Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
109 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
kleine bloedsomloop
Het korte rondje van je hart naar je longen en weer terug. Daar haalt het bloed zuurstof op en geeft het koolstofdioxide af.
-
antistof
Een eiwit dat precies op het oppervlak van één ziekteverwekker past en hem onschadelijk maakt of markeert voor opruiming.
-
middenrif
De grote platte spier onder je longen. Trekt hij samen en gaat hij omlaag, dan wordt je borstholte groter en stroomt er lucht naar binnen.
-
pees
Het stevige uiteinde waarmee een spier aan een bot vastzit. Trekt de spier samen, dan trekt de pees het bot mee.
-
vacuole
Een grote blaas vol vocht in een plantencel. Als die goed gevuld is staat de plant rechtop, loopt hij leeg dan hangt de plant slap.
-
heterozygoot
Met twee verschillende allelen. Bij een recessieve aandoening heet zo iemand drager: zelf niets te merken, wel door te geven.
-
centraal zenuwstelsel
Je hersenen en je ruggenmerg samen. Daar komen signalen binnen en vandaar gaan de opdrachten terug naar je spieren en klieren.
-
darmvlok
Een klein uitstulpinkje in de wand van je dunne darm. Miljoenen ervan maken het oppervlak enorm, zodat je veel kunt opnemen.
-
waarneming
Het beeld of gevoel dat in je hersenen ontstaat uit de signalen van je zintuigen. De prikkel is buiten, de waarneming is binnen.
-
celmembraan
Het laagje om de cel dat bepaalt wat er in en uit mag. Het is selectief doorlaatbaar: kleine en vetachtige stoffen gaan er makkelijk door, grote en geladen niet zomaar.
-
homeostase
Het constant houden van de omstandigheden in je lichaam, zoals temperatuur, bloedsuiker en zuurgraad. Dat gaat met meten, vergelijken en bijsturen.
-
orgaan
Een deel van een organisme dat uit verschillende weefsels bestaat en samen één taak doet, zoals het hart of een blad.
-
bewegingszenuw
Een zenuw die een opdracht van je centrale zenuwstelsel naar een spier of klier brengt. Het verkeer gaat dus naar buiten.
-
enzym
Een eiwit dat een reactie in een cel versnelt zonder zelf op te raken. Elk enzym past maar op een bepaalde stof, en bij te hoge temperatuur of de verkeerde pH verliest het zijn vorm en daarmee zijn werking.
-
conditioneren
Leren door een koppeling, doordat iets steeds samengaat met een beloning of een straf. Denk aan een hond die kwijlt bij een belletje.
-
immuun
Zo goed voorbereid op een ziekteverwekker dat je er niet of nauwelijks ziek van wordt. Dat komt door geheugencellen van een eerdere keer.
-
organisatieniveau
De schaal waarop je kijkt: molecuul, cel, weefsel, orgaan, organisme, populatie, ecosysteem. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.
-
passieve immunisatie
Je krijgt kant en klare antistoffen toegediend. Dat werkt meteen, maar kort, want je maakt zelf geen geheugencellen aan.
-
variatie
De verschillen tussen individuen van dezelfde soort. Zonder variatie valt er niets te selecteren, dus hier begint elke evolutie-uitleg.
-
hormoon
Een stof die door een klier aan het bloed wordt afgegeven en ergens anders in het lichaam iets in gang zet. Hormonen werken traag maar bereiken alles tegelijk.
-
trofisch niveau
Een stap in een voedselketen, geteld vanaf de plant. Elke stap verliest energie, dus hoe hoger het niveau hoe minder er overblijft.
-
DNA
Het molecuul waarin de erfelijke informatie staat, in de volgorde van vier basen. De twee strengen passen op elkaar, en dat maakt kopiëren mogelijk.
-
aangeboren gedrag
Gedrag dat er van begin af aan is en niet geleerd hoeft te worden, zoals zuigen bij een baby. Het ligt vast en gaat snel.
-
zetmeel
Een lange keten van aan elkaar geplakte glucosemoleculen, de manier waarop een plant suiker opslaat. Je speeksel knipt hem in stukken.
-
mechanische vertering
Voedsel fysiek kleiner maken, door kauwen en door het kneden van je maag en darmen. De stof zelf verandert daarbij niet.
-
egestie
Het kwijtraken van wat nooit in je cellen is geweest, zoals onverteerde resten in je ontlasting. Dat is iets anders dan uitscheiding.
