Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

40 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. mineraal

    Een eenvoudige voedingsstof uit de bodem die een plant opneemt via zijn wortels. Reducenten maken ze vrij uit dood materiaal.

    Naar de les over Schimmels en bacteriën ruimen op

  2. progesteron

    Het hormoon van het lege eiblaasje na de eisprong. Het houdt het baarmoederslijmvlies dik, zodat innesteling mogelijk blijft.

    Naar de les over De cyclus van 28 dagen

  3. trofisch niveau

    Een stap in een voedselketen, geteld vanaf de plant. Elke stap verliest energie, dus hoe hoger het niveau hoe minder er overblijft.

    Naar de les over Wie eet wie in een voedselweb

  4. eierstok

    Het orgaan waarin eicellen rijpen. Ongeveer een keer per maand komt er een vrij.

    Naar de les over Van twee cellen naar een kind

  5. voedselweb

    Alle voedselrelaties in een gebied door elkaar. De pijl wijst altijd naar wie eet, dus in de richting waarin de energie gaat.

    Naar de les over Wie eet wie in een voedselweb

  6. producent

    Een organisme dat zijn eigen voedsel maakt met fotosynthese, dus een plant of alg. Elk voedselweb begint hier.

    Naar de les over Wie eet wie in een voedselweb

  7. vacuole

    Een grote blaas vol vocht in een plantencel. Als die goed gevuld is staat de plant rechtop, loopt hij leeg dan hangt de plant slap.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  8. pupil

    Het zwarte gat in je oog waar het licht doorheen gaat. De iris eromheen maakt hem groter of kleiner, afhankelijk van hoe fel het is.

    Naar de les over Wat je zintuigen opvangen

  9. doelorgaan

    Het orgaan waar een hormoon iets doet. Het hormoon komt overal langs in je bloed, maar alleen het doelorgaan heeft de juiste ontvangers.

    Naar de les over Hormonen sturen je lichaam bij

  10. zintuigcel

    Een cel in een zintuig die op één soort prikkel reageert, bijvoorbeeld op licht of op druk. Die maakt er een zenuwsignaal van.

    Naar de les over Wat je zintuigen opvangen

  11. uitscheiding

    Het verwijderen van afvalstoffen uit je lichaam, vooral door de nieren en de longen. Dat is iets anders dan ontlasting: die is nooit in je bloed geweest.

    Naar de les over Wat je nieren uit je bloed halen

  12. centraal zenuwstelsel

    Je hersenen en je ruggenmerg samen. Daar komen signalen binnen en vandaar gaan de opdrachten terug naar je spieren en klieren.

    Naar de les over Van prikkel naar reactie

  13. teelbal

    Het orgaan waarin zaadcellen worden gemaakt. Dat gebeurt vanaf de puberteit onafgebroken.

    Naar de les over Van twee cellen naar een kind

  14. DNA

    Het molecuul waarin de erfelijke informatie staat, in de volgorde van vier basen. De twee strengen passen op elkaar, en dat maakt kopiëren mogelijk.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  15. bevruchting

    Het samensmelten van een eicel en een zaadcel tot één cel met een compleet stel chromosomen.

    Naar de les over Van twee cellen naar een kind

  16. staafje

    Een zintuigcel in je netvlies die al bij weinig licht werkt, maar geen kleur ziet. Daarom is alles in het donker grijzig.

    Naar de les over Wat je zintuigen opvangen

  17. alvleesklier

    De klier die insuline en glucagon aan je bloed afgeeft. Daarmee houdt hij de hoeveelheid suiker in je bloed op peil.

    Naar de les over Hormonen sturen je lichaam bij

  18. bladgroenkorrel

    Het onderdeel in plantencellen waar fotosynthese gebeurt. Het bladgroen erin vangt het licht op.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  19. passieve immunisatie

    Je krijgt kant en klare antistoffen toegediend. Dat werkt meteen, maar kort, want je maakt zelf geen geheugencellen aan.

    Naar de les over Antistoffen en vaccinatie

  20. reducent

    Een organisme dat dood materiaal afbreekt tot mineralen, zoals schimmels en bacteriën. Zonder reducenten stokt elke kringloop.

    Naar de les over Schimmels en bacteriën ruimen op

  21. aangeboren gedrag

    Gedrag dat er van begin af aan is en niet geleerd hoeft te worden, zoals zuigen bij een baby. Het ligt vast en gaat snel.

