Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

20 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. uitscheiding

    Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam, vooral door de nieren en de longen. Dat is iets anders dan ontlasting: die is nooit in je bloed geweest.

    Naar de les over Wat je nieren uit je bloed halen

  2. cel

    De kleinste eenheid die leeft. Een cel heeft een celmembraan, cytoplasma en bij planten ook een celwand. Alles wat een organisme doet, gebeurt uiteindelijk in cellen.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  3. mineraal

    Een eenvoudige voedingsstof uit de bodem die een plant opneemt via zijn wortels. Reducenten maken ze vrij uit dood materiaal.

    Naar de les over Schimmels en bacteriën ruimen op

  4. eierstok

    Het orgaan waarin eicellen rijpen. Ongeveer een keer per maand komt er een vrij.

    Naar de les over Van twee cellen naar een kind

  5. dominant

    Een allel dat het kenmerk laat zien ook als er maar één van is. Het overstemt het andere allel.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  6. glucagon

    Het hormoon dat je bloedsuiker verhoogt door de lever glycogeen te laten afbreken tot glucose. Het is de tegenpool van insuline.

    Naar de les over Hormonen sturen je lichaam bij

  7. eisprong

    Het moment waarop een rijpe eicel uit de eierstok vrijkomt, rond dag veertien van de cyclus. Daarna kan ze bevrucht worden.

    Naar de les over De cyclus van 28 dagen

  8. inprenting

    Een vorm van leren die alleen in een korte periode vlak na de geboorte kan, en daarna vastligt. Eendenkuikens volgen wat ze dan zien.

    Naar de les over Aangeboren en aangeleerd gedrag

  9. pupil

    Het zwarte gat in je oog waar het licht doorheen gaat. De iris eromheen maakt hem groter of kleiner, afhankelijk van hoe fel het is.

    Naar de les over Wat je zintuigen opvangen

  10. gen

    Een stuk DNA met de code voor één eiwit of kenmerk. Een organisme heeft duizenden genen, maar in een cel staat lang niet alles aan.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  11. ureum

    De belangrijkste afvalstof in je urine. Die ontstaat als je lichaam eiwitten afbreekt, en je nieren halen hem uit je bloed.

    Naar de les over Wat je nieren uit je bloed halen

  12. vertering

    Het knippen van grote moleculen uit je eten tot bouwstenen die klein genoeg zijn om door de darmwand te gaan. Verteren is nog niet opnemen.

    Naar de les over Van hap tot bouwstof

  13. skelet

    Alle botten samen. Je skelet geeft je lichaam stevigheid, beschermt je organen en geeft je spieren iets om aan te trekken.

    Naar de les over Waarom spieren altijd in paren werken

  14. hormoon

    Een stof die door een klier aan het bloed wordt afgegeven en ergens anders in het lichaam iets in gang zet. Hormonen werken traag maar bereiken alles tegelijk.

    Naar de les over Hormonen sturen je lichaam bij

  15. fenotype

    Wat je aan een organisme kunt waarnemen. Het fenotype hangt af van het genotype én van de omgeving.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  16. celkern

    Het deel van de cel waarin het DNA ligt. Daar wordt afgelezen welk eiwit er gemaakt moet worden.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  17. kleine bloedsomloop

    Het korte rondje van je hart naar je longen en weer terug. Daar haalt het bloed zuurstof op en geeft het koolstofdioxide af.

    Naar de les over Twee rondjes door je lichaam

  18. bevruchting

    Het samensmelten van een eicel en een zaadcel tot één cel met een compleet stel chromosomen.

    Naar de les over Van twee cellen naar een kind

  19. insuline

    Het hormoon dat je bloedsuiker verlaagt: glucose gaat de cellen in en de lever slaat het overschot op als glycogeen.

    Naar de les over Hormonen sturen je lichaam bij

  20. consument

    Een organisme dat andere organismen eet. Een planteneter is eerste orde, wie die planteneter eet is tweede orde.

    Naar de les over Wie eet wie in een voedselweb

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 109 begrippen.

1 onderwerp
1 onderwerp
1 onderwerp
2 onderwerpen
1 onderwerp
4 onderwerpen
1 onderwerp
1 onderwerp
1 onderwerp
3 onderwerpen
1 onderwerp
2 onderwerpen
Begin opnieuw