Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

109 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. kleine bloedsomloop

    Het korte rondje van je hart naar je longen en weer terug. Daar haalt het bloed zuurstof op en geeft het koolstofdioxide af.

    Naar de les over Twee rondjes door je lichaam

  2. antistof

    Een eiwit dat precies op het oppervlak van één ziekteverwekker past en hem onschadelijk maakt of markeert voor opruiming.

    Naar de les over Antistoffen en vaccinatie

  3. middenrif

    De grote platte spier onder je longen. Trekt hij samen en gaat hij omlaag, dan wordt je borstholte groter en stroomt er lucht naar binnen.

    Naar de les over Gaswisseling in je longen

  4. pees

    Het stevige uiteinde waarmee een spier aan een bot vastzit. Trekt de spier samen, dan trekt de pees het bot mee.

    Naar de les over Waarom spieren altijd in paren werken

  5. vacuole

    Een grote blaas vol vocht in een plantencel. Als die goed gevuld is staat de plant rechtop, loopt hij leeg dan hangt de plant slap.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  6. heterozygoot

    Met twee verschillende allelen. Bij een recessieve aandoening heet zo iemand drager: zelf niets te merken, wel door te geven.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  7. centraal zenuwstelsel

    Je hersenen en je ruggenmerg samen. Daar komen signalen binnen en vandaar gaan de opdrachten terug naar je spieren en klieren.

    Naar de les over Van prikkel naar reactie

  8. darmvlok

    Een klein uitstulpinkje in de wand van je dunne darm. Miljoenen ervan maken het oppervlak enorm, zodat je veel kunt opnemen.

    Naar de les over Van hap tot bouwstof

  9. waarneming

    Het beeld of gevoel dat in je hersenen ontstaat uit de signalen van je zintuigen. De prikkel is buiten, de waarneming is binnen.

    Naar de les over Wat je zintuigen opvangen

  10. celmembraan

    Het laagje om de cel dat bepaalt wat er in en uit mag. Het is selectief doorlaatbaar: kleine en vetachtige stoffen gaan er makkelijk door, grote en geladen niet zomaar.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  11. homeostase

    Het constant houden van de omstandigheden in je lichaam, zoals temperatuur, bloedsuiker en zuurgraad. Dat gaat met meten, vergelijken en bijsturen.

    Naar de les over Hormonen sturen je lichaam bij

  12. orgaan

    Een deel van een organisme dat uit verschillende weefsels bestaat en samen één taak doet, zoals het hart of een blad.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  13. bewegingszenuw

    Een zenuw die een opdracht van je centrale zenuwstelsel naar een spier of klier brengt. Het verkeer gaat dus naar buiten.

    Naar de les over Van prikkel naar reactie

  14. enzym

    Een eiwit dat een reactie in een cel versnelt zonder zelf op te raken. Elk enzym past maar op een bepaalde stof, en bij te hoge temperatuur of de verkeerde pH verliest het zijn vorm en daarmee zijn werking.

    Naar de les over Van hap tot bouwstof

  15. conditioneren

    Leren door een koppeling, doordat iets steeds samengaat met een beloning of een straf. Denk aan een hond die kwijlt bij een belletje.

    Naar de les over Aangeboren en aangeleerd gedrag

  16. immuun

    Zo goed voorbereid op een ziekteverwekker dat je er niet of nauwelijks ziek van wordt. Dat komt door geheugencellen van een eerdere keer.

    Naar de les over Antistoffen en vaccinatie

  17. organisatieniveau

    De schaal waarop je kijkt: molecuul, cel, weefsel, orgaan, organisme, populatie, ecosysteem. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  18. passieve immunisatie

    Je krijgt kant en klare antistoffen toegediend. Dat werkt meteen, maar kort, want je maakt zelf geen geheugencellen aan.

