Naar de inhoud
Inloggen

Geschiedenis vwo

Begrippenlijst

vwo

96 begrippen die je bij Geschiedenis op vwo moet kennen, elk met een paar zinnen uitleg. Staat er een les bij, dan wordt het begrip daar gebruikt en geoefend.

Overhoor jezelf op deze begrippen

A 6

aanleiding A6
De gebeurtenis die de zaak in gang zet. Zonder structurele oorzaken had die gebeurtenis weinig losgemaakt. Naar de les
abolitionisme B7
De beweging die de afschaffing van de slavenhandel en de slavernij nastreefde. Naar de les
absolutisme B6
Het streven van een vorst naar onbeperkte macht, zonder standen of parlement die hem tegenhouden. Naar de les
algemeen kiesrecht D
Het recht van alle volwassen burgers om te stemmen, in Nederland in stappen bereikt na politieke strijd. Naar de les
anachronisme A7
Het beoordelen of beschrijven van het verleden met begrippen of maatstaven die toen nog niet bestonden. Naar de les
ancien regime B7
De oude orde van vorst, adel en geestelijkheid met hun voorrechten, zoals die voor de revoluties bestond. Naar de les

B 3

betrouwbaarheid A5
De vraag voor welk doel je de inhoud van een bron kunt gebruiken. Een bron is niet betrouwbaar of onbetrouwbaar maar bruikbaar voor een bepaalde vraag. Naar de les
bezetting B9
De situatie waarin een vreemde mogendheid het gezag in een land uitoefent, zoals Duitsland in Nederland deed. Naar de les
breukpunt A4
Een moment waarop tijdgenoten zelf merkten dat de situatie wezenlijk veranderde, in tegenstelling tot een jaartal dat wij achteraf handig vinden. Naar de les

C 7

centralisatie B4
Het samenbrengen van bestuur en macht bij een centraal gezag, in plaats van verspreid over lokale heren. Naar de les
collaboratie B9
Het samenwerken met de bezetter, van meegaan in de uitvoering van maatregelen tot actieve steun. Naar de les
communisme B9
De ideologie die de productiemiddelen in gemeenschappelijke handen wil brengen en in de praktijk een totalitaire partijstaat opleverde. Naar de les
confessionalisme B8
De stroming die het geloof als grondslag voor politiek handelen neemt en zich organiseert in eigen partijen en verenigingen. Naar de les
conjunctuur A4
De laag van economische op- en neergang die over decennia schuift, tussen snelle gebeurtenissen en trage structuren in. Naar de les
continuiteit A4
Wat er ondanks veranderingen hetzelfde blijft. Een goed antwoord over verandering noemt die continuiteit erbij. Naar de les
crisis van het wereldkapitalisme B9
De wereldwijde economische instorting met massale werkloosheid die het vertrouwen in bestaande partijen ondermijnde. Naar de les

D 2

dekolonisatie B10
Het proces waarin kolonien onafhankelijke staten worden en de westerse hegemonie in de wereld eindigt. Naar de les
democratisering B8
Het proces waarin steeds meer mannen en vrouwen gaan deelnemen aan het politieke proces. Naar de les

E 3

eeuw A1
Een periode van honderd jaar. Het eeuwnummer is het aantal volle honderdtallen plus een, behalve bij een rond honderdtal. Naar de les
emancipatiebeweging B8
Een beweging die gelijke rechten eist voor een groep die achtergesteld is. Naar de les
Europese eenwording B10
De samenwerking tussen Europese landen die begon als economische samenwerking en uitgroeide tot een politieke unie. Naar de les

F 3

fascisme B9
De ideologie die natie en leider centraal stelt, tegenstanders uitschakelt en de samenleving van bovenaf ordent. Naar de les
feminisme B8
De beweging die gelijke rechten voor vrouwen eist, te beginnen bij onderwijs, arbeid en kiesrecht. Naar de les
feodale verhoudingen B3
Bestuur als keten van persoonlijke afspraken, waarin een heer een leen geeft aan een vazal in ruil voor trouw en militaire dienst. Naar de les

G 4

genocide B9
Het stelselmatig vernietigen van een bevolkingsgroep om wie zij is. In dit tijdvak gaat het in het bijzonder om de vervolging van de joden. Naar de les
grijze zone B9
Het gebied tussen volledig meewerken en gewapend verzet, waarin aanpassen, wegkijken, traineren en helpen vallen. Naar de les
grondrecht B7
Een recht van burgers dat in een grondwet is vastgelegd en dat de macht van de overheid begrenst. Naar de les
grondwet D
De wet die de inrichting van de staat en de rechten van burgers vastlegt en boven andere wetten staat. Naar de les

H 4

handelskapitalisme B6
Een economie waarin winst uit handel over lange afstand wordt herbelegd, met compagnieen die wereldwijd opereren. Naar de les
hofstelsel B3
De manier waarop een landgoed draaide, met een heer en horigen die arbeid en een deel van de oogst leverden in ruil voor grond en bescherming. Naar de les
horigheid B3
De positie van een boer die niet vrij is om te vertrekken en verplichtingen heeft tegenover zijn heer. Naar de les
humanisme B5
Een denkrichting binnen de renaissance die de mens en zijn mogelijkheden centraal stelt en klassieke teksten opnieuw bestudeert. Naar de les

