Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
20 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
uitscheiding
Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam, vooral door de nieren en de longen. Dat is iets anders dan ontlasting: die is nooit in je bloed geweest.
-
cel
De kleinste eenheid die leeft. Een cel heeft een celmembraan, cytoplasma en bij planten ook een celwand. Alles wat een organisme doet, gebeurt uiteindelijk in cellen.
-
mineraal
Een eenvoudige voedingsstof uit de bodem die een plant opneemt via zijn wortels. Reducenten maken ze vrij uit dood materiaal.
-
eierstok
Het orgaan waarin eicellen rijpen. Ongeveer een keer per maand komt er een vrij.
-
dominant
Een allel dat het kenmerk laat zien ook als er maar één van is. Het overstemt het andere allel.
-
glucagon
Het hormoon dat je bloedsuiker verhoogt door de lever glycogeen te laten afbreken tot glucose. Het is de tegenpool van insuline.
-
eisprong
Het moment waarop een rijpe eicel uit de eierstok vrijkomt, rond dag veertien van de cyclus. Daarna kan ze bevrucht worden.
-
inprenting
Een vorm van leren die alleen in een korte periode vlak na de geboorte kan, en daarna vastligt. Eendenkuikens volgen wat ze dan zien.
-
pupil
Het zwarte gat in je oog waar het licht doorheen gaat. De iris eromheen maakt hem groter of kleiner, afhankelijk van hoe fel het is.
-
gen
Een stuk DNA met de code voor één eiwit of kenmerk. Een organisme heeft duizenden genen, maar in een cel staat lang niet alles aan.
-
ureum
De belangrijkste afvalstof in je urine. Die ontstaat als je lichaam eiwitten afbreekt, en je nieren halen hem uit je bloed.
-
vertering
Het knippen van grote moleculen uit je eten tot bouwstenen die klein genoeg zijn om door de darmwand te gaan. Verteren is nog niet opnemen.
-
skelet
Alle botten samen. Je skelet geeft je lichaam stevigheid, beschermt je organen en geeft je spieren iets om aan te trekken.
-
hormoon
Een stof die door een klier aan het bloed wordt afgegeven en ergens anders in het lichaam iets in gang zet. Hormonen werken traag maar bereiken alles tegelijk.
-
fenotype
Wat je aan een organisme kunt waarnemen. Het fenotype hangt af van het genotype én van de omgeving.
-
celkern
Het deel van de cel waarin het DNA ligt. Daar wordt afgelezen welk eiwit er gemaakt moet worden.
-
kleine bloedsomloop
Het korte rondje van je hart naar je longen en weer terug. Daar haalt het bloed zuurstof op en geeft het koolstofdioxide af.
-
bevruchting
Het samensmelten van een eicel en een zaadcel tot één cel met een compleet stel chromosomen.
-
insuline
Het hormoon dat je bloedsuiker verlaagt: glucose gaat de cellen in en de lever slaat het overschot op als glycogeen.
-
consument
Een organisme dat andere organismen eet. Een planteneter is eerste orde, wie die planteneter eet is tweede orde.