    Naar de les over Antistoffen en vaccinatie

  19. variatie

    De verschillen tussen individuen van dezelfde soort. Zonder variatie valt er niets te selecteren, dus hier begint elke evolutie-uitleg.

    Naar de les over Hoe evolutie werkt

  20. hormoon

    Een stof die door een klier aan het bloed wordt afgegeven en ergens anders in het lichaam iets in gang zet. Hormonen werken traag maar bereiken alles tegelijk.

    Naar de les over Hormonen sturen je lichaam bij

  21. trofisch niveau

    Een stap in een voedselketen, geteld vanaf de plant. Elke stap verliest energie, dus hoe hoger het niveau hoe minder er overblijft.

    Naar de les over Wie eet wie in een voedselweb

  22. DNA

    Het molecuul waarin de erfelijke informatie staat, in de volgorde van vier basen. De twee strengen passen op elkaar, en dat maakt kopiëren mogelijk.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  23. aangeboren gedrag

    Gedrag dat er van begin af aan is en niet geleerd hoeft te worden, zoals zuigen bij een baby. Het ligt vast en gaat snel.

    Naar de les over Aangeboren en aangeleerd gedrag

  24. zetmeel

    Een lange keten van aan elkaar geplakte glucosemoleculen, de manier waarop een plant suiker opslaat. Je speeksel knipt hem in stukken.

    Naar de les over Van hap tot bouwstof

  25. mechanische vertering

    Voedsel fysiek kleiner maken, door kauwen en door het kneden van je maag en darmen. De stof zelf verandert daarbij niet.

    Naar de les over Van hap tot bouwstof

  26. egestie

    Het kwijtraken van wat nooit in je cellen is geweest, zoals onverteerde resten in je ontlasting. Dat is iets anders dan uitscheiding.

    Naar de les over Wat je nieren uit je bloed halen

  27. gevoelszenuw

    Een zenuw die signalen van een zintuig naar je centrale zenuwstelsel brengt. Het verkeer gaat dus naar binnen.

    Naar de les over Van prikkel naar reactie

  28. staafje

    Een zintuigcel in je netvlies die al bij weinig licht werkt, maar geen kleur ziet. Daarom is alles in het donker grijzig.

    Naar de les over Wat je zintuigen opvangen

  29. grote bloedsomloop

    Het lange rondje van je hart naar de rest van je lichaam en weer terug. Daar levert het bloed zuurstof en voeding af.

    Naar de les over Twee rondjes door je lichaam

  30. geheugencel

    Een afweercel die na een besmetting of een prik blijft bestaan. Daardoor gaat de tweede reactie in uren in plaats van dagen.

    Naar de les over Antistoffen en vaccinatie

  31. gaswisseling

    Zuurstof die van de longblaasjes het bloed in gaat en koolstofdioxide die de andere kant op gaat. Dat gebeurt ook tussen bloed en cellen.

    Naar de les over Gaswisseling in je longen

  32. reactie

    Wat je lichaam doet nadat een prikkel is binnengekomen, bijvoorbeeld een spier die beweegt of een klier die een stof afgeeft.

    Naar de les over Van prikkel naar reactie

  33. doelorgaan

    Het orgaan waar een hormoon iets doet. Het hormoon komt overal langs in je bloed, maar alleen het doelorgaan heeft de juiste ontvangers.

    Naar de les over Hormonen sturen je lichaam bij

  34. gen

    Een stuk DNA met de code voor één eiwit of kenmerk. Een organisme heeft duizenden genen, maar in een cel staat lang niet alles aan.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  35. celwand

    Een stevige laag om de cel van een plant, buiten het celmembraan. Die geeft de plant zijn stevigheid, dierlijke cellen hebben hem niet.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  36. kegeltje

    Een zintuigcel in je netvlies voor kleur. Kegeltjes hebben veel licht nodig, dus in het donker zie je bijna geen kleur meer.