-
gevoelszenuw
Een zenuw die signalen van een zintuig naar je centrale zenuwstelsel brengt. Het verkeer gaat dus naar binnen.
-
staafje
Een zintuigcel in je netvlies die al bij weinig licht werkt, maar geen kleur ziet. Daarom is alles in het donker grijzig.
-
grote bloedsomloop
Het lange rondje van je hart naar de rest van je lichaam en weer terug. Daar levert het bloed zuurstof en voeding af.
-
geheugencel
Een afweercel die na een besmetting of een prik blijft bestaan. Daardoor gaat de tweede reactie in uren in plaats van dagen.
-
gaswisseling
Zuurstof die van de longblaasjes het bloed in gaat en koolstofdioxide die de andere kant op gaat. Dat gebeurt ook tussen bloed en cellen.
-
reactie
Wat je lichaam doet nadat een prikkel is binnengekomen, bijvoorbeeld een spier die beweegt of een klier die een stof afgeeft.
-
doelorgaan
Het orgaan waar een hormoon iets doet. Het hormoon komt overal langs in je bloed, maar alleen het doelorgaan heeft de juiste ontvangers.
-
gen
Een stuk DNA met de code voor één eiwit of kenmerk. Een organisme heeft duizenden genen, maar in een cel staat lang niet alles aan.
-
celwand
Een stevige laag om de cel van een plant, buiten het celmembraan. Die geeft de plant zijn stevigheid, dierlijke cellen hebben hem niet.
-
kegeltje
Een zintuigcel in je netvlies voor kleur. Kegeltjes hebben veel licht nodig, dus in het donker zie je bijna geen kleur meer.
-
mutatie
Een verandering in het DNA. De meeste doen niets, sommige zijn schadelijk, en een enkele levert iets op waar selectie mee verder kan.
-
cytoplasma
De stroperige vloeistof die de cel vult, tussen het membraan en de kern. Daarin gebeurt het meeste werk van de cel.
-
chemische vertering
Grote moleculen in het voedsel in stukjes knippen met enzymen. Daarna zijn de deeltjes klein genoeg om je bloed in te gaan.
-
prikkel
Een verandering die een zintuig kan opvangen, zoals licht, geluid of een aanraking. Het zintuig maakt er een signaal van voor je zenuwen.
-
pupil
Het zwarte gat in je oog waar het licht doorheen gaat. De iris eromheen maakt hem groter of kleiner, afhankelijk van hoe fel het is.
-
netvlies
De binnenkant van je oog waar de staafjes en kegeltjes zitten. Staafjes zien licht en donker, kegeltjes zien kleur.
-
antigeen
Een stof op het oppervlak van een indringer die je afweer herkent als vreemd. Op dat antigeen wordt de antistof gemaakt.
-
aanpassing
Een kenmerk dat een organisme beter laat passen bij zijn omgeving. Let op: een individu past zich niet aan, een populatie verandert over generaties.
-
glucagon
Het hormoon dat je bloedsuiker verhoogt door de lever glycogeen te laten afbreken tot glucose. Het is de tegenpool van insuline.
-
allel
Een van de varianten van een gen. Je hebt er twee van, één van elke ouder, en samen bepalen ze het kenmerk.
-
ader
Een bloedvat dat naar het hart toe gaat. Aders hebben kleppen, want de druk is er laag.
-
haarvat
Het dunste bloedvat, één cel dik. Alleen hier worden stoffen afgeleverd bij de cellen en afvalstoffen opgehaald.
-
progesteron
Het hormoon van het lege eiblaasje na de eisprong. Het houdt het baarmoederslijmvlies dik, zodat innesteling mogelijk blijft.
-
afvalstof
Een stof die overblijft bij processen in je cellen en die weg moet, zoals ureum en koolstofdioxide. Je nieren en longen raken ze kwijt.
-
gedragsbeschrijving
Opschrijven wat een dier precies doet, zonder er een verklaring bij te geven. Zo blijft de waarneming los van je uitleg.
-
longblaasje
Een van de honderden miljoenen blaasjes aan het eind van je luchtwegen. Daar is de wand zo dun dat gassen er doorheen kunnen.
-
slagader
Een bloedvat dat van het hart af gaat. Dat zegt niets over zuurstof: de longslagader vervoert juist zuurstofarm bloed.
-
baarmoederslijmvlies
De laag aan de binnenkant van de baarmoeder. Die wordt elke maand dik, zodat een bevruchte eicel zich kan innestelen.