I 4

imperium B2
Een rijk dat grote gebieden en volken onder een bestuur brengt, zoals het Romeinse. Naar de les
indirect bestuur B8
Koloniaal bestuur via bestaande elites en instellingen. Goedkoop, maar het houdt structuren in stand die verzet mogelijk maken. Naar de les
industriele revolutie B8
De overgang naar productie met machines in fabrieken, die de basis legde voor een industriele samenleving. Naar de les
interpretatie A7
De samenhangende uitleg die een historicus aan bronnen geeft. Twee historici met dezelfde bronnen komen tot een andere interpretatie door hun vraag, selectie en waardepatroon. Naar de les

J 2

jaartelling A1
De afspraak vanaf welk jaar je telt. Onze westers-christelijke jaartelling is er een van, en andere culturen gebruiken een ander beginpunt. Naar de les
jagers-verzamelaars B1
Mensen die rondtrekken met de seizoenen mee en leven van jagen en verzamelen, in kleine groepen met weinig bezit. Naar de les

K 3

kenmerkend aspect A2
Een eigenschap die typisch is voor een tijdvak. Bij elk aspect hoort een voorbeeld en een uitleg waarom dat voorbeeld erbij past. Naar de les
klassieke vormentaal B2
De manier van bouwen en beeldhouwen uit de Grieks-Romeinse wereld, met zuilen en vaste verhoudingen, die in Europa steeds opnieuw is nagevolgd. Naar de les
Koude Oorlog B10
De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken met een wapenwedloop en de dreiging van een atoomoorlog. Naar de les

L 5

landbouwsamenleving B1
Een samenleving waarin mensen op een plek blijven en voedsel verbouwen, waardoor een overschot en bezit ontstaan. Naar de les
lange lijn C
Een ontwikkeling die je door meerdere tijdvakken heen volgt, met per tijdvak een situatie en daartussen een verband. Naar de les
leen B3
Grond of een recht dat een heer aan een vazal geeft in ruil voor trouw en dienst. Naar de les
liberalisme B8
De stroming die vrijheid van het individu centraal stelt en een terughoudende overheid wil. Naar de les
loonafhankelijkheid B8
De situatie waarin loon de enige bron van bestaan is, zonder grond of gereedschap om op terug te vallen. Naar de les

M 7

massaorganisatie B9
Het organiseren van grote groepen mensen in verenigingen en bewegingen die aan een partij of staat verbonden zijn. Naar de les
Middeleeuwen A3
De periode van ongeveer 500 tot 1500, tijdvak 3 en 4. De naam is later in Europa bedacht en past op de Europese geschiedenis. Naar de les
ministeriele verantwoordelijkheid D
De regel dat ministers verantwoording afleggen aan het parlement en niet de vorst. Naar de les
modern imperialisme B8
De vorm van koloniale overheersing die samenhing met de industrialisatie en gericht was op grondstoffen, afzetmarkten en prestige. Naar de les
Moderne Tijd A3
De periode vanaf 1800, tijdvak 8 tot en met 10. Naar de les
monopolie B6
Het alleenrecht op een handel of markt. Compagnieen kregen dat van de overheid, samen met het recht geweld te gebruiken. Naar de les
monotheisme B2
Het geloof in een enkele god. Jodendom en christendom zijn in dit tijdvak de eerste godsdiensten met die opzet. Naar de les

N 2

nationalisme B8
De stroming die de eigen natie centraal stelt. Zij kan mensen verbinden en tegelijk anderen uitsluiten. Naar de les
natuurlijke rechten B7
Rechten die volgens verlichte denkers aan ieder mens toekomen en niet door een vorst worden verleend. Naar de les

O 3

onbedoeld gevolg A6
Een uitkomst die niemand beoogde, soms het tegenovergestelde van wat een maatregel wilde bereiken. Naar de les
Oudheid A3
De periode van Griekenland en Rome, in deze indeling tijdvak 2. Naar de les
overzeese expansie B5
Het uitvaren van Europese landen naar andere werelddelen, waarmee de basis voor koloniale rijken wordt gelegd. Naar de les

P 8

parlementaire democratie D
Een stelsel waarin gekozen vertegenwoordigers de regering controleren en wetten vaststellen. Naar de les
periodisering A1
Het indelen van de geschiedenis in perioden. Die indeling is achteraf gemaakt en daarmee altijd een keuze. Naar de les
plantagekolonie B7
Een kolonie die draait op grootschalige landbouw voor de export, met dwangarbeid en slavernij als arbeidsvorm. Naar de les
pluriforme samenleving B10
Een samenleving waarin verschillende groepen met eigen opvattingen en gewoonten naast elkaar leven. Naar de les
Prehistorie A3
De tijd waaruit geen geschreven bronnen bestaan, in deze indeling tijdvak 1. Naar de les
primaat B4
De vraag wie de hoogste macht heeft, de wereldlijke of de geestelijke. Het conflict daarover draait om benoemingen en gezag. Naar de les
primaire bron A5
Een bron die uit de tijd zelf komt, gemaakt door iemand die erbij was. Naar de les
propaganda B9
Het gericht verspreiden van boodschappen om meningen en gedrag te sturen, op grote schaal mogelijk door radio, film en massabijeenkomsten. Naar de les