    Naar de les over Wat je zintuigen opvangen

  37. mutatie

    Een verandering in het DNA. De meeste doen niets, sommige zijn schadelijk, en een enkele levert iets op waar selectie mee verder kan.

    Naar de les over Hoe evolutie werkt

  38. cytoplasma

    De stroperige vloeistof die de cel vult, tussen het membraan en de kern. Daarin gebeurt het meeste werk van de cel.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  39. chemische vertering

    Grote moleculen in het voedsel in stukjes knippen met enzymen. Daarna zijn de deeltjes klein genoeg om je bloed in te gaan.

    Naar de les over Van hap tot bouwstof

  40. prikkel

    Een verandering die een zintuig kan opvangen, zoals licht, geluid of een aanraking. Het zintuig maakt er een signaal van voor je zenuwen.

    Naar de les over Van prikkel naar reactie

  41. pupil

    Het zwarte gat in je oog waar het licht doorheen gaat. De iris eromheen maakt hem groter of kleiner, afhankelijk van hoe fel het is.

    Naar de les over Wat je zintuigen opvangen

  42. netvlies

    De binnenkant van je oog waar de staafjes en kegeltjes zitten. Staafjes zien licht en donker, kegeltjes zien kleur.

    Naar de les over Wat je zintuigen opvangen

  43. antigeen

    Een stof op het oppervlak van een indringer die je afweer herkent als vreemd. Op dat antigeen wordt de antistof gemaakt.

    Naar de les over Antistoffen en vaccinatie

  44. aanpassing

    Een kenmerk dat een organisme beter laat passen bij zijn omgeving. Let op: een individu past zich niet aan, een populatie verandert over generaties.

    Naar de les over Hoe evolutie werkt

  45. glucagon

    Het hormoon dat je bloedsuiker verhoogt door de lever glycogeen te laten afbreken tot glucose. Het is de tegenpool van insuline.

    Naar de les over Hormonen sturen je lichaam bij

  46. allel

    Een van de varianten van een gen. Je hebt er twee van, één van elke ouder, en samen bepalen ze het kenmerk.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  47. ader

    Een bloedvat dat naar het hart toe gaat. Aders hebben kleppen, want de druk is er laag.

    Naar de les over Twee rondjes door je lichaam

  48. haarvat

    Het dunste bloedvat, één cel dik. Alleen hier worden stoffen afgeleverd bij de cellen en afvalstoffen opgehaald.

    Naar de les over Twee rondjes door je lichaam

  49. progesteron

    Het hormoon van het lege eiblaasje na de eisprong. Het houdt het baarmoederslijmvlies dik, zodat innesteling mogelijk blijft.

    Naar de les over De cyclus van 28 dagen

  50. afvalstof

    Een stof die overblijft bij processen in je cellen en die weg moet, zoals ureum en koolstofdioxide. Je nieren en longen raken ze kwijt.

    Naar de les over Wat je nieren uit je bloed halen

  51. gedragsbeschrijving

    Opschrijven wat een dier precies doet, zonder er een verklaring bij te geven. Zo blijft de waarneming los van je uitleg.

    Naar de les over Aangeboren en aangeleerd gedrag

  52. longblaasje

    Een van de honderden miljoenen blaasjes aan het eind van je luchtwegen. Daar is de wand zo dun dat gassen er doorheen kunnen.

    Naar de les over Gaswisseling in je longen

  53. slagader

    Een bloedvat dat van het hart af gaat. Dat zegt niets over zuurstof: de longslagader vervoert juist zuurstofarm bloed.

    Naar de les over Twee rondjes door je lichaam

  54. baarmoederslijmvlies

    De laag aan de binnenkant van de baarmoeder. Die wordt elke maand dik, zodat een bevruchte eicel zich kan innestelen.

    Naar de les over De cyclus van 28 dagen

  55. duurzaamheid

    Gebruiken zonder uit te putten, zodat het ook later nog kan. In de biologie gaat het vaak over de vraag of een gebruik binnen de draagkracht blijft.