-
duurzaamheid
Gebruiken zonder uit te putten, zodat het ook later nog kan. In de biologie gaat het vaak over de vraag of een gebruik binnen de draagkracht blijft.
-
urine
Wat er overblijft nadat je nieren hebben gefilterd en het bruikbare hebben teruggehaald. Vooral water met ureum en zouten erin.
-
teelbal
Het orgaan waarin zaadcellen worden gemaakt. Dat gebeurt vanaf de puberteit onafgebroken.
-
gewricht
De plek waar twee botten elkaar raken en ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Kraakbeen en vocht zorgen dat het soepel gaat.
-
menstruatie
Het afstoten van het baarmoederslijmvlies als er geen bevruchte eicel is ingenesteld. Daarmee begint een nieuwe cyclus.
-
antibioticum
Een medicijn dat bacteriën doodt of ze laat stoppen met groeien. Het grijpt dingen aan die alleen bacteriën hebben, dus tegen een virus helpt het niet.
-
dunne darm
Het deel van je verteringsstelsel waar voedingsstoffen je bloed in gaan. De wand zit vol darmvlokken en is daardoor erg groot van binnen.
-
kruisingsschema
Een schema waarin je de geslachtscellen van beide ouders tegen elkaar uitzet, zodat je ziet welke genotypen de kinderen kunnen krijgen en in welke verhouding.
-
placenta
Het orgaan dat tijdens een zwangerschap voeding en zuurstof uit het bloed van de moeder haalt en naar het kind brengt. Het bloed zelf mengt niet.
-
homozygoot
Met twee dezelfde allelen voor een kenmerk. Iemand met een recessieve aandoening is altijd homozygoot.
-
cel
De kleinste eenheid die leeft. Een cel heeft een celmembraan, cytoplasma en bij planten ook een celwand. Alles wat een organisme doet, gebeurt uiteindelijk in cellen.
-
natuurlijke selectie
Het proces waarbij individuen die beter passen bij hun omgeving meer nakomelingen krijgen. Je legt het uit in vier stappen: variatie, selectiedruk, overleven en voortplanten, en doorgeven.
-
biodiversiteit
De verscheidenheid aan leven, op drie niveaus: verschillen binnen een soort, het aantal soorten, en het aantal ecosystemen.
-
ziekteverwekker
Een organisme dat je ziek maakt, zoals een bacterie, een virus of een schimmel. Je afweer probeert hem tegen te houden.
-
ruggenmerg
De streng zenuwweefsel in je ruggengraat. Bij een reflex gaat het signaal daar meteen over op de bewegingszenuw, zonder je hersenen.
-
recessief
Een allel dat het kenmerk alleen laat zien als er geen dominant allel naast staat, dus bij twee dezelfde.
-
resorptie
De opname van bouwstenen door de darmwand in het bloed. Dit gebeurt vooral in de dunne darm, die daarvoor vol plooien en darmvlokken zit.
-
antagonist
Een spier die de beweging van een andere spier terugdraait. Spieren kunnen alleen trekken, dus ze werken altijd in paren.
-
zintuigcel
Een cel in een zintuig die op één soort prikkel reageert, bijvoorbeeld op licht of op druk. Die maakt er een zenuwsignaal van.
-
insuline
Het hormoon dat je bloedsuiker verlaagt: glucose gaat de cellen in en de lever slaat het overschot op als glycogeen.
-
mitochondrion
Het onderdeel waar de verbranding plaatsvindt. Hier wordt glucose met zuurstof omgezet en komt de energie vrij waar de cel op draait.
-
dominant
Een allel dat het kenmerk laat zien ook als er maar één van is. Het overstemt het andere allel.
-
reducent
Een organisme dat dood materiaal afbreekt tot mineralen, zoals schimmels en bacteriën. Zonder reducenten stokt elke kringloop.
-
ademhaling
Lucht in en uit je longen pompen, met je middenrif en je ribspieren. Dat is iets anders dan de gaswisseling die daarbinnen gebeurt.
-
ooglens
Het doorzichtige lensje achter je pupil dat het licht buigt. Door van vorm te veranderen stelt je oog scherp op dichtbij of ver weg.
-
oestrogeen
Het hormoon van het rijpende eiblaasje. Het zorgt dat het baarmoederslijmvlies weer wordt opgebouwd.
