naar de les
- reactieproduct C1
- Een stof die bij de reactie ontstaat. Reactieproducten staan rechts van de pijl. Naar de les
- reactiesnelheid C4
- Hoe snel een reactie verloopt: hoeveel stof er per seconde verdwijnt of ontstaat. In een diagram lees je hem af als de steilheid van de lijn. Naar de les
- reactievergelijking C3
- De afkorting van een reactie: links de beginstoffen, rechts de reactieproducten, met een pijl ertussen. De fasen zet je erachter tussen haakjes, bijvoorbeeld (s), (l), (g) of (aq). Naar de les
- reactiewarmte C6
- De hoeveelheid energie die bij een reactie vrijkomt of nodig is. Bij een exotherme reactie is die negatief, bij een endotherme positief. Naar de les
- recirculatie F1
- Een stroom die je terugvoert naar een eerdere stap, bijvoorbeeld de beginstof die nog niet gereageerd heeft. Zo gaat er minder grondstof verloren en stijgt het rendement van de hele fabriek. Naar de les
- rendement C2
- Hoeveel product je echt krijgt, gedeeld door hoeveel je volgens de berekening zou kunnen krijgen, maal honderd procent. Een rendement onder honderd procent betekent niet dat er atomen verdwenen zijn, maar dat ze ergens anders terecht zijn gekomen. Naar de les
- risico F4
- De kans dat iets misgaat maal de ernst van het gevolg. Een klein risico kan dus toch veel aandacht vragen, als het gevolg heel groot is. Naar de les
- ruimtelijke bouw B1
- Hoe de bindingen in een molecuul in de ruimte staan. Twee polaire bindingen recht tegenover elkaar heffen elkaar op; staan ze in een hoek, dan niet. Naar de les
S 11
- scheidingsmethode D1
- Een manier om stoffen in een mengsel van elkaar te halen, door een eigenschap te gebruiken waarin ze verschillen. Je kiest de methode bij het verschil: kookpunt, deeltjesgrootte, oplosbaarheid of aanhechting. Naar de les
- selectiviteit E2
- De mate waarin een stof of een katalysator maar één van de mogelijke reacties laat verlopen. Hoe selectiever, hoe minder bijproduct. Naar de les
- significante cijfers A8
- De cijfers in een uitkomst die echt iets zeggen over hoe nauwkeurig je gemeten hebt. Bij vermenigvuldigen en delen houd je er zo veel over als de minst nauwkeurige meting had, dus niet alles wat de rekenmachine toont. Naar de les
- smeltpunt B2
- De temperatuur waarbij een vaste stof vloeibaar wordt. Sterke bindingen tussen de deeltjes betekenen een hoog smeltpunt; daarom smelt zout veel moeilijker dan ijs. Naar de les
- specificiteit E2
- De mate waarin een enzym maar op één substraat past. Vorm en lading moeten allebei kloppen; past er maar een van de twee, dan is de binding te zwak. Naar de les
- stookwaarde F3
- De energie die vrijkomt bij het verbranden van een hoeveelheid brandstof, bijvoorbeeld in joule per gram. Je zoekt hem op en gebruikt hem om brandstoffen eerlijk te vergelijken. Naar de les
- structuurformule B1
- Een tekening die laat zien welk atoom aan welk atoom vast zit. Twee stoffen met dezelfde molecuulformule kunnen een andere structuurformule hebben, en dan zijn het andere stoffen. Naar de les
- substitutie D3
- Een reactie waarbij een groep in een molecuul wordt vervangen door een andere. Er gaat iets af en er komt iets voor terug, dus de atoomeconomie is lager dan bij een additie. Naar de les
- substraat E2
- De stof waar een enzym op past en mee werkt. Het past in de holte van het enzym als een sleutel in een slot. Naar de les
- systeem A13
- Het stuk werkelijkheid binnen een grens die jij kiest, met stromen die erin en eruit gaan. Welke grens je kiest, bepaalt je antwoord over massa en energie. Naar de les
- systematische fout A8
- Een fout die elke meting dezelfde kant op duwt, bijvoorbeeld een weegschaal die altijd 2 gram te veel aangeeft. Meer metingen helpen hier niet; ijken wel. Naar de les