    Naar de les over Waarom wij de natuur nodig hebben

  56. urine

    Wat er overblijft nadat je nieren hebben gefilterd en het bruikbare hebben teruggehaald. Vooral water met ureum en zouten erin.

    Naar de les over Wat je nieren uit je bloed halen

  57. teelbal

    Het orgaan waarin zaadcellen worden gemaakt. Dat gebeurt vanaf de puberteit onafgebroken.

    Naar de les over Van twee cellen naar een kind

  58. gewricht

    De plek waar twee botten elkaar raken en ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Kraakbeen en vocht zorgen dat het soepel gaat.

    Naar de les over Waarom spieren altijd in paren werken

  59. menstruatie

    Het afstoten van het baarmoederslijmvlies als er geen bevruchte eicel is ingenesteld. Daarmee begint een nieuwe cyclus.

    Naar de les over De cyclus van 28 dagen

  60. antibioticum

    Een medicijn dat bacteriën doodt of ze laat stoppen met groeien. Het grijpt dingen aan die alleen bacteriën hebben, dus tegen een virus helpt het niet.

    Naar de les over Hoe je lichaam zich verdedigt

  61. dunne darm

    Het deel van je verteringsstelsel waar voedingsstoffen je bloed in gaan. De wand zit vol darmvlokken en is daardoor erg groot van binnen.

    Naar de les over Van hap tot bouwstof

  62. kruisingsschema

    Een schema waarin je de geslachtscellen van beide ouders tegen elkaar uitzet, zodat je ziet welke genotypen de kinderen kunnen krijgen en in welke verhouding.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  63. placenta

    Het orgaan dat tijdens een zwangerschap voeding en zuurstof uit het bloed van de moeder haalt en naar het kind brengt. Het bloed zelf mengt niet.

    Naar de les over Van twee cellen naar een kind

  64. homozygoot

    Met twee dezelfde allelen voor een kenmerk. Iemand met een recessieve aandoening is altijd homozygoot.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  65. cel

    De kleinste eenheid die leeft. Een cel heeft een celmembraan, cytoplasma en bij planten ook een celwand. Alles wat een organisme doet, gebeurt uiteindelijk in cellen.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  66. natuurlijke selectie

    Het proces waarbij individuen die beter passen bij hun omgeving meer nakomelingen krijgen. Je legt het uit in vier stappen: variatie, selectiedruk, overleven en voortplanten, en doorgeven.

    Naar de les over Hoe evolutie werkt

  67. biodiversiteit

    De verscheidenheid aan leven, op drie niveaus: verschillen binnen een soort, het aantal soorten, en het aantal ecosystemen.

    Naar de les over Waarom wij de natuur nodig hebben

  68. ziekteverwekker

    Een organisme dat je ziek maakt, zoals een bacterie, een virus of een schimmel. Je afweer probeert hem tegen te houden.

    Naar de les over Hoe je lichaam zich verdedigt

  69. ruggenmerg

    De streng zenuwweefsel in je ruggengraat. Bij een reflex gaat het signaal daar meteen over op de bewegingszenuw, zonder je hersenen.

    Naar de les over Van prikkel naar reactie

  70. recessief

    Een allel dat het kenmerk alleen laat zien als er geen dominant allel naast staat, dus bij twee dezelfde.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  71. resorptie

    De opname van bouwstenen door de darmwand in het bloed. Dit gebeurt vooral in de dunne darm, die daarvoor vol plooien en darmvlokken zit.

    Naar de les over Van hap tot bouwstof

  72. antagonist

    Een spier die de beweging van een andere spier terugdraait. Spieren kunnen alleen trekken, dus ze werken altijd in paren.

    Naar de les over Waarom spieren altijd in paren werken

  73. zintuigcel

    Een cel in een zintuig die op één soort prikkel reageert, bijvoorbeeld op licht of op druk. Die maakt er een zenuwsignaal van.