-
aangeleerd gedrag
Gedrag dat verandert door ervaring. Het kost tijd om te leren, maar past zich aan nieuwe omstandigheden aan.
-
celkern
Het deel van de cel waarin het DNA ligt. Daar wordt afgelezen welk eiwit er gemaakt moet worden.
-
vaccinatie
Een prik met een onschadelijk stukje of verzwakte vorm van een ziekteverwekker. Je maakt er antistoffen en geheugencellen tegen aan.
-
alvleesklier
De klier die insuline en glucagon aan je bloed afgeeft. Daarmee houdt hij de hoeveelheid suiker in je bloed op peil.
-
zintuig
Een orgaan dat een prikkel uit de omgeving omzet in een signaal voor je zenuwen. Elk zintuig reageert op zijn eigen soort prikkel.
-
voedselweb
Alle voedselrelaties in een gebied door elkaar. De pijl wijst altijd naar wie eet, dus in de richting waarin de energie gaat.
-
bevruchting
Het samensmelten van een eicel en een zaadcel tot één cel met een compleet stel chromosomen.
-
eierstok
Het orgaan waarin eicellen rijpen. Ongeveer een keer per maand komt er een vrij.
-
terugresorptie
Het terughalen van stoffen die je nog nodig hebt, nadat ze eerst uit het bloed zijn gefilterd. Zo blijven glucose en veel water behouden.
-
eisprong
Het moment waarop een rijpe eicel uit de eierstok vrijkomt, rond dag veertien van de cyclus. Daarna kan ze bevrucht worden.
-
consument
Een organisme dat andere organismen eet. Een planteneter is eerste orde, wie die planteneter eet is tweede orde.
-
gedrag
Alles wat een organisme waarneembaar doet. Je legt het uit met de vraag hoe het werkt én met de vraag waar het goed voor is; dat zijn twee verschillende antwoorden.
-
mineraal
Een eenvoudige voedingsstof uit de bodem die een plant opneemt via zijn wortels. Reducenten maken ze vrij uit dood materiaal.
-
bladgroenkorrel
Het onderdeel in plantencellen waar fotosynthese gebeurt. Het bladgroen erin vangt het licht op.
-
fenotype
Wat je aan een organisme kunt waarnemen. Het fenotype hangt af van het genotype én van de omgeving.
-
eileider
De buis tussen de eierstok en de baarmoeder. Daarin vindt meestal de bevruchting plaats.
-
ureum
De belangrijkste afvalstof in je urine. Die ontstaat als je lichaam eiwitten afbreekt, en je nieren halen hem uit je bloed.
-
vertering
Het knippen van grote moleculen uit je eten tot bouwstenen die klein genoeg zijn om door de darmwand te gaan. Verteren is nog niet opnemen.
-
eiwit
Een voedingsstof die je gebruikt als bouwstof, bijvoorbeeld voor spieren. In je maag worden eiwitten in kleinere stukjes geknipt.
-
reflex
Een vaste, snelle reactie die buiten je wil om gaat. De route loopt via het ruggenmerg, dus je hersenen merken het pas als het al gebeurd is.
-
zenuwcel
Een cel die een prikkel razendsnel over een lange afstand doorgeeft. Zenuwen werken snel en gericht, hormonen traag en breed.
-
inprenting
Een vorm van leren die alleen in een korte periode vlak na de geboorte kan, en daarna vastligt. Eendenkuikens volgen wat ze dan zien.
-
uitscheiding
Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam, vooral door de nieren en de longen. Dat is iets anders dan ontlasting: die is nooit in je bloed geweest.
-
actieve immunisatie
Je lichaam maakt zelf antistoffen, doordat je de ziekte hebt gehad of een vaccinatie hebt gekregen. Het duurt even, maar het werkt lang.
-
weefsel
Een groep cellen van dezelfde soort die samen één taak doen, zoals spierweefsel of bladgroenweefsel.
-
producent
Een organisme dat zijn eigen voedsel maakt met fotosynthese, dus een plant of alg. Elk voedselweb begint hier.
-
afweer
Alles wat je lichaam doet om ziekteverwekkers buiten te houden en op te ruimen. De niet-specifieke afweer werkt tegen alles, de specifieke afweer werkt op maat.
-
genotype
De allelen die iemand heeft, dus wat er in het DNA staat. Dat is iets anders dan wat je ziet.
-
skelet
Alle botten samen. Je skelet geeft je lichaam stevigheid, beschermt je organen en geeft je spieren iets om aan te trekken.