    Naar de les over Aangeboren en aangeleerd gedrag

  22. middenrif

    De grote platte spier onder je longen. Trekt hij samen en gaat hij omlaag, dan wordt je borstholte groter en stroomt er lucht naar binnen.

    Naar de les over Gaswisseling in je longen

  23. zintuig

    Een orgaan dat een prikkel uit de omgeving omzet in een signaal voor je zenuwen. Elk zintuig reageert op zijn eigen soort prikkel.

    Naar de les over Wat je zintuigen opvangen

  24. orgaan

    Een deel van een organisme dat uit verschillende weefsels bestaat en samen één taak doet, zoals het hart of een blad.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  25. homozygoot

    Met twee dezelfde allelen voor een kenmerk. Iemand met een recessieve aandoening is altijd homozygoot.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  26. genotype

    De allelen die iemand heeft, dus wat er in het DNA staat. Dat is iets anders dan wat je ziet.

    Naar de les over Een kruisingsschema maken

  27. antistof

    Een eiwit dat precies op het oppervlak van één ziekteverwekker past en hem onschadelijk maakt of markeert voor opruiming.

    Naar de les over Antistoffen en vaccinatie

  28. haarvat

    Het dunste bloedvat, één cel dik. Alleen hier worden stoffen afgeleverd bij de cellen en afvalstoffen opgehaald.

    Naar de les over Twee rondjes door je lichaam

  29. slagader

    Een bloedvat dat van het hart af gaat. Dat zegt niets over zuurstof: de longslagader vervoert juist zuurstofarm bloed.

    Naar de les over Twee rondjes door je lichaam

  30. eileider

    De buis tussen de eierstok en de baarmoeder. Daarin vindt meestal de bevruchting plaats.

    Naar de les over Van twee cellen naar een kind

  31. mitochondrion

    Het onderdeel waar de verbranding plaatsvindt. Hier wordt glucose met zuurstof omgezet en komt de energie vrij waar de cel op draait.

    Naar de les over Van cel naar organisme

  32. gedragsbeschrijving

    Opschrijven wat een dier precies doet, zonder er een verklaring bij te geven. Zo blijft de waarneming los van je uitleg.

    Naar de les over Aangeboren en aangeleerd gedrag

  33. afvalstof

    Een stof die overblijft bij processen in je cellen en die weg moet, zoals ureum en koolstofdioxide. Je nieren en longen raken ze kwijt.

    Naar de les over Wat je nieren uit je bloed halen

  34. kleine bloedsomloop

    Het korte rondje van je hart naar je longen en weer terug. Daar haalt het bloed zuurstof op en geeft het koolstofdioxide af.

    Naar de les over Twee rondjes door je lichaam

  35. ruggenmerg

    De streng zenuwweefsel in je ruggengraat. Bij een reflex gaat het signaal daar meteen over op de bewegingszenuw, zonder je hersenen.

    Naar de les over Van prikkel naar reactie

  36. baarmoederslijmvlies

    De laag aan de binnenkant van de baarmoeder. Die wordt elke maand dik, zodat een bevruchte eicel zich kan innestelen.

    Naar de les over De cyclus van 28 dagen

  37. antagonist

    Een spier die de beweging van een andere spier terugdraait. Spieren kunnen alleen trekken, dus ze werken altijd in paren.

    Naar de les over Waarom spieren altijd in paren werken

  38. oestrogeen

    Het hormoon van het rijpende eiblaasje. Het zorgt dat het baarmoederslijmvlies weer wordt opgebouwd.

    Naar de les over De cyclus van 28 dagen

  39. placenta

    Het orgaan dat tijdens een zwangerschap voeding en zuurstof uit het bloed van de moeder haalt en naar het kind brengt. Het bloed zelf mengt niet.

    Naar de les over Van twee cellen naar een kind

  40. consument

    Een organisme dat andere organismen eet. Een planteneter is eerste orde, wie die planteneter eet is tweede orde.

    Naar de les over Wie eet wie in een voedselweb

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 109 begrippen.

1 onderwerp
1 onderwerp
1 onderwerp
2 onderwerpen
1 onderwerp
4 onderwerpen
1 onderwerp
1 onderwerp
1 onderwerp
3 onderwerpen
1 onderwerp
2 onderwerpen
Begin opnieuw