    Naar de les over Wat je zintuigen opvangen

  74. insuline

    Het hormoon dat je bloedsuiker verlaagt: glucose gaat de cellen in en de lever slaat het overschot op als glycogeen.

    Naar de les over Hormonen sturen je lichaam bij

  75. mitochondrion

    Het onderdeel waar de verbranding plaatsvindt. Hier wordt glucose met zuurstof omgezet en komt de energie vrij waar de cel op draait.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  76. dominant

    Een allel dat het kenmerk laat zien ook als er maar één van is. Het overstemt het andere allel.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  77. reducent

    Een organisme dat dood materiaal afbreekt tot mineralen, zoals schimmels en bacteriën. Zonder reducenten stokt elke kringloop.

    Naar de les over Schimmels en bacteriën ruimen op

  78. ademhaling

    Lucht in en uit je longen pompen, met je middenrif en je ribspieren. Dat is iets anders dan de gaswisseling die daarbinnen gebeurt.

    Naar de les over Gaswisseling in je longen

  79. ooglens

    Het doorzichtige lensje achter je pupil dat het licht buigt. Door van vorm te veranderen stelt je oog scherp op dichtbij of ver weg.

    Naar de les over Wat je zintuigen opvangen

  80. oestrogeen

    Het hormoon van het rijpende eiblaasje. Het zorgt dat het baarmoederslijmvlies weer wordt opgebouwd.

    Naar de les over De cyclus van 28 dagen

  81. aangeleerd gedrag

    Gedrag dat verandert door ervaring. Het kost tijd om te leren, maar past zich aan nieuwe omstandigheden aan.

    Naar de les over Aangeboren en aangeleerd gedrag

  82. celkern

    Het deel van de cel waarin het DNA ligt. Daar wordt afgelezen welk eiwit er gemaakt moet worden.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  83. vaccinatie

    Een prik met een onschadelijk stukje of verzwakte vorm van een ziekteverwekker. Je maakt er antistoffen en geheugencellen tegen aan.

    Naar de les over Antistoffen en vaccinatie

  84. alvleesklier

    De klier die insuline en glucagon aan je bloed afgeeft. Daarmee houdt hij de hoeveelheid suiker in je bloed op peil.

    Naar de les over Hormonen sturen je lichaam bij

  85. zintuig

    Een orgaan dat een prikkel uit de omgeving omzet in een signaal voor je zenuwen. Elk zintuig reageert op zijn eigen soort prikkel.

    Naar de les over Wat je zintuigen opvangen

  86. voedselweb

    Alle voedselrelaties in een gebied door elkaar. De pijl wijst altijd naar wie eet, dus in de richting waarin de energie gaat.

    Naar de les over Wie eet wie in een voedselweb

  87. bevruchting

    Het samensmelten van een eicel en een zaadcel tot één cel met een compleet stel chromosomen.

    Naar de les over Van twee cellen naar een kind

  88. eierstok

    Het orgaan waarin eicellen rijpen. Ongeveer een keer per maand komt er een vrij.

    Naar de les over Van twee cellen naar een kind

  89. terugresorptie

    Het terughalen van stoffen die je nog nodig hebt, nadat ze eerst uit het bloed zijn gefilterd. Zo blijven glucose en veel water behouden.

    Naar de les over Wat je nieren uit je bloed halen

  90. eisprong

    Het moment waarop een rijpe eicel uit de eierstok vrijkomt, rond dag veertien van de cyclus. Daarna kan ze bevrucht worden.

    Naar de les over De cyclus van 28 dagen

  91. consument

    Een organisme dat andere organismen eet. Een planteneter is eerste orde, wie die planteneter eet is tweede orde.

    Naar de les over Wie eet wie in een voedselweb

  92. gedrag

    Alles wat een organisme waarneembaar doet. Je legt het uit met de vraag hoe het werkt én met de vraag waar het goed voor is; dat zijn twee verschillende antwoorden.

    Naar de les over Aangeboren en aangeleerd gedrag

  93. mineraal

    Een eenvoudige voedingsstof uit de bodem die een plant opneemt via zijn wortels. Reducenten maken ze vrij uit dood materiaal.

    Naar de les over Schimmels en bacteriën ruimen op

  94. bladgroenkorrel

    Het onderdeel in plantencellen waar fotosynthese gebeurt. Het bladgroen erin vangt het licht op.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  95. fenotype

    Wat je aan een organisme kunt waarnemen. Het fenotype hangt af van het genotype én van de omgeving.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  96. eileider

    De buis tussen de eierstok en de baarmoeder. Daarin vindt meestal de bevruchting plaats.

    Naar de les over Van twee cellen naar een kind

  97. ureum

    De belangrijkste afvalstof in je urine. Die ontstaat als je lichaam eiwitten afbreekt, en je nieren halen hem uit je bloed.

    Naar de les over Wat je nieren uit je bloed halen

  98. vertering

    Het knippen van grote moleculen uit je eten tot bouwstenen die klein genoeg zijn om door de darmwand te gaan. Verteren is nog niet opnemen.

    Naar de les over Van hap tot bouwstof

  99. eiwit

    Een voedingsstof die je gebruikt als bouwstof, bijvoorbeeld voor spieren. In je maag worden eiwitten in kleinere stukjes geknipt.

    Naar de les over Van hap tot bouwstof

  100. reflex

    Een vaste, snelle reactie die buiten je wil om gaat. De route loopt via het ruggenmerg, dus je hersenen merken het pas als het al gebeurd is.

    Naar de les over Van prikkel naar reactie

  101. zenuwcel

    Een cel die een prikkel razendsnel over een lange afstand doorgeeft. Zenuwen werken snel en gericht, hormonen traag en breed.

    Naar de les over Van prikkel naar reactie

  102. inprenting

    Een vorm van leren die alleen in een korte periode vlak na de geboorte kan, en daarna vastligt. Eendenkuikens volgen wat ze dan zien.

    Naar de les over Aangeboren en aangeleerd gedrag

  103. uitscheiding

    Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam, vooral door de nieren en de longen. Dat is iets anders dan ontlasting: die is nooit in je bloed geweest.

    Naar de les over Wat je nieren uit je bloed halen

  104. actieve immunisatie

    Je lichaam maakt zelf antistoffen, doordat je de ziekte hebt gehad of een vaccinatie hebt gekregen. Het duurt even, maar het werkt lang.

    Naar de les over Antistoffen en vaccinatie

  105. weefsel

    Een groep cellen van dezelfde soort die samen één taak doen, zoals spierweefsel of bladgroenweefsel.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  106. producent

    Een organisme dat zijn eigen voedsel maakt met fotosynthese, dus een plant of alg. Elk voedselweb begint hier.

    Naar de les over Wie eet wie in een voedselweb

  107. afweer

    Alles wat je lichaam doet om ziekteverwekkers buiten te houden en op te ruimen. De niet-specifieke afweer werkt tegen alles, de specifieke afweer werkt op maat.

    Naar de les over Hoe je lichaam zich verdedigt

  108. genotype

    De allelen die iemand heeft, dus wat er in het DNA staat. Dat is iets anders dan wat je ziet.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  109. skelet

    Alle botten samen. Je skelet geeft je lichaam stevigheid, beschermt je organen en geeft je spieren iets om aan te trekken.

    Naar de les over Waarom spieren altijd in paren werken

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 109 begrippen.

1 onderwerp
1 onderwerp
1 onderwerp
2 onderwerpen
1 onderwerp
4 onderwerpen
1 onderwerp
1 onderwerp
1 onderwerp
3 onderwerpen
1 onderwerp
2 onderwerpen
Begin opnieuw