R 5

rechtsstaat D
Een staat die de macht aan regels bindt en rechten van burgers beschermt, met onafhankelijke rechters. Naar de les
reformatie B5
De beweging die begon als kritiek op de kerk en leidde tot een blijvende splitsing tussen katholiek en protestant in West-Europa. Naar de les
regent B6
Een lid van de bestuurlijke bovenlaag in de Nederlandse Republiek, die zijn positie ontleende aan stedelijke ambten en niet aan adel. Naar de les
renaissance B5
De beweging die de mens centraal stelt en terugkijkt naar de klassieke Oudheid, met een nieuwe wetenschappelijke belangstelling. Naar de les
representativiteit A5
De vraag of een bron geldt voor een hele groep of alleen voor de maker. Een dagboek zegt iets over een persoon, niet vanzelf over iedereen. Naar de les

S 10

secundaire bron A5
Een bron die later over die tijd is gemaakt, bijvoorbeeld een boek van een historicus. Naar de les
sociale kwestie B8
De discussie over de armoede en de werkomstandigheden van arbeiders die bij de industrialisatie hoorden. Naar de les
socialisme B8
De stroming die wil dat de overheid ingrijpt om de positie van arbeiders te verbeteren. Naar de les
soevereiniteit B10
Het hoogste gezag over een gebied. Formele soevereiniteit valt niet vanzelf samen met economische zelfstandigheid. Naar de les
staatsvorming B4
Het proces waarin een vorst vaste belastingen, eigen ambtenaren en eigen recht in handen krijgt. Naar de les
stadstaat B2
Een stad die tegelijk een zelfstandige staat is, zoals in het Griekenland van de Oudheid. Naar de les
standplaatsgebondenheid A7
Dat iemand oordeelt vanuit de tijd, plaats en positie waarin hij staat. Dat geldt voor mensen uit het verleden en net zo goed voor jou. Naar de les
stedelijke burgerij B4
De groep stadsbewoners die niet bij de adel of de geestelijkheid hoort en haar positie ontleent aan handel en ambacht. Naar de les
structurele oorzaak A6
Een oorzaak die jaren of decennia doorwerkt, zoals economische verhoudingen of een politiek stelsel dat niet meer past. Naar de les
structuur A4
Een diepe laag zoals bevolkingsopbouw, landschap of techniek die over eeuwen verandert en veel continuiteit draagt. Naar de les

T 3

thema C
Een onderwerp dat je door de tijdvakken heen onderzoekt, zoals de positie van een groep of de rol van een instelling. Naar de les
tijdvak A2
Een van de tien perioden waarin het examenprogramma de geschiedenis indeelt, elk met een naam, een tijdsgrens en kenmerkende aspecten. Naar de les
totalitair B9
Een staat waarin de partij niet alleen het bestuur beheerst maar ook pers, onderwijs, vrije tijd en gezin. Naar de les

V 7

verantwoording A5
Het deel van een onderzoek waarin je vertelt welke bronnen je gebruikte, wat je liet liggen en waarom. Naar de les
verlicht absolutisme B7
Bestuur waarin een vorst verlichte hervormingen doorvoert maar de macht zelf volledig behoudt. Naar de les
Verlichting B7
De beweging die rede en kritiek toepaste op godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen. Naar de les
verzet B9
Handelen tegen de bezetter, van illegale bladen en valse papieren tot onderduik en gewapende actie. Naar de les
verzuiling D
De organisatie van de samenleving in zuilen met eigen partijen, scholen, kranten en verenigingen op grond van geloof of levensbeschouwing. Naar de les
voedseloverschot B1
Meer voedsel dan de producenten zelf nodig hebben. Dat maakt beroepen buiten de landbouw mogelijk. Naar de les
Vroegmoderne Tijd A3
De periode van 1500 tot 1800, tijdvak 5 tot en met 7. Naar de les

W 4

waardepatroon A7
Het geheel van wat een groep normaal, wenselijk of verwerpelijk vindt. Verschillen in oordeel komen vaak hieruit voort. Naar de les
wapenwedloop B10
Het over en weer uitbreiden van bewapening, waarbij elke kant reageert op wat de ander doet. Naar de les
wereldeconomie B6
Een economie waarin werelddelen met elkaar verbonden zijn door handel, kapitaal en dwangarbeid. Naar de les
wetenschappelijke revolutie B6
De verschuiving van gezag van oude teksten naar waarneming en experiment als bron van kennis. Naar de les

Z 1

zelfvoorzienend B3
Een economie waarin een gemeenschap vrijwel alles zelf maakt wat zij nodig heeft, met weinig handel over afstand. Naar de les

Alle onderwerpen