T 5
- terugslageffect E3
- Dat een efficiënter proces leidt tot meer productie, waardoor de winst in het totaal weer verdwijnt. Daarom zeggen cijfers per kilo niet alles. Naar de les
- titratie D1
- Een meting waarbij je precies zoveel van een oplossing toevoegt tot de reactie klaar is. Aan het omslaan van de indicator of aan een sprong in de meting zie je het eindpunt. Naar de les
- toepassingsgericht onderzoek E1
- Onderzoek dat begint bij een probleem uit de praktijk, bijvoorbeeld in de zorg of de voedselproductie, in plaats van bij nieuwsgierigheid alleen. Naar de les
- toevallige fout A8
- Een fout die de ene keer te hoog en de andere keer te laag uitvalt, bijvoorbeeld door aflezen. Hier helpt vaker meten en het gemiddelde nemen. Naar de les
- tussenproduct D4
- Een deeltje dat tijdens een reactie ontstaat en weer verdwijnt. Het staat niet in de totaalvergelijking, want bij het optellen van de stappen valt het weg. Naar de les
V 9
- vaktaal A2
- De woorden en symbolen waarmee je in de chemie precies kunt zijn: deeltjessoort, fase, binding, formule. Een antwoord in gewone woorden kan kloppen en toch te vaag zijn voor de punten. Naar de les
- vanderwaalsbinding B3
- De zwakke aantrekking tussen moleculen onderling. Hoe groter het molecuul, hoe sterker die aantrekking, en hoe hoger dus het kookpunt. Dit is een binding tussen moleculen, geen binding binnen een molecuul. Naar de les
- verbinding B1
- Een stof waarin twee of meer soorten atomen aan elkaar vast zitten, zoals water of keukenzout. Een verbinding heeft eigen eigenschappen, en niet die van de elementen waaruit hij is opgebouwd. Naar de les
- verdelingsgraad C4
- Hoe fijn een vaste stof verdeeld is. Poeder reageert sneller dan een blok, omdat het contactoppervlak groter is en er dus meer botsingen per seconde zijn. Naar de les
- verdunnen C2
- Oplosmiddel toevoegen zonder opgeloste stof toe te voegen. Het aantal mol blijft gelijk, het volume wordt groter, dus de concentratie wordt kleiner. Naar de les
- verhoudingsformule B1
- De formule van een zout of een metaal: de kleinste hele verhouding waarin de ionen voorkomen, zoals NaCl of CaCl2. Er bestaat geen los NaCl-molecuul. Naar de les
- vet G1
- Een ester van glycerol en drie vetzuren. Vet is apolair, lost dus niet op in water, en levert per gram meer energie dan koolhydraat. Naar de les
- volledige verbranding C7
- Verbranding met genoeg zuurstof. Bij een koolwaterstof ontstaan dan alleen CO2 en H2O, en komt alle energie vrij. Naar de les
- vrij elektronenpaar B1
- Een paar elektronen dat geen binding vormt. Zo n paar kan een plek met elektronentekort aanvallen, en dat is de eerste stap van veel reacties. Naar de les
W 3
- warmtewisselaar F3
- Een apparaat waarin een warme stroom zijn warmte afgeeft aan een koude stroom, zonder dat ze mengen. Hiermee gebruikt een fabriek zijn eigen warmte opnieuw en bespaart hij brandstof. Naar de les
- waterstofbrug B3
- Een extra sterke aantrekking tussen moleculen, als een waterstofatoom vast zit aan zuurstof, stikstof of fluor. Water kookt hierdoor bij 100 graden in plaats van ruim onder nul. Naar de les
- wet van massabehoud C3
- In een reactie blijft de totale massa gelijk, want er gaat geen atoom verloren. Daarom moet een reactievergelijking kloppen, en daarom weegt as plus rook samen net zo veel als het hout plus de zuurstof. Naar de les
Z 2
- zuivere stof D1
- Een stof die uit maar een soort moleculen of een soort bouwstenen bestaat. Een zuivere stof heeft een scherp smeltpunt en kookpunt, een mengsel niet. Naar de les
- zuur C7
- Een stof die in water waterstofionen afstaat, zoals zoutzuur en azijnzuur. Een zure oplossing heeft een pH onder 7. Naar de les
Geen begrip gevonden. Probeer een